Bewegingspathologie
HC 1 17-4-2025
Ziekten en oorzaken
Pathologie
Pathos = lijden, ziekte
Logos = kennis, wetenschap, leer, kunde
Pathogenese = ontstaan, ontwikkeling en verloop van ziekte
Etiologie = leer van oorzakelijke factoren
Pathogenese mechanisme waardoor beschadigingen morfologische en
functionele afwijkingen en daardoor symptomen veroorzaken.
Diagnose
Symptomen: gevolgen manifestatie ziekteverschijnselen
Behandeling Bewegingswetenschappen
Gezondheid (WHO)
Gezondheid is een toestand van een zo optimaal mogelijk fysiek, mentaal
en sociaal welzijn, waarbij iedereen de kans moet hebben om als mens
capaciteiten te ontwikkelen en te gebruiken met een maximum aantal
vrijheidsgraden en keuzemogelijkheden (1986).
Aandoeningen en geneesmiddelen internationaal bepaald.
Opbouw van een organisme
Cel weefsel orgaan organisme
Weefsel:
Epitheel = bindweefsel, spiervezel en zenuwweefsel.
Bekleding van alle lichaamsoppervlakken.
Bescherming, secretie, absorptie, excretie, filtratie, diffusie en sensorische
ontvangst.
De cel
Cel = de kleinste functionele eenheid van organisme
Processen in een humane cel:
Energievoorziening
Selectieve permeabiliteit van membranen
Essentiële enzymactiviteit
Genetische informatie (transcriptie & translatie)
Onderdelen van een cel:
Mitochondriën citroenzuurcyclus/energieproductie
Centriool celdeling
Cytoplasma opvul stof
Lysosomen afbraak van moleculen: enzymen die nodig zijn om stoffen
die cel binnen komen weer af te breken tot verwerkbare stoffen.
, Ribosoom eiwitsynthese
Golgi apparaat eiwitten omvormen tot eindproduct
Glad endoplasmatisch reticulum kanaaltjes voor aan- en afvoer van
stoffen (bijv. van ruw ER naar het golgi-apparaat)
Cytoskelet netwerk van eiwitten in plasma: stevigheid/vorm
Oorzaken ziektes op verschillende niveaus
Etiologie van pathologie kan op drie niveaus:
1. Genetische functie
2. Fysiologische/biochemische functie cel
3. Bouw of rangschikking van cellen, weefsels en organen
Vaak afwijkingen op meerdere niveaus.
Homeostase
Dynamisch evenwicht tussen verstoringen (externe milieu – noxen) en
lichaamsreacties.
Evenwicht constant houden interne milieu.
Homeostase moet het interne milieu constant houden:
Lichaamstemperatuur (36o)
Hormoonspiegels
Ionenconcentraties intra-/extracellulair
Bloeddruk, etc. (100 mm Hg)
Ziekte ernstige verstoring homeostase
Cellulaire reacties op noxen
Cel homeostase noxe cel met schade reversibele schade (milde schade) of
adaptatie (zware schade) ernstige schade, langdurig cel disfunctioneel
necrose (omringende schade) of apoptose (geprogrammeerde celdood, niet altijd
verkeerd), beide met celdood te maken.
Noxe = een schadelijke prikkel die homeostase kan verstoren
Kleine schade (spierpijn, verbranden) is reversibel
Zware schade is adaptatie
Apoptose:
Apopotose lokale schade verwijderen van ongewenste of abnormale
cellen.
Alzheimer, Parkinson overmatige apoptose van neuronen
Kanker onvoldoende apoptose
Necrose:
Necrose niet genetisch + wordt veroorzaakt door externe factoren, zoals
trauma of infectie.
Regressieve verandering – celdood
Necrose:
, Ongecontroleerde celdood
Irreversibele celdood
Extracellulaire prikkel
Scheuren celmembraan
Ontstekingsreactie
Lichaam ruimt necrotische cellen/weefsel op
Apoptose:
Geprogrammeerde celdood
Niet alleen bij ziekte, ook normaal proces
weefselhomeostase
Noxe tot aanpassing
Noxe (schadelijke prikkel) leasie (verstoring homeostase) prikkel (soort, duur,
intensiteit) aanpassingsvermogen (soort cel, leeftijd, conditie).
Noxen: niet-pathologisch of pathologisch
Endogeen: vanuit het organisme zelf
Erfelijke predispositie
Reactie op (in)activiteit
Senescentie (veroudering)
Stressreactie
Immunologische reacties
Exogeen: van buitenaf
Fysisch
Chemisch
Intoxicatie
Voedingsdeficiëntie
Infectieus agens
Hypoxie
Cellulaire reacties op noxes
Roken normaal epitheelweefsel wordt plaveiselepitheel cel (metaplasie) niet
reversibel, wel nieuwe homeostase (zware schade).
Trainen hypertrofie (milde schade).
Cellen reageren op schadelijke stimuli met adaptieve processen:
Grootte
Aantal
Differentiatie
Adaptatie van cellen
Verhoogde of verlaagde activiteit.
Wijziging cel morfologie/differentiatie.
, Pathologisch & niet-pathologisch voorbeeld
Hartspiercel sporten: hypertrofie (niet-pathologisch) of vernauwing aortaklep
door ziekte > het hart moet harder werken > hypertrofie van de hartspiercellen
en een verhoogde activiteit (pathologisch)
Voorbeeld atrofie
Atrofie: afname celgrootte kleiner worden van cel/weefsel/orgaan
Fysiologisch: veroudering van huid, hersenen, spieren
Pathologisch: straling/cytostatica, spierziekte (ALS (aantasting
motorische neuronen), MS (ontsteking CNS)).
Spieratrofie
Aantal cellen = ongewijzigd
Vezels = kleiner
(door beschadiging van veel axonen in de voornaamste zenuw die deze spier
innerveert).
Cellulaire reacties op noxes
Regressie = achteruitgang functie.
Geen adaptatie – regressieve verandering en cel beschadiging
Cel degeneratie
Celdood
Regressieve verandering – cel degeneratie
Cel kan niet aanpassen aan noxe, maar sterft niet minderwaardige cel
qua structuur en functie = degeneratie
Intracellulair
Enzymdefect, bijv. phenylketonurie (PKU) = stoorni aminozuur
metabolisme
o Ontbreken enzym fenylanine wordt niet omgezet
ophoping in plasma (bloed en ruggenmerg) beschadiging
zenuwcellen gebrekkige geestelijke ontwikkeling
Intracellulair, bindweefsel
Sclerosering, littekenweefsel, bijv. MS (hyaliene degeneratie).
Regressieve verandering – celdood
Necrose: plaatselijk afsterven van lichaamsweefsel
Gangreen: afgestorven weefsel
HC 1 17-4-2025
Ziekten en oorzaken
Pathologie
Pathos = lijden, ziekte
Logos = kennis, wetenschap, leer, kunde
Pathogenese = ontstaan, ontwikkeling en verloop van ziekte
Etiologie = leer van oorzakelijke factoren
Pathogenese mechanisme waardoor beschadigingen morfologische en
functionele afwijkingen en daardoor symptomen veroorzaken.
Diagnose
Symptomen: gevolgen manifestatie ziekteverschijnselen
Behandeling Bewegingswetenschappen
Gezondheid (WHO)
Gezondheid is een toestand van een zo optimaal mogelijk fysiek, mentaal
en sociaal welzijn, waarbij iedereen de kans moet hebben om als mens
capaciteiten te ontwikkelen en te gebruiken met een maximum aantal
vrijheidsgraden en keuzemogelijkheden (1986).
Aandoeningen en geneesmiddelen internationaal bepaald.
Opbouw van een organisme
Cel weefsel orgaan organisme
Weefsel:
Epitheel = bindweefsel, spiervezel en zenuwweefsel.
Bekleding van alle lichaamsoppervlakken.
Bescherming, secretie, absorptie, excretie, filtratie, diffusie en sensorische
ontvangst.
De cel
Cel = de kleinste functionele eenheid van organisme
Processen in een humane cel:
Energievoorziening
Selectieve permeabiliteit van membranen
Essentiële enzymactiviteit
Genetische informatie (transcriptie & translatie)
Onderdelen van een cel:
Mitochondriën citroenzuurcyclus/energieproductie
Centriool celdeling
Cytoplasma opvul stof
Lysosomen afbraak van moleculen: enzymen die nodig zijn om stoffen
die cel binnen komen weer af te breken tot verwerkbare stoffen.
, Ribosoom eiwitsynthese
Golgi apparaat eiwitten omvormen tot eindproduct
Glad endoplasmatisch reticulum kanaaltjes voor aan- en afvoer van
stoffen (bijv. van ruw ER naar het golgi-apparaat)
Cytoskelet netwerk van eiwitten in plasma: stevigheid/vorm
Oorzaken ziektes op verschillende niveaus
Etiologie van pathologie kan op drie niveaus:
1. Genetische functie
2. Fysiologische/biochemische functie cel
3. Bouw of rangschikking van cellen, weefsels en organen
Vaak afwijkingen op meerdere niveaus.
