Chapter 3: Narrative as a Formal System
Narrative: serie van gebeurtenissen in oorzaak-gevolgsrelatie zich voordoen in tijd en ruimte
Parallelen trekken: vergelijken tussen settings, situaties, tijden vd dag etc
Plot and Story:
o Story: alle gebeurtenissen in narratie (expliciet gepresenteerd + afleiden/inbeelden) =>
diegetic,bv. voorafgaande gebeurtenis
perspectief: verhaalverteller/filmmaker
o Plot: alles zichtbaar/hoorbaar aanwezig (expliciet gepresenteerd + outside) => non-
diegetic, bv. film credits, (achtergrond)muziek
perspectief: waarnemer
Cause and Effect:
o Causaliteit (oorzakelijk verband): de ene gebeurtenis veroorzaakt de volgende
o Karakters creëren oorzaken en tekent aan voor gevolgen: body, karaktertrekken, soms
eerst een natuurlijk verschijnsel
o Film onderdrukt causes in story en laat effects in plot zien => zorgt voor mystery
Time:
o Zelf chronologisch volgorde bouwen van film en duration & frequency bepalen
o Temporal order: van plot order bepalen we story order
flashback
flashforward
o Temporal duration: plot duration selecteert van story duration, screen duration
selecteert van globale plot duration
plot duration: vertelde tijd binnen een film/fragment (dat wat je ziet)
story duration: hele verhaal (vertelde tijd + interpretatie)
screen duration: letterlijke tijd van film/fragment
screen duration kan story duration verlengen/inkorten
o Temporal frequency: meerdere keren zien van dezelfde event (ofwel van verschillende
narraties of flashbacks) ter verduidelijking of in nieuw context
Space: plaats van handeling in story is ook in plot, maar soms ook tot het afleiden naar andere
plaatsen als deel van story (door bijv. beschrijving)
o plot space
o story space
o screen space: zichtbaar gedeelte in frame
Openings, Closings, and Patterns of Development
o opening: zet op specifieke range van cause/effects
in media res: begint midden in een serie van acties
, exposition: gedeelte van plot dat belangrijk story event / karaktertrekken in
opening laat zien
quarter: 1e kwartier van plot
o patterns of development: creëert suspense, surprise (verwachting wordt delayed,
cheated, gratified)
afhankelijk van manier waarop causes/effects de karakter’s situatie verandert
a change in knowledge
goal-oriented: searches, investigation
ook afhankelijk van time (deadlines), space
o closing: de serie cause/effect wordt opgelost/beëindigd
climax: narrow range of mogelijke uitkomsten
anticlimactic: zelf verder verbeelden
Narration: de manier waarop het plot story informatie distribueert om specifieke effecten te creëren
=> moment-by-moment dat ons begeleidt in het opbouwen van story of plot
Range of Story Information:
o unrestricted/omniscient narration: kijker heeft meer kennis dan welke personage
verwachting, spanning
o restricted: kijker heeft alleen kennis van (hoofd)persoon => mystery films
nieuwsgierigheid, verbazing
=> hiërarchie van kennis
Depth of Story Information:
o objectivity: external behaviour
o subjectivity:
perceptual subjectivity: point-of-view shots , sound perspective
mental subjectivity: karakter’s psychologisch leven (memory, fantasy, etc)
sympathie voor karakter en verwachting
The Narrator:
o character: meestal restricted (zowel objectief/subjectief)
o noncharacter: meestal unrestricted
The Classical Hollywood Cinema: individual characters as causal agents (natural causes en societal
causes minder invloed): beslissingen, keuzes en karaktertrekken (verlangen -> goal) => change =>
appointment, deadline => closure
fiction is classical Hollywood cinema: lengthy, stable, and influential history
“What If?”: film met meerdere alternatieve paden
Citizen Kane: beginning en ending vergeleken; wijkt af van Classical Hollywood cinema narrative
constructie
, Chapter 4: The Shot: Mise-en-Scene
Mise-en-scène = “What appears in the film frame” (zowel geplande als ongeplande acties:
geïmproviseerde tekst, natuurlijk licht)
Realisme: mise-en-scène wordt beoordeeld naar mate van realisme, functions (impressie van
realisme, komisch overdrijving, etc)
4 aspecten:
setting
o bestaand locatie geconstrueerde locatie (studio) => meer invloed
o kleuren belangrijk voor benadrukking
o prop: een item in de scene die wordt gebruikt in de handeling => kunnen motieven
worden (terugkerende elementen)
make-up en kostuum
o kostuum: clou film weggeven, karakter personage (open/gesloten), kleur (in
contrast met setting)
o make-up: gezichtsexpressies/karaktereigenschappen benadrukken, gezicht
verbouwen (in historische personen)
lighting: bepaalde elementen ‘oplichten’ => benadrukken
o highlight: aanwijzingen voor texturen van oppervlak
o 2 soorten schaduwen:
attached shadow/shading: licht niet sterk genoeg om object geheel te
verlichten
cast shadow (slagschaduw): object blokkeert de lichtval, waardoor een
schaduw wordt geworpen op bijv. muur
o 4 features van light:
quality: felheid van licht
hard lighting: duidelijk gedefinieerde schaduwen, scherpe randen
soft lighting: diffuus verlichting
direction: pad van licht van bron dat object verlicht
frontal lighting: schaduw valt achter het object waardoor er geen
diepte wordt gecreëerd
sidelighting /crosslight: rondingen van het gezicht worden
benadrukt
backlighting: creëert silhouetten
egde/rim lightning: contouren objecten worden van de
achtergrond onderscheiden
underlighting: vaak gebruikt in horrors om gezichtscontouren te
vervalsen, ook gebruikt om realistisch licht (haardvuur) na te
bootsen