Casus werkgroep 1
Casus week 1: Ongeregeldheden in de stad
In verband met concrete aanwijzingen voor ongeregeldheden rond een
risicovolle voetbalwedstrijd is een deel van de binnenstad van
Rotterdam aangewezen als veiligheidsrisicogebied. In dit gebied zijn
opsporingsambtenaren heimelijk en zichtbaar aanwezig. Zij voeren
onder meer preventieve fouilleercontroles uit met het oog op de
handhaving van de openbare orde. De opsporingsambtenaren Lily en
Teun, zichtbaar aanwezig, zien supporter Arnold in het aangewezen
gebied rondlopen en merken op dat hij zich onrustig gedraagt,
voortdurend om zich heen kijkt en zichtbaar nerveus is. Zij besluiten
daarop Arnold aan een preventieve fouilleercontrole te onderwerpen.
Lily en Teun vragen aan Arnold of hij voorwerpen bij zich heeft die hij
niet bij zich zou moeten hebben, waarop Arnold ontkennend antwoord.
Tijdens de fouilleercontrole treffen de opsporingsambtenaren in de
jaszak van Arnold echter een aardappelschilmesje aan. Arnold zegt
direct het mesje af te staan. Het mesje wordt daarop in beslag
genomen. Naar aanleiding hiervan vraagt Lily aan Arnold zich te
legitimeren. Teun doorzoekt de rugzak van Arnold. Uit de
identiteitscontrole van Lily blijkt Arnold enkele Opiumfeiten op zijn
naam te hebben staan. In de rugzak van Arnold worden meerdere
zakjes met een wit poeder en een digitale weegschaal aangetroffen. Op
basis hiervan wordt Arnold aangehouden en overgebracht naar het
politiebureau. Op het politiebureau wordt Arnold verhoord en later in
verzekering gesteld. De officier van justitie besluit het onderzoek uit te
breiden en vordert bij de rechter- commissaris een machtiging tot
doorzoeking van de woning van Arnold. De rechter- commissaris
verleent de machtiging en verricht de doorzoeking. Daarbij worden een
grotere hoeveelheid verdovende middelen en een bedrag aan contant
geld aangetroffen. Daarnaast verzoekt de officier van justitie de
rechter-commissaris om toestemming voor het (verder) onderzoeken
van de in beslag genomen mobiele telefoon van Arnold. De rechter-
commissaris verleent deze toestemming onder voorwaarden.
Vragen:
1. Op welke grondslag zijn opsporingsambtenaren in de binnenstad
aanwezig?
Op grond van art. 3 Politiewet 2012 openbare orde (art. 11 Politiewet),
in combinatie met art. 141 Sv (algemene opsporingstaak).
,2. Op welke grondslag oefenen zij de preventieve
fouilleringsbevoegdheid uit?
Slechts fouilleren bij concrete verdenking:
⁃ Op grond van art. 151b Gemeentewet (veiligheidsrisicogebied),
na aanwijzing door de burgemeester en bevel van de officier van
justitie; driehoeksgesprek.
⁃ Ook art. 52 lid 3 Wet Wapens en Munitie.
3. Is er in deze casus sprake van een voorbereidend onderzoek?
Ja, art 132 Sv; al het onderzoek vooraf de terechtzitting. Ja, want kijk
vraag 4; er is opsporing!.
4. Is er in deze casus sprake van een opsporingsonderzoek? Vanaf welk
moment en van welk ‘type’ opsporing zoals door Keulen en Knigge
omschreven?
Ja, opsporing is onderdeel van voorbereidend onderzoek. De opsporing
begint zodra er een vermoeden rijst dat er een strafbaar feit is
gepleegd. In casu de ontdekking dat tijdens de fouillering een mesje is
ontdekt (wapen/drugs).
Type: eerst repressieve controle (preventief fouilleren zonder concrete
verdenking), daarna klassieke opsporing gericht op opheldering van
concrete strafbare feiten (Opiumwet).
5. Vanaf welk moment kan Arnold als verdachte worden aangemerkt?
Art. 27 Sv lid 1 Materieel criterium: 'degene te wiens aanzien uit feiten
en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig
strafbaar feit voortvloeit’. Vanaf het moment dat dat mesje is ontdekt
in een veiligheidsrisicogebied ontstaat een verdenking, kan ook worden
beargumenteerd dat vanaf het moment dat hij zich onrustig en
nerveus gedraagt al verdacht is→ er ontstaat een redelijk vermoeden
van schuld. (Materieel en formeel begrip verdachte).
6. In deze casus spelen een aantal actoren een rol. Geef van elk van
deze actoren kort aan welke rol zij in het voorbereidend onderzoek
spelen.
