Tentamenvraag -> rangordevraag over in welke volgorde verschillende
schuldeisers betaald zullen worden.
Beperkte genotsrechten:
1. Erfdienstbaarheden
2. Erfpacht
3. Vruchtgebruik
4. Opstal
Eigendom is het meest omvattende recht dat iemand kan hebben op een
zaak, waardoor je kan doen met dat goed wat je wil. Partijen zijn wel
gebonden aan de goederrechtelijke beperkte rechten numurus clausus.
Hoe vestigt men een beperkt recht op een goed?
Art. 3:98 BW: op dezelfde wijze als dat men een goed overdraagt. DUS:
OTLB. NOG PRECIEZER: OTVB. Nu een vestigingshandeling, maar is
inhoudelijk hetzelfde als een levering = notariële akte die is ingeschreven
in de openbare registers.
Mogelijkheden:
Verbintenisrechtelijke afspraak geen derdenwerking bij
verkoop/verhuur grond.
Erfdienstbaarheid: “... een last, waarmede een onroerende
zaak – het dienend erf – ten behoeve van een andere
onroerende zaak – het heersende erf – is bezwaard.” (5:70
lid 1) “een last”:
- principe: dulden of niet doen (5:71 lid 1, eerste zin)
Dulden voorbeelden: recht van overpad, een stuk van de schuur van
perceel B steekt over erf A uit of hij brengt meer beplantingen aan dicht bij
perceel B zonder dat dit in de wet is toegestaan.
Voorbeelden niet doen: bouwverbod, perceel b mag geen hoge
muur/bomen plaatsen die het licht belemmert.
- uitzonderlijk: doen (5:71 lid 1, tweede zin / 5:71 lid 2)
5:71 lid 1, tweede zin: houdt een negatieve last in, maar bijkomstig aan
die negatieve last wordt een positieve verplichting toegevoegd -> recht
van overpad, maar kan worden toegevoegd dat er een brug aangelegd
moet worden daarvoor.
5:71 lid 2: de verplichting om de beplantingen in goede staat te
onderhouden, zoals gras maaien of planten water geven. Goed voor
verkoop van het perceel en eigen genot van mooie tuin buurman.
Op een onroerende zaak...
Als die wordt overgedragen: erfdienstbaarheid gaat mee over ingevolge
DROIT DE SUITE -> zaaksgevolg (erfdienstbaarheid = goederenrechtelijk
recht). De erfdienstbaarheid gaat mee met de zaak, ongeacht of A een
nieuwe eigenaar krijgt.
Ten behoeve van een andere onroerende zaak
,Als die wordt overgedragen: erfdienstbaarheid gaat mee over ingevolge
AFHANKELIJKHEID (erfdienstbaarheid = afhankelijk recht).
Eigendomsrecht op perceel B (heersende erf) wordt overgedragen op een
nieuwe eigenaar, deze krijgt naast het eigendomsrecht ook het recht op
overpad over perceel A.
Kwalitatieve verplichting: Verplichting verbonden/opgelegd
aan een registergoed. Voorwaarden (6:252):
1. Verplichting tot dulden of niet doen
2. Registergoed
3. Derdenwerkingsbeding
4. Notariële akte + inschrijving
‘Erfdienstbaarheid zonder heersend erf’. Wordt een last opgelegd op het
dienend erf ten bate van een heersende persoon.
Verbintenbissenrecht is een goede oplossing, MAAR geen sterke
derdenwerking…
Kettingbeding: A belooft aan B:
1. “Ik laat jou over mijn grond wandelen”;
2. “Ik zal mijn opvolger (C) ertoe verplichten om jou over die grond te
laten wandelen;
3. “Ik zal C er ook toe verplichten om die verplichting op zijn beurt aan
zijn opvolger (D) door te geven;
4. “Ik zal C er ook toe verplichten om de doorgeefverplichting aan zijn
opvolgers (D e.v.) op te leggen.”
Ook verplichtingen tot doen!
Probleem: een zwakke schakel kan de ketting doorbreken.
“Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft
eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken.” (5:85 lid 1)
“Voor zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, heeft de
erfpachter hetzelfde genot van de zaak als een eigenaar.” (5:89 lid 1)
- Kan alleen onroerende zaken tot voorwerp hebben
- Hetzelfde genot als een eigenaar= gebruiken, bewonen, vruchten
genieten (5:90 lid 1), verhuren (5:94 lid 1), bebouwen & beplanten
(5:89 lid 3), …
MAAR: met respect voor bestemming, want wijziging van de bestemming
kan alleen door de eigenaar (5:89 lid 2).
- Vergoeding: canon (5:85 lid 2)
- Duur: bepaalde tijd of onbepaalde tijd (5:86): voor het houden van
controle over onroerende zaken en geldinkomsten in vorm van
canon.
i. Voortdurende: onbepaalde tijd, voorwaarden (incl. canon) per
tijdvak wijzigbaar (waardestijging).
ii. Eeuwigdurende: onbepaalde tijd, alleen indexatie canon.
