HOOFDSTUK 1: INLEIDING
NT2-verwervende leerlingen: leerlingen die vanuit huis een andere taal spreken dan Nederlands of die
tweetalig opgroeien, met Nederlands en een andere taal als moedertaal
Tweedetaalverwerving: kinderen die en andere taal spreken dan Nederlands, pikken de taal op in allerlei
situaties waarin Nederlands wordt gesproken (bijvoorbeeld Nederlandstalige tv-programma’s of tijdens het
spelen met Nederlandse kinderen) dit is de taal eigen maken.
Tweedetaalleren: dit is wanneer een leerling in schoolse situaties Nederlands leert. De juf legt de woorden en
de betekenis ervan uit.
Onderstromer: een kind (NT2’er) die al vanaf de kleuterklas op een Nederlandse school zit.
Nevenstromer: een kind (NT2’er) komt vanaf 6 jaar of ouder naar Nederland en is leerplichtig.
Bij het onderwijs van NT2 leerlingen gaat het vooral om de 3 D’s:
Doelen: wat zijn de leerdoelen die de leerlingen moeten behalen?
Didactiek: hoe kan de leerkracht het doel het beste bereiken?
Differentiatie: de leerkracht moet goed differentiëren (dit is het moeilijkst om te realiseren).
HOOFDSTUK 2: ONTWIKKELING VAN MONDELINGE VAARDIGHEDEN
Tweetalig: naast Nederlands wordt ook de taal gesproken waar hun ouders/grootouders mee opgegroeid zijn.
Beide talen worden afgewisseld en ook door elkaar gesproken, afhankelijk van het onderwerp. Het beste is om
van jongs af aan tweetalig te worden opgevoed en niet pas een taal leren en later pas de ander. Beide talen
moeten evenveel aan bod komen.
Taaldominantie: een kind spreekt de ene taal beter dan de ander, dit kan later nog veranderen.
Receptieve taalvaardigheid: dit is de passieve taalvaardigheid, het kind kent en begrijpt de woorden, maar
gebruikt ze ‘nog’ niet actief.
Productieve taalvaardigheid: dit is de actieve taalvaardigheid, het kind gebruikt de geleerde woorden actief.
Hij benoemt de woorden echt.
Stille periode: dit is een periode waarin leerlingen niks zeggen, maar goed luisteren en daarbij actief bezig zijn
met de taal te leren. Kinderen die pas na een lange stille periode iets gaan zeggen, zijn dan vaak even ver in hun
taalontwikkeling als kinderen die maar een korte stille periode hebben (soms gebruiken zij dan meteen
meerwoordzinnen).
Een gemiddelde NT2-verwerver bestaat niet, omdat er veel verschillende factoren zijn die het proces
beïnvloeden.
1
,De factoren die het tweedetaalverwervingsproces beïnvloeden:
Heeft het oudere broertjes of zusjes waarmee het Nederlands spreekt?
Heeft het alleen maar Nederlandse vriendjes/vriendinnetjes en komt het daar vaak over de vloer?
Leest het veel Nederlandse boeken?
Tonen de ouders interesse in wat het kind doet op school?
Is het slim en leergierig?
HOE VERWERVEN KINDEREN EEN TWEEDE TAAL?
Imitatie: taalleerders verworven door imitatie een groot aantal bouwstenen
Reïnforcement (bekrachtiging): door oefening en bekrachtiging uit hun omgeving leren ze snel en weten ze die
bouwstenen met elkaar te combineren.
Transfer: de overdracht van kennis (leerkracht naar het kind)
Interferentie het maken van fouten onder invloed van de eerste taal ‘hij kleine vogel geef’.
Interferentiehypothese hoe groter de gelijkenis tussen twee woorden, hoe groter ook de kans op
geheugenstoor (door elkaar halen).
Tussentaal: deze stap is noodzakelijk om de taal te leren en te ontdekken (‘ik valde’ mag je dus niet fout
rekenen)
Overgeneralisatie de leerling past een regel toe op alle woorden (voorbeeld: meervoud = +en, dus
sleutel(en) & dak(ken).
Creatieve constructie de taalverwerver is geen imitator, maar een creatieve bouwer aan de nieuwe
taal.
Universalistische taalverwervingshypothese: processen van eerste- en tweedetaalverwerving verschillen niet
van elkaar, het zijn universele processen. Taalontwikkelingsfouten worden veroorzaakt door specifieke
problemen die het Nederlands kent.
Taalaanbod (input): de rol van de omgeving, met name de aard en mate van het taalaanbod.
Eenzelfde vraag op verschillende manieren, niveaus:
1. NT2 beginnend: ‘daar loopt de vos hé (aanwijzen)?
2. NT2: ‘wat gaat de vos doen?’
3. NT1: ‘wie zou me kunnen vertellen wat de vos in zijn schild voert?’
Interactionele benadering: het taalaanbod van en interactie met moedertaalsprekers spelen een grote rol in
het tweedetaalverwervingsproces.
Niet alleen de input is belangrijk, maar ook de output speelt een grote rol. Door de tweede taal te moeten
spreken, ontdekken ze vanzelf wat er ontbreekt in hun kennis en vaardigheden in de tweede taal.