,Opsporingsambtenaren (Lily en Teun) -> Verrichten opsporing (art. 141
Sv), passen bevoegdheden toe en leggen bevindingen vast in proces-
verbaal.
Burgemeester -> Bevoegd gezag bij openbare-ordehandhaving; wijst
het veiligheidsrisicogebied aan (art. 151b Gemeentewet).
Officier van justitie -> Leider van het opsporingsonderzoek (art. 148
Sv), beslist over vervolging en vordert machtigingen. Kijkt ook naar het
vervolgingsbeleid: welke feiten het OM uiteindelijk gaat vervolgen bij
de rechtbank.
Rechter-commissaris -> Onafhankelijke toezichthouder op de
rechtmatigheid van het onderzoek: verleent machtigingen voor
ingrijpende opsporingsbevoegdheden (doorzoeking woning,
telefoononderzoek) en bewaakt grondrechten.
Casus werkgroep 2
De politie ontvangt in de maand februari meerdere meldingen uit de
wijk over een sterke henneplucht rondom een rijtjeswoning aan de
Essenburgstraat te Rotterdam. Verschillende buurtbewoners melden
ook dat er regelmatig korte bezoeken plaatsvinden — personen die
slechts één à twee minuten binnen zijn en dan weer vertrekken. Het
pand staat op naam van een woningbouwvereniging en blijkt te worden
verhuurd aan Tobias van K., een 29 jarige man zonder bekend
strafblad. Besloten wordt om meer te surveilleren in de wijk om te zien
of er iets wordt waargenomen. Op een avond rijdt een surveillance-
eenheid van de politie door de Essenburgstraat. De politieagenten zien
een man het huis binnenlopen en binnen één minuut weer vertrekken.
Zij houden hem staande en treffen bij hem een klein zakje cocaïne aan.
De man verklaart dat hij “net iets heeft gehaald bij Tobias”. Hij weigert
verdere uitleg te geven.
a. Hoe kan het surveilleren van de politieagenten in de Essenburgstraat
worden
gekwalificeerd/aangeduid? Terug naar week 1: is er sprake van
opsporing? Zo ja, artikel 1 Sv bepaalt dat strafvordering enkel
plaatsvindt ‘bij wet voorzien’, is deze opsporingsmethode ‘bij wet
voorzien’?
Ja, dit is klassieke opsporing (art. 132a Sv) naar een vermoedelijk
strafbaar feit. Het is bij wet voorzien via art. 3 Politiewet, art. 141 Sv en
onder gezag van de OvJ. Art. 12 Politiewet: handhaving van de
rechtsorde.
, b. Kan de man rechtmatig worden staande gehouden door de
politieagenten op het
moment dat hij het huis uitkomt?
Ja. Op het moment van staande houden is er een redelijk vermoeden
van schuld (art. 27 Sv):
• korte bezoeken,
• bekende signalen van drugshandel,
• persoon komt net uit het pand.
Staande houden mag op grond van art. 52 Sv om zijn identiteit vast te
stellen.
c. Hoe kunnen zij dit zakje cocaïne rechtmatig bij de man hebben
aangetroffen?
Na het ontstaan van een verdenking mogen zij:
• De verdachte aanhouden op heterdaad (art. 53 Sv), want bezit
van harddrugs is strafbaar (art. 2 Opiumwet).
• Vervolgens mag hij worden gefouilleerd ter vaststelling van
identiteit en voor inbeslagneming (art. 95 Sv).
• Het zakje kan in beslag worden genomen op grond van art. 94 Sv.
• Artikel 9 lid 2 Opiumwet: van een bij deze wet als misdrijf
strafbaar gesteld feit.
• Artikel 9 lid 3 Opiumwet: kunnen ook uitlevering vorderen.
Dat is een reguliere inbeslagnemingsbevoegdheid.
Ernstige bezwaren? —> meerdere getuigenverklaringen/ op heterdaad
betrapt/ aangifte bij de politie.
Op basis van bovenstaande bevindingen raadpleegt de politie het
regionaal informatiesysteem. Daaruit blijkt dat het adres al twee keer
eerder is genoemd in MMA-meldingen (meld misdaad anoniem) over
mogelijke drugshandel. De volgende dag starten
opsporingsambtenaren een korte observatie. Ze zien gedurende twee
uur vier bezoekers het pand in- en uitgaan. Tobias wordt niet gezien.
Na staande houden van deze personen worden elke keer dezelfde
pillen aangetroffen. De politie besluit dat er voldoende aanwijzingen
zijn voor handel in harddrugs, een misdrijf onder artikel 2 onder B jo.
artikel 10 lid 4 Opiumwet.
d. Op grond van welke bevoegdheid zal deze observatie plaatsvinden?