Erfpacht en vruchtgebruik geven hele ruime bevoegdheden, maar
vruchtgebruik wordt in een volledig andere context gebruikt
(familievermogens rechterlijke verhoudingen zoals testament)
,“Vruchtgebruik geeft het recht om goederen die aan een ander
toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten.” (3:201)
• Kan alle (types van) goederen tot voorwerp hebben
• Recht om te gebruiken
= ruim: bewonen, bebouwen, beplanten, verhuren, innen…
MAAR: met respect voor bestemming, want wijziging van de bestemming
kan alleen door de eigenaar (3:208 lid 1)
• Recht om vruchten te genieten = recht om zich de vruchten toe te
eigenen (natuurlijke vruchten en burgerlijke vruchten: rechten die
ontstaan met betrekking tot een goed)
Enkele belangrijke verschillen:
• Erfpacht enkel op onroerende zaken, vruchtgebruik op alle (types
van) goederen
• Verschillend gebruik en ontstaan in de praktijk (vastgoedcontext en
familiecontext)
• Verschillend regime inzake
• DUUR:
- Erfpacht: bepaalde tijd of onbepaalde tijd
- Vruchtgebruik: bepaalde tijd of onbepaalde tijd, maar sowieso
begrensd door leven vruchtgebruiker / 30 jaar,
Bovengrens = leven vruchtgebruiker / 30 jaar
(art. 3:203 lid 2, eerste zin & lid 3)
OFWEL: 1 vruchtgebruiker
OFWEL: 2 (of meer) vruchtgebruikers tegelijkertijd
OFWEL: 2 (of meer) vruchtgebruikers bij opvolging
Hoorcollege 2
Onroerende natrekking -> Art. 5:20 lid 1 sub e BW: “De eigendom van
de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt: […] gebouwen en
werken die duurzaam met de grond zijn verenigd”.
Wanneer zijn gebouwen en werken ‘duurzaam met de grond verenigd’ ?
- Criterium wordt ook gebruikt in art. 3:3 lid 1 BW
= bepaling over onroerend
- Portacabin-arrest (1997)
Opstalrecht: “... een zakelijk recht om in, op of boven de
onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of
beplantingen te hebben of te verkrijgen.” (5:101 lid 1 BW)
• Opstaller is eigenaar van de gebouwen, werken of beplantingen…
… NIET van de onroerende zaak waarop is gebouwd!
• Bevoegdheden t.a.v. de onroerende zaak?
Art. 5:103 BW: “…die voor het volle genot van zijn recht nodig zijn.”
, • Bij einde: wegnemen OF laten staan + recht op vergoeding
Zelfstandig (5:101 lid 2): aanbieder van energie is op zoek naar
daken die geschikt zijn om windmolens te plaatsen, dan gaat hij met
de eigenaar een opstalrecht vestigen. Het opstalrecht staat dan op
zichzelf en is het enige wat tussen partijen overeengekomen is.
Afhankelijk (5:101 lid 2): Opstalrecht dat toegevoegd wordt aan
een ander recht. Zoals uitgeven gronden in erfpacht, hij mag deze
grond ook bebouwen. Probleem: de grondeigenaar is nog wel
eigenaar i.v.m. natrekking. Oplossing: partijen gaan bijkomstig aan
de erfpacht ook een opstalrecht vestigen, op grond daarvan zal hij
eigenaar blijven door doorbreken van natrekking. Dit afhankelijk
recht gaat het hoofdrecht imiteren. Als hoofdrecht ophoudt met
bestaan, zal het afhankelijk opstalrecht ook automatisch mee
overgaan.
Vergoeding bij opstalrecht: retributie (5:101 lid 3)
Duur: bepaalde tijd of onbepaalde tijd (5:104 lid 2 & 5:86)
OPGELET: bij afhankelijk opstalrecht: duur hoofdrecht is sowieso
maximumduur opstalrecht!
ZEKERHEDEN
Art. 3:227 BW: “... beperkte rechten(zaaksgevolg & prioriteit),
strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een vordering tot
voldoening van een geldsom(afhankelijk) bij voorrang boven andere
schuldeisers(voorrang) te verhalen(verhaalsrecht).”
Afhankelijkheid: pandrecht en hypotheekrecht zijn afhankelijke rechten.
Het hoofdrecht is de lening/vordering van de bank.
Zaaksgevolg: het voorwerp van het pand/hypotheekrecht. Als dit voorwerp
wordt verkocht aan een derde, het pand/hypotheekrecht dan volgt.
Prioriteitsregel -> meer banken zijn actief op de financieringsmarkt die
pand/hypotheekrechten willen. Zo kunnen meerdere
pand/hypotheekrechten op een voorwerp rusten. Oplossing: de bank het
met oudste pand/hypotheekrecht gaat voor.
“EEN VORDERING TOT VOLDOENING VAN EEN GELDSOM”
= vordering op de Sa om te betalen
• Bestaande of toekomstige (art. 3:231 lid 1 BW) vordering
• Eén of meerdere vorderingen
• Moet(en) bepaalbaar zijn (art. 3:231 lid 2 BW)
wordt ruim ingevuld: bankhypotheek/-pand
• Afhankelijk van de vordering(en) (≠ zaaksgevolg!)
tenietgaan, overdracht, bezwaring … vordering(en) hebben
automatisch zelfde gevolg voor pand en hypotheek
“BIJ VOORRANG…TE VERHALEN”
• Concreet: