1. Zoek uit welke vier beperkte genotsrechten er zijn en werk
voor elk beperkt genotsrecht de volgende vragen uit:
- Wat is de functie van dit beperkt genotsrecht?
- Op welke types van goederen kan dit beperkt genotsrecht
worden gevestigd?
- Wat is de duur van dit beperkt genotsrecht?
- Hoe zit het met een eventuele vergoedingsplicht in hoofde
van de beperkt gerechtigde bij dit genotsrecht?
De wet kent vier beperkte genotsrechten (numerus clausus):
vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal.
Vruchtgebruik (art. 3:201 BW) heeft als functie het scheiden van
eigendom en genot. Het geeft het recht om andermans goederen te
gebruiken en daarvan de vruchten te genieten.
- Functie: De vruchtgebruiker mag het goed gebruiken en de vruchten
genieten, terwijl de eigendom bij de bloot eigenaar blijft.
- Welke type goederen: Als object van vruchtgebruik kunnen dienen
alle individueel bepaalde roerende of onroerende zaken en rechten,
ook een algemeenheid van goederen (art. 3:222).
- Duur: Vruchtgebruik is altijd tijdelijk: bij natuurlijke personen eindigt
het uiterlijk bij overlijden (art. 3:202 lid 2). Twee uitzonderingen in
art. 3:203 lid 2 slot en art. 3:2023 lid 3, bij rechtspersonen na
maximaal dertig jaar.
- Vergoedingsplicht: De vruchtgebruiker draagt de gewone lasten en
onderhoudskosten en moet zich gedragen als een goed
vruchtgebruiker; de bloot eigenaar draagt in beginsel de
buitengewone lasten. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot
betaling voor het gebruik.
Onder de beheersbevoegdheid van de vruchtgebruiker kan ook de
bevoegdheid worden gerekend tot verhuur of verpachting van het
vruchtgebruikgoed (art. 3:217). De vruchtgebruiker mag in beginsel geen
verandering aanbrengen in de bestemming die het
vruchtgebruikgoed bij aanvang van het vruchtgebruik had, tenzij er
toestemming is (art. 3:208).
Substitutie: Het recht van vruchtgebruik kan ook betrekking hebben op
wat er in de plaats komt van het oorspronkelijke goed waarop het
vruchtgebruik rustte (Art. 3:213 lid 1 noemt).
Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW) is een last op een onroerende zaak ten
behoeve van een andere onroerende zaak, bv. recht van overpad.
- Functie: Het gaat dus om een zaak-zaakverhouding en niet om een
persoonlijk recht. De eigenaar van het dienend erf moet een bepaald
gebruik dulden of nalaten, maar hoeft in beginsel geen actieve
handelingen te verrichten.
- Welke type goederen: Erfdienstbaarheden kunnen uitsluitend op
onroerende zaken rusten. Het kan ook gaan om een opstal, los van
het grondstuk waarop deze zich bevindt.
, - Duur: in beginsel eeuwigdurend, zolang beide erven bestaan.
- Vergoedingsplicht: Een wettelijke vergoedingsplicht bestaat niet;
onderhoud rust doorgaans op de eigenaar van het heersend erf,
tenzij anders is bepaald.
De last die een erfdienstbaarheid op het dienend erf legt, kan ook bestaan
in een verplichting tot onderhoud van het dienend erf of van gebouwen,
werken of beplantingen die zich geheel of gedeeltelijk op het dienend erf
bevinden of zullen bevinden (art. 5:71 lid 2).
Erfpacht (art. 5:85 BW) verleent de erfpachter een zelfstandig en zakelijk
gebruiksrecht op andermans grond, dat sterk op eigendom lijkt.
- Functie: Geeft de erfpachter een zakelijk gebruiksrecht op
andermans grond, bijna gelijk aan eigendom.
- Welke type goederen: Het recht kan alleen worden gevestigd op
onroerende zaken (grond).
- Duur: Erfpacht kan tijdelijk of eeuwigdurend zijn, afhankelijk van wat
bij vestiging/contractueel is bepaald.
- Vergoedingsplicht: Kenmerkend is de verplichting van de erfpachter
tot betaling van een canon (art. 5:85 lid 2), die periodiek kan zijn of
kan worden afgekocht. De erfpachter draagt de lasten alsof hij
eigenaar is.
