Hoofdstuk 1 - Waar gaat het over bij aardrijkskunde?
§1.1 - Het schoolvak aardrijkskunde
Het schoolvak aardrijkskunde gaat over de ruimtelijke spreiding van verschijnselen op aarde.
Daarbij komen feiten, begrippen en basisprincipes (patronen en wetmatigheden) aan de
orde.
Aardrijkskunde wordt vaak moeilijk gevonden, omdat het lijkt alsof je van alle gebieden op
aarde verstand moet hebben en er alles van moet weten. Dit is alleen niet nodig, omdat er
patronen en wetmatigheden zijn die overal terugkomen en die je in soortgelijke situaties
steeds weer kunt gebruiken bij het geven van een verklaring. Zoals bij landschappen die op
elkaar lijken, wat je hebt geleerd van het ene landschap kun je vaak ook toepassen op het
andere.
Om vat te krijgen op al die feiten, begrippen en basisprincipes doen we twee dingen:
1. We houden de geografische werkwijze aan. Je moet kunnen:
- beschrijven (en herkennen). Je kunt dan steeds de vraag stellen: Wat zie je?,
Waar is dat? En waar heb je dat ook?
- verklaren (en voorspellen). Je kunt dan steeds de vragen stellen: Waarom zie
je dat daar?, Hoe kan dat? En wat zal er gebeuren als?
2. We verdelen de hele aardrijkskunde in drie hoofdgebieden, die allemaal met elkaar
samenhangen: (aarde en) landschap, bevolking en bestaansmiddelen.
§1.2 - Geografische werkwijze aanhouden
Beschrijven (en herkennen):
Bij het beschrijven kijken we over welk deel van de aarde we het hebben (Waar is het?).
Daarnaast gaan we kijken welke belangrijke verschijnselen er te zien zijn (Wat zie je?).
Hieronder staat een voorbeeld beschreven:
Het landschap hiernaast is van de Alpen in Oostenrijk. In het
landschap zie je dat er grote hoogteverschillen zijn (relief).
Aan de kale rotsen bovenaan bij de bergtoppen kun je zien
dat er vast gesteente voorkomt (bodem). Verder zie je aan het
groen dat er planten en bomen groeien (flora). Zo kun je
verder kijken naar bijvoorbeeld de sneeuw die je ziet liggen
of het je weer (het gemiddelde weer is het klimaat).
Je moet ook kijken naar de dingen die je niet direct ziet, maar wat zeker wel aanwezig is.
Denk daarbij aan de dieren: de vogels in de lucht, vissen in het water, dieren die over het
land lopen en die in de bodem leven.
Het lijkt alsof het landschap door de natuur is gevormd, maar dat is maar voor een deel waar.
Er zijn namelijk ook mensen aanwezig die steeds grotere dorpen bouwen en steeds meer
wegen aanleggen. Maar denk bijvoorbeeld ook aan de bergweide die in de winter als
skigebied wordt gebruikt.
,De dingen die we over de foto van het landschap hebben beschreven, zijn allemaal bepalend
voor het uiterlijk van het landschap. In het schema hieronder staan allemaal algemene
factoren. Alle dingen die je nog meer ziet, horen bij een van deze factoren in het schema.
Bij het beschrijven kun je ook dingen gaan herkennen. Je kunt bijvoorbeeld kijken of je een
soortgelijk landschap herkent van een ander voorbeeld (Heb je dat al eens eerder gezien?).
Je kunt je ook afvragen waar je de geleerde verschijnselen nog meer hebt gezien (Waar zie je
dit nog meer?).
Verklaren (en voorspellen):
Bij het verklaren gaat het erom dat je kan aangeven waarom die verschijnselen daar te zien
zijn (Waarom daar?). Dit doe je door een verband te leggen tussen twee of meer factoren. Er
is bijvoorbeeld een verband tussen reliëf, temperatuur en water in het landschap waarmee
we de ligging van de sneeuw in de bergen kunnen verklaren.
Aansluitend op het verklaren kun je ook gaan voorspellen (Wat zal er gebeuren als…?).
§1.3 - Indeling van de leerstof in drie aandachtsgebieden
School Aardrijkskunde kun je verdelen in twee onderdelen:
1. Fysische geografie (of natuurkundige aardrijkskunde). Dit zijn de natuurlijke
verschijnselen in het landschap.
2. Sociale geografie (of mens aardrijkskunde). Dit zijn de mensen dus de bevolking,
omdat ze een belangrijke rol spelen in het uiterlijk van het landschap. We willen zicht
krijgen op waar mensen en hoe ze in hun bestaan voorzien.
Bij aardrijkskunde maken we een indeling in drie hoofdgebieden:
1. Landschap.
2. Bevolking. Bevolking onderscheiden we in twee onderdelen, namelijk: spreiding en
migratie.
3. Bestaansmiddelen. Bij bestaansmiddelen onderscheiden we drie onderdelen,
namelijk: landbouw, industrie en diensten.
, Basiskennis Aardrijkskunde
Hoofdstuk 2 - De aarde.
§2.1 - De aarde in het zonnestelsel
In ons zonnestelsel draaien acht planeten, waaronder de aarde die om de zon heen draait. In
bijna één jaar tijd draait de aarde om de zon heen.
Elk jaar heeft de aarde, boven op de 365 volle dagen van het jaar, zes extra uren nodig om het
rondje om de zon af te maken. Daarom hebben we om de vier jaar een extra dag toegevoegd
aan het einde van de maand februari. Zo’n jaar noemen we een schrikkeljaar.
Veel planeten in ons zonnestelsel hebben een of meerdere manen. De aarde heeft er maar
één, die in 27 dagen (een maand) om de aarde draait.
Een derde deel van het aardoppervlak bestaat uit land en twee derde uit water. De
landoppervlakten bestaan uit zeven continenten:
● Europa
● Azië
● Afrika
● Noord- en Zuid-Amerika
● Australië
● Antarctica
Tussen deze continenten liggen oceanen. De Grote of Stille Oceaan is het grootst. Elke
oceaan bestaat uit: zout water, heeft op veel plaatsen een reliëfrijke bodem en is op de vlakke
gedeelten ongeveer vijf kilometer diep.
Aan de randen van de continenten liggen gebieden die ondergelopen zijn met oceaanwater.
Zo’n gebied noemen we een zee. Een zee bevat zout water, heeft meestal een vrij vlakke
bodem en is meestal honderden meters diep. Op de continenten ligt water in de vorm van
sneeuw en (land)ijs, in meren, rivieren en in grondwater. Dit water bevat in vergelijking met
het oceaan- en zeewater nauwelijks zout en wordt zoet water genoemd.
§2.2 - Geografische coördinaten en tijdzones
Elke plek op aarde ligt op een uniek punt op de aardbol. Om precies te kunnen zeggen waar
een bepaald punt zich bevindt, gebruiken we geografische coördinaten.
De aarde is verdeeld in een denkbeeldig graadnet, een net van lijnen.
● De evenaar verdeelt de aarde in twee delen: het noordelijk halfrond en het zuidelijk
halfrond.
● De lijnen die evenwijdig aan de evenaar lopen, heten breedtecirkels of parallellen.
● Als een plek dicht bij de evenaar ligt, dan spreek je van lage breedte. Dicht bij de pool
spreek je van hoge breedte.
● Ten noorden van de evenaar, spreek je van noorderbreedte. Ten zuiden van de
evenaar spreek je van zuiderbreedte.
● De evenaar is de nullijn. Bij de polen zit je op 90° noorder- of zuiderbreedte.
, ● Lijnen die van pool tot pool lopen heten meridianen, ze snijden elkaar in de
Noordpool en de Zuidpool. En bij de evenaar liggen de meridianen het verst uit
elkaar.
● Er zijn in totaal 360 meridianen, die we aangeven in graden.
● De nul meridiaan ligt bij Greenwich in London en verdeelt de aarde in het westelijk
en oostelijk halfrond.
● Wanneer je van Greenwich naar het westen gaat, spreek je van westerlengte.
Wanneer je van Greenwich naar het oosten gaat, spreek je van oosterlengte. Je kunt
zo in totaal op maximaal 180° westerlengte en 180° oosterlengte komen.
Tijdzones
De aarde draait om haar eigen as. Deze draaiing van de aarde noemen we de aardrotatie. De
draaiing van de aarde heeft twee belangrijke eigenschappen:
1. De draaiing voltooit zich in 24 uur (deze periode noemen we een etmaal).
2. Vanaf boven gezien is de draaiing tegen de klok in.
De aardrotatie veroorzaakt dag en nacht. Door deze draaiing komt de zon op in het oosten en
gaat deze onder in het westen. Wanneer je bijvoorbeeld vanuit Nederland naar het oosten
reist, komt de zon steeds vroeger op en gaat deze steeds eerder onder. Naar het westen toe is
dit omgekeerd.
Om goede afspraken te maken over de tijd is de aarde verdeeld in 24 tijdzones een tijdzone is
een gebied op aarde met dezelfde tijd een tijdzone komt overeen met 15 lengtegraden.
§2.3 - De seizoenen: zomer, herfst. winter en lente