Homeostase
Dynamisch evenwicht tussen verstoringen (externe milieu – noxen) en
lichaamsreacties.
Evenwicht constant houden interne milieu.
Homeostase moet het interne milieu constant houden:
Lichaamstemperatuur (36o)
Hormoonspiegels
Ionenconcentraties intra-/extracellulair
Bloeddruk, etc. (100 mm Hg)
Ziekte ernstige verstoring homeostase
Cellulaire reacties op noxen
Cel homeostase noxe cel met schade reversibele schade (milde schade) of
adaptatie (zware schade) ernstige schade, langdurig cel disfunctioneel
necrose (omringende schade) of apoptose (geprogrammeerde celdood, niet altijd
verkeerd), beide met celdood te maken.
Noxe = een schadelijke prikkel die homeostase kan verstoren
Kleine schade (spierpijn, verbranden) is reversibel
Zware schade is adaptatie
Apoptose:
Apopotose lokale schade verwijderen van ongewenste of abnormale
cellen.
Alzheimer, Parkinson overmatige apoptose van neuronen
Kanker onvoldoende apoptose
Necrose:
Necrose niet genetisch + wordt veroorzaakt door externe factoren, zoals
trauma of infectie.
Regressieve verandering – celdood
Necrose:
, Ongecontroleerde celdood
Irreversibele celdood
Extracellulaire prikkel
Scheuren celmembraan
Ontstekingsreactie
Lichaam ruimt necrotische cellen/weefsel op
Apoptose:
Geprogrammeerde celdood
Niet alleen bij ziekte, ook normaal proces
weefselhomeostase
Noxe tot aanpassing
Noxe (schadelijke prikkel) leasie (verstoring homeostase) prikkel (soort, duur,
intensiteit) aanpassingsvermogen (soort cel, leeftijd, conditie).
Noxen: niet-pathologisch of pathologisch
Endogeen: vanuit het organisme zelf
Erfelijke predispositie
Reactie op (in)activiteit
Senescentie (veroudering)
Stressreactie
Immunologische reacties
Exogeen: van buitenaf
Fysisch
Chemisch
Intoxicatie
Voedingsdeficiëntie
Infectieus agens
Hypoxie
Cellulaire reacties op noxes
Roken normaal epitheelweefsel wordt plaveiselepitheel cel (metaplasie) niet
reversibel, wel nieuwe homeostase (zware schade).
Trainen hypertrofie (milde schade).
Cellen reageren op schadelijke stimuli met adaptieve processen:
Grootte
Aantal
Differentiatie
Adaptatie van cellen
Verhoogde of verlaagde activiteit.
Wijziging cel morfologie/differentiatie.
, Pathologisch & niet-pathologisch voorbeeld
Hartspiercel sporten: hypertrofie (niet-pathologisch) of vernauwing aortaklep
door ziekte > het hart moet harder werken > hypertrofie van de hartspiercellen
en een verhoogde activiteit (pathologisch)
Voorbeeld atrofie
Atrofie: afname celgrootte kleiner worden van cel/weefsel/orgaan
Fysiologisch: veroudering van huid, hersenen, spieren
Pathologisch: straling/cytostatica, spierziekte (ALS (aantasting
motorische neuronen), MS (ontsteking CNS)).
Spieratrofie
Aantal cellen = ongewijzigd
Vezels = kleiner
(door beschadiging van veel axonen in de voornaamste zenuw die deze spier
innerveert).
Cellulaire reacties op noxes
Regressie = achteruitgang functie.
Geen adaptatie – regressieve verandering en cel beschadiging
Cel degeneratie
Celdood
Regressieve verandering – cel degeneratie
Cel kan niet aanpassen aan noxe, maar sterft niet minderwaardige cel
qua structuur en functie = degeneratie
Intracellulair
Enzymdefect, bijv. phenylketonurie (PKU) = stoorni aminozuur
metabolisme
o Ontbreken enzym fenylanine wordt niet omgezet
ophoping in plasma (bloed en ruggenmerg) beschadiging
zenuwcellen gebrekkige geestelijke ontwikkeling
Intracellulair, bindweefsel
Sclerosering, littekenweefsel, bijv. MS (hyaliene degeneratie).
Regressieve verandering – celdood
Necrose: plaatselijk afsterven van lichaamsweefsel
Gangreen: afgestorven weefsel