Outputhypothese (Swain): volgens de outputhypothese gaan taalverwervers die gedwongen worden de
tweede taal te spreken, vervolgens bewuster om met de vormelijke kenmerken in het aanbod dat ze krijgen. Ze
proberen te ontdekken hoe morfologische en syntactische regels in elkaar zitten, of reproduceren grotere
taaleenheden en zetten die in verschillende combinaties in. Belangrijk: dat ze feedback krijgen van hun
gesprekspartners of leerkrachten.
2
,Een hoge aanbodfrequentie en herhaling hebben een positieve invloed op taalverwerving. Woorden en
woordvormen die vaak voorkomen, worden het eerst verworven.
Kinderen verwerven een tweede taal door actief te luisteren naar wat mensen in hun omgeving tegen hen
en tegen elkaar zeggen. Op basis daarvan stellen ze hypotheses op wat woorden in hun tweede taal betekenen
en hoe regels van de tweede taal in elkaar zitten.
Knelpunten voor NT2’ers:
1. Ze kennen minder woorden
2. Ze kennen minder betekenisaspecten
3. Ze hebben moeite met de relatie tussen begrippen (semantiseren)
Taalbegrip: klanken herkennen tijdens bijvoorbeeld voorlezen.
Taalproductie: klanken kunnen uitspreken, echt produceren dus.
HOE SNEL VERWERVEN KINDEREN EEN TWEEDE TAAL?
Taalbegrip betekent niet automatisch taalproductie: klanken herkennen is niet hetzelfde als ze zelf uitspreken.
Deeltaalvaardigheden verwerven tweede taal:
Klankvaardigheid
Woordenschat
Vaardigheid in woord- en zinsopbouw
Gespreksvaardigheid
NT2-verwervende kinderen hebben over het algemeen op hun 9e jaar het klanksysteem van het Nederlands
onder de knie. In de kleuterklas moet er veel aandacht worden geschonken aan de klankvaardigheid.
Luister- en uitspraakonderwijs is vermoeiend en moet dus kort duren, hooguit 5 minuten, maar wel elke dag.
Enkele voorbeelden zijn:
Wisselrijtjes met woorden aanbieden die maar 1 klank van elkaar verschillen
De leerkracht kan daarbij plaatsen aanwijzen of benoemen, plaatjes laten knippen uit een tijdschrift,
dit laten sorteren en benoemen op klank
Rijmpjes en klankversjes aanbieden om klanken goed te oefenen
Bij oudere kinderen een spiegel aanbieden, zodat ze hun mondstand kunnen waarnemen
Opnemen van spraak
Verschil in woordkennis hebben een groot effect op de schoolprestaties, met name bij zaakvakken
Het onderwijzen van regels bij jonge kinderen heeft weinig effect, zij moeten de regels zelf afleiden uit het
taalaanbod, dat gebeurt onbewust
Meestal verwerven kinderen eerst de regelmatige regel en daarna pas de onregelmatige regels.
3
, WELKE FACTOREN SPELEN EEN ROL BIJ HET TWEEDETAALVERWERVINGSPROCES?
1. Achtergrond van het individu: leeftijd en sekse
Kinderen leren sneller een taal dan volwassenen.
2. Sociale omgeving: taalaanbod en taalcontact
NT2 leerlingen leren de tweede taal vooral door veel contact met vriendjes of de peergroup. Succesvolle NT2-
leerders zijn leerlingen die veel contact hebben met Nederlandstaligen, die eerder met lezen zijn begonnen en
die heel veel boeken lezen.
3. Cognitief: intelligentie en taalleerstrategieën
4. Affectief: attitude, houding en motivatie
5. Contact met de tweede taal: taalomgeving
TAALONDERWIJS
Schoolwerkplan: dit is een 10-jarig plan waarin de precieze doelen geformuleerd staan:
Wat de leerlingen moeten kunnen en kennen
Welke leermiddelen daarbij gebruikt worden
Hoe het programma van week tot week eruitziet
Hoeveel tijd per week de NT2-leerlingen extra les krijgen
Welke toetsen gebruikt worden
De verschillende benaderingen:
1. Didactische benadering: er is niet één methode de beste voor NT2-leerders en voor alle
taalvaardigheidsaspecten. Er zijn verschillende didactische benaderingen.
2. Grammatica-vertaalbenadering: het vertalen van schriftelijke teksten, met een nadruk op
grammaticaregels leren en het leren van (losse) woorden uit lijsten. Nadeel na 5 jaar onderwijzen
konden ze niet eens brood bestellen of een gesprek voeren. Deze manier werd vroeger gebruikt.
3. Audio-linguale benadering: de nadruk lag op de mondelingen vaardigheden. De leerlingen moesten
vanaf de eerste les spreken in de tweede taal en geen grammaticaregels leren. Nadelen
onnatuurlijke manier om te leren en er is weinig aandacht voor de opbouw van een woordenschat.
4. Receptieve benadering: de nadruk ligt op dat de taalleerders eerst uitgebreid de receptieve
vaardigheden moet ontwikkelen in de tweede taal. Dus het leren begrijpen van de taal.
5. Handelingspsychologische benadering: dit heeft betrekking op de werkvormen en oefeningen die
ervoor zorgen dat het meest onthouden wordt van de leerstof.
6. Communicatieve benadering: de nadruk ligt op het aanbieden van de leerstof in een zo natuurlijk
mogelijke context:
Dialogen
Vertellingen
Verhalen en versjes
4