Degene aan wie het recht toekomt heet erfpachter, degene wiens
onroerende zaak met het erfpachtrecht is bezwaard, heet erfverpachter.
Kenmerkend voor het recht van erfpacht is dat de erfpachter in beginsel
hetzelfde genot van de zaak heeft als een eigenaar, inclusief een
eigenaarsbevoegdheid als vruchtrekking. Het erfpacht is het recht dat op
de eigendom de zwaarste druk legt. In beginsel is de erfpachter dus
rechthebbende op vruchten tijdens de duur van het erfpachtrecht. De
erfpachter is ook rechthebbende van de voordelen van roerende aard die
de zaak oplevert, zoals een door een ander gevonden schat.
De erfpachter mag gebouwen, werken en beplantingen aanbrengen, maar
dit mag niet zonder toestemming van de eigenaar een andere
bestemming aan de zaak geven (art. 5:89 lid 2). De bestemming moet
gerespecteerd worden. Het staat partijen vrij om in de akte van vestiging
anders te bepalen (art. 6:89 lid 1). De erfpachter heeft de bevoegdheid
gebouwen, werken en beplantingen weg te nemen, zij het alleen als deze
door hemzelf of een rechtsvoorganger onverplicht zijn aangebracht of van
de eigenaar tegen vergoeding van waarde zijn overgenomen (5:89 lid 3).
Tenzij in de akte van vestging anders is bepaald, is de erfpachter bevoegd
de in erfpacht uitgegeven zaak te verhuren of te verpachten (art. 5:94 lid
1).
Opstal (art. 5:101 BW) doorbreekt de regel van natrekking.
- Functie: Het recht om in, op of boven een onroerende zaak van een
ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of
te verkrijgen. Deze onroerende zaak zal meestal de grond zijn.
- Welke type goederen: Het recht kan alleen betrekking hebben op
onroerende zaken en daarop aangebrachte opstallen.
, - Duur: Kan tijdelijk of eeuwigdurend zijn.
- Vergoedingsplicht: In de akte van vestiging kan de opstaller de
verplichting worden opgelegd om aan de eigenaar regelmatig
terugkerende tijdstippen een geldsom - de retributie - te betalen
(art. 5:101 lid 3).
Ook krijgt hij gebruiks- en genotsbevoegdheden. Degene aan wie het
opstalrecht toekomt wordt opstaller genoemd. Het opstalrecht kan
bijvoorbeeld dienen om de eigendom te behouden van leidingen en kabels
die in andermans grond of huis worden gelegd. Het doel van het
opstalrecht is gelegen in het doorbreken van het goederenrechtelijke
natrekkingsbeginsel. Natrekking is de regel dat de eigenaar van een
zaak automatisch eigenaar wordt van alles wat duurzaam met die zaak is
verenigd, zoals gebouwen op de grond. Het recht van opstal leidt tot een
horizontale scheiding van de eigendom grond en opstal.
Het recht van opstal kent twee varianten; het zelfstandige en het
afhankelijke opstalrecht. Bij zelfstandig opstalrecht wordt de duur van
het recht door partijen bepaald (art. 5:104 lid 2) en gelden wat betreft
beëindiging de gewone regels voor het tenietgaan van beperkte rechten in
het algemeen. Vaak wordt het opstalrecht echter verleend afhankelijk
van een ander gebruiksrecht op de onroerende zaak. Dat andere recht kan
een zakelijk recht zijn (bijvoorbeeld erfpacht), maar ook een persoonlijk
recht (huur, pacht).
De opstaller is bevoegd gebouwen, werken en beplantingen te gebruiken
en weg te nemen. In de akte van vestiging kunnen deze bevoegdheden
echter worden beperkt. De opstaller is ook bevoegd de zaak waarop zijn
recht rust te verhuren en te verpachten. Eindigt het opstalrecht dan
eindigt het eigendomsrecht van de opstaller. De natrekkingsregel is weer
ten volle van kracht. De eigendom van de gebouwen, werken en
beplantingen komen van rechtswege toe aan de eigenaar van de
onroerende zaak waarop het opstalrecht rustte (art. 5:105 lid 1). De
voormalige opstaller wordt vanaf dat moment door de wet op dezelfde
wijze behandeld als een voormalig erfpachter. Hij mag de opstallen
wegnemen voor zover deze door hemzelf of een rechtsvoorganger
onverplicht zijn aangebracht of tegen een vergoeding van de eigenaar zijn
overgenomen (5:105 lid 2).
2. Hoe kan men beperkte genotsrechten vestigen?
Beperkt recht: Is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht
(moederrecht), dat met het beperkt recht is bezwaard. Een beperkt recht
geeft dus alleen een deel van de bevoegdheden die bij het
eigendomsrecht horen. Beperkte rechten laten zich onderscheiden in
goederenrechtelijke gebruiks- of genotsrechten (vruchtgebruik, erfpacht
en opstal) en goederenrechtelijke zekerheidsrechten (pand en hypotheek).
Volgens art. 3:98 BW vindt al hetgeen in die afdeling is bepaald omtrent de
overdracht van een goed, overeenkomstige toepassing op de vestiging
van een beperkt recht op een zodanig goed. Het gaat om een auto, een
, roerende zaak. Daarop wordt een beperkt recht gevestigd. De
vestigingseisen zijn: OTL (V) B, en de toepasselijke vestigingsformaliteit is
te vinden in art. 3:98 juncto 3:90 BW, bezitsverschaffing.
Vestiging beperkt recht: Alles wat geldt voor de overdracht van een goed,
ook geld voor de vestiging van een beperkt recht op dat goed (3:98). De
OTLB (3:83/3:84) (overdraagbaarheid, titel, levering,
beschikkingsbevoegdheid) is dus van toepassing, maar bij vestiging
noemen we deze OTVB! Levering veranderd in vestgingshandeling, maar
voor vestigingshandeling is eigenlijk hetzelfde nodig als voor een levering:
bij onroerende zaken: notariële akte + inschrijving in openbare registers
(art. 3:89).
Blote eigendom: Daar waar eigendom bezwaard is met een beperkt
recht blijft het toch een volledig recht. Dat geldt zelfs als de eigendom
bezwaard is met een verstrekkend genotsrecht als vruchtgebruik, erfpacht
of opstal. Het genot wordt dan geheel aan de eigenaar ontnomen en die
wordt dan ook wel 'bloot eigenaar' genoemd. Stel dat een huis eigendom
is van een persoon, maar die persoon geeft het vruchtgebruik van het huis
aan een ander. De eigenaar blijft dan de blote eigenaar van het huis: hij
bezit het huis nog steeds, maar hij mag het huis niet gebruiken.
Bij onroerende zaken gebeurt vestiging door middel van een notariële akte
gevolgd door inschrijving in de openbare registers. Voor andere goederen
gelden de voor die goederen geldende leveringsregels. Door het gesloten
stelsel is het niet mogelijk om buiten deze wettelijke kaders nieuwe
genotsrechten te creëren.
3. Wat betekenen de kenmerken ‘zaaksgevolg’, ‘prioriteit’ en
‘afhankelijkheid’ voor de werking van beperkte
genotsrechten ten aanzien van derden?
Het zaaksgevolg (droit de suite) houdt in dat een beperkt genotsrecht
het goed volgt (art. 3:81 BW e.v.). Het recht blijft rusten op het goed, ook
wanneer het goed wordt overgedragen aan een nieuwe eigenaar. De
nieuwe eigenaar moet het beperkte recht in beginsel respecteren. Slechts
in uitzonderingen, zoals bescherming van derden te goeder trouw, kan dit
anders zijn.
Het prioriteitsbeginsel (prior tempore, potior iure) betekent dat oudere
beperkte rechten voorrang hebben boven later gevestigde rechten. Bij
samenloop van meerdere beperkte rechten op hetzelfde goed bepaalt het
tijdstip van vestiging de rangorde, tenzij de wet anders bepaalt.
De afhankelijkheid (art. 3:7 j.o. 3:82) van beperkte rechten houdt in
dat zij niet zelfstandig bestaan. Zij zijn afgeleid van een hoofdrecht.
Wanneer het hoofdrecht tenietgaat, verdwijnt ook het daarop gevestigde
beperkte recht.
Verschil afhankelijkheid en zaaksgevolg: