Theoretische kwesties
Hoofdstuk 1 Introductie
Dit boek gaat over de grondslagen van de bewegingswetenschappen.
Net als de theoretische kaders in andere wetenschapsgebieden zijn ook
hedendaagse theorieën over menselijk en dierlijk bewegen gebaseerd op
assumpties: ze gaan uit van bepaalde vooronderstellingen over hoe de wereld,
het lichaam en het brein in elkaar steken.
Deze onderliggende assumpties zijn niet het resultaat van experimenteel
bewegingswetenschappelijk onderzoek, ze komen veelal voort uit eeuwenoude
filosofische debatten.
De filosofische grondvesten van een wetenschapsgebied liggen veelal niet aan de
oppervlakte van het bewustzijn en worden in de wetenschap dan ook weinig ter
discussie gesteld toch dienen zij als het fundament van het denken.
Zij hebben daardoor een grote invloed op de dagelijkse wetenschappelijke
praktijk; zij bepalen grotendeels wat voor vragen wij stellen en wat voor
concepten wij hanteren om natuurverschijnselen te begrijpen.
Een bewegingswetenschapper die al dan niet impliciet de filosoof Descartes volgt
en aanneemt dat het menselijk lichaam een machine is, komt tot andere vragen
en antwoorden dan een bewegingswetenschapper wiens denken meer geworteld
is in de evolutietheorie van Darwin.
Omdat de fundamentele aannames van de bewegingswetenschappen zo
bepalend zijn voor theorievorming is het essentieel om ze te bestuderen en enig
bewustzijn te kweken over hoe en wanneer ze zijn ontstaan en wat mogelijke
alternatieve aannames zouden kunnen zijn.
1.1 De motor-actie controverse
Het debat dat we gaan behandelen staat bekend als de motor-actie controverse
deze controverse gaat over hoe gecoördineerde bewegingen (bijv. slaan van een
tennisbal, pakken van een kopje) tot stand komen.
Zoals in elk debat zijn er veel posities in te nemen en veel nuances mogelijk.
De vele theorieën centreren zich echter rond 2 dominante zienswijzen:
1. De motortheorie
Voorstanders van de motortheorie beschouwen het lichaam als een
stom en passief instrument.
Hoewel sommige bewegingen verklaard kunnen worden in termen
van de mechanica (zoals reflexen), veronderstellen zij dat het
ontstaan van slim en adaptief gedrag het resultaat is van een
intelligent orgaan, het brein, dat het lichaam aanstuurt.
Volgens deze theorie zijn functionele bewegingen het resultaat van
motorprogramma’s die in het brein huizen en het weinig intelligente
lichaam instrueren wat te doen (zie figuur 1.1).
Aanhangers van de motortheorie richten zich in hun studies dan ook
vooral op het functioneren van het brein: de verklaring van gedrag
moet daar gezocht worden.
, Zij stellen veelal dat de hersenen werken volgens de
zogenaamde sense-model-plan-action architectuur.
o Op basis van de input van de sensoren construeren
mensen zich eerst een representatie van de wereld die
zij vervolgens waarnemen die representatie wordt
daarna gebruikt om een actieplan te maken, en dit plan
wordt vervolgens vertaald in (de setting van) een
motorprogramma dat het lichaam aanstuurt.
Neurowetenschapper Gallese zou deze theorie later omschrijven als
het hamburgermodel in dit model staan de suffe broodjes voor de
input en de output van het systeem: dat is weinig belangwekkend
alle aandacht is gericht op de sappige burger, de cognitie, die
ertussen zit willen we gedrag begrijpen, dan zullen we vooral dat
deel van het systeem moeten bestuderen.
2. De actietheorie
De motortheorie is vandaag de dag het dominante kader.
Het opmerkelijke is dat al in de 19e eeuw experimenten zijn gedaan met kikkers
waaruit bleek dat het brein geen noodzakelijke voorwaarde is voor functioneel en
slim gedrag.
De Duitse fysioloog Pflüger toonde aan dat een onthoofde kikker in
staat is tot het verwijderen van zuur op zijn rug, waarbij de kikker dit
gedrag op verschillende manieren en met verschillende maten weet
te realiseren.
Deze experimenten hebben echter niet geresulteerd in het verwerpen van de
motortheorie sterker nog, deze benadering is zelfs dominant geworden.
Niet alleen in het relatief kleine vakgebied van de bewegingswetenschappen
wordt vaak (een versie) van deze zienswijze verdedigd, in heel ons westerse
denken is de idee dat bewegen ontstaat doordat een brein een lichaam aanstuurt
sterk verankerd.
Toch werden in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw deze theorie zwaar
bekritiseerd door onderzoekers uit verschillende takken van wetenschap
belangrijk in deze beweging was de Amerikaanse psycholoog Gibson hij
ontwikkelde in grofweg de laatste 20 jaar van zijn leven een nieuwe
waarnemingstheorie die sterk verschilt van de waarnemingstheorie van de
motorbenadering.
Volgens Gibson vormen mensen zich geen representatie van de omgeving (zoals
de motortheorie stelt), maar nemen zij de omgeving zelf waar.
Daarnaast benadrukte hij de intieme relatie tussen waarnemen en bewegen
Gibson stelde dat de bewegingen van dieren, mensen incluis, niet gestuurd
worden door het brein maar door informatie die aanwezig is in de omgeving.
Een verhelderend voorbeeld is de relatie tussen optic flow en voortbeweging:
Als je door de omgeving beweegt, ontstaat een optisch stroomveld
(zie figuur 1.2) dat een schat aan informatie bevat over je beweging
in die omgeving.
, Volgens Gibson gebruiken dieren deze informatie vervolgens om hun
beweging te sturen.
Met andere woorden, door te bewegen ontstaat een optisch
stroomveld en dat stroomveld bepaalt weer de beweging.
Volgens Gibson resulteert deze wederkerige beïnvloeding in
gecoördineerde, functionele bewegingen.
Gibsons ecologische benadering heeft verschillende wetenschappers en filosofen
geïnspireerd en zij hebben zijn gedachtegoed verder ontwikkeld tot de
zogenaamde ‘actietheorie’:
Ook in deze zienswijze zijn uiteraard verschillende posities verdedigd,
maar in grote lijnen stelt de theorie dat functioneel gedrag voortkomt uit
een wederkerige beïnvloeding van een zenuwstelsel, een spier-
skeletsysteem en een omgeving.
Gecoördineerde bewegingspatronen ontstaan niet doordat het brein het
lichaam aanstuurt, maar zijn het resultaat van een wederzijdse
beïnvloeding van verschillende systemen, waarbij geen enkel systeem de
baas is.
In tegenstelling tot de motortheorie stelt deze benadering dan ook dat we
in de studie van gedrag onze aandacht niet uitsluitend of voornamelijk
moeten richten op het brein; om bewegen te begrijpen moeten we de
interactie tussen de verschillende subsystemen bestuderen waaruit het
gedrag ontstaat (zie figuur 1.3).
1.2 Overzicht van de hoofdstukken
De motortheorie en de actietheorie zijn 2 zienswijzen die het bewegen van dieren
en mensen op fundamenteel verschillende manieren benaderen.
Ze verschillen onder andere in de vragen die ze stellen, hun concepties van
bewegen, hun ideeën over de relatie tussen brein en lichaam, en hun verklaring
van het ontstaan van patronen de belangrijkste reden hiervoor is dat deze
benaderingen voortkomen uit uiteenlopende intellectuele tradities.
Om te begrijpen waar de fundamentele assumpties van de
bewegingswetenschappen vandaan komen, moeten we dan ook ver terug in de
geschiedenis van de wetenschap.
Opbouw boek:
Ontstaan motortheorie hiertoe moeten we terug naar de ‘mechanisering
van het wereldbeeld’ die zich voltrok in de 16 e en 17e eeuw.
Door het baanbrekende werk van onder anderen Galilei en Newton
ontstond de idee dat we de levenloze natuur volledig kunnen begrijpen in
termen van mechanica.
Het universum werd in die tijd voorgesteld als een groot
uurwerk waarin de mechanische principes alle beweging
kunnen verklaren.
Descartes één van de eerste denkers die deze mechanisering van het
wereldbeeld ging toepassen op dieren en mensen.
Hoofdstuk 1 Introductie
Dit boek gaat over de grondslagen van de bewegingswetenschappen.
Net als de theoretische kaders in andere wetenschapsgebieden zijn ook
hedendaagse theorieën over menselijk en dierlijk bewegen gebaseerd op
assumpties: ze gaan uit van bepaalde vooronderstellingen over hoe de wereld,
het lichaam en het brein in elkaar steken.
Deze onderliggende assumpties zijn niet het resultaat van experimenteel
bewegingswetenschappelijk onderzoek, ze komen veelal voort uit eeuwenoude
filosofische debatten.
De filosofische grondvesten van een wetenschapsgebied liggen veelal niet aan de
oppervlakte van het bewustzijn en worden in de wetenschap dan ook weinig ter
discussie gesteld toch dienen zij als het fundament van het denken.
Zij hebben daardoor een grote invloed op de dagelijkse wetenschappelijke
praktijk; zij bepalen grotendeels wat voor vragen wij stellen en wat voor
concepten wij hanteren om natuurverschijnselen te begrijpen.
Een bewegingswetenschapper die al dan niet impliciet de filosoof Descartes volgt
en aanneemt dat het menselijk lichaam een machine is, komt tot andere vragen
en antwoorden dan een bewegingswetenschapper wiens denken meer geworteld
is in de evolutietheorie van Darwin.
Omdat de fundamentele aannames van de bewegingswetenschappen zo
bepalend zijn voor theorievorming is het essentieel om ze te bestuderen en enig
bewustzijn te kweken over hoe en wanneer ze zijn ontstaan en wat mogelijke
alternatieve aannames zouden kunnen zijn.
1.1 De motor-actie controverse
Het debat dat we gaan behandelen staat bekend als de motor-actie controverse
deze controverse gaat over hoe gecoördineerde bewegingen (bijv. slaan van een
tennisbal, pakken van een kopje) tot stand komen.
Zoals in elk debat zijn er veel posities in te nemen en veel nuances mogelijk.
De vele theorieën centreren zich echter rond 2 dominante zienswijzen:
1. De motortheorie
Voorstanders van de motortheorie beschouwen het lichaam als een
stom en passief instrument.
Hoewel sommige bewegingen verklaard kunnen worden in termen
van de mechanica (zoals reflexen), veronderstellen zij dat het
ontstaan van slim en adaptief gedrag het resultaat is van een
intelligent orgaan, het brein, dat het lichaam aanstuurt.
Volgens deze theorie zijn functionele bewegingen het resultaat van
motorprogramma’s die in het brein huizen en het weinig intelligente
lichaam instrueren wat te doen (zie figuur 1.1).
Aanhangers van de motortheorie richten zich in hun studies dan ook
vooral op het functioneren van het brein: de verklaring van gedrag
moet daar gezocht worden.
, Zij stellen veelal dat de hersenen werken volgens de
zogenaamde sense-model-plan-action architectuur.
o Op basis van de input van de sensoren construeren
mensen zich eerst een representatie van de wereld die
zij vervolgens waarnemen die representatie wordt
daarna gebruikt om een actieplan te maken, en dit plan
wordt vervolgens vertaald in (de setting van) een
motorprogramma dat het lichaam aanstuurt.
Neurowetenschapper Gallese zou deze theorie later omschrijven als
het hamburgermodel in dit model staan de suffe broodjes voor de
input en de output van het systeem: dat is weinig belangwekkend
alle aandacht is gericht op de sappige burger, de cognitie, die
ertussen zit willen we gedrag begrijpen, dan zullen we vooral dat
deel van het systeem moeten bestuderen.
2. De actietheorie
De motortheorie is vandaag de dag het dominante kader.
Het opmerkelijke is dat al in de 19e eeuw experimenten zijn gedaan met kikkers
waaruit bleek dat het brein geen noodzakelijke voorwaarde is voor functioneel en
slim gedrag.
De Duitse fysioloog Pflüger toonde aan dat een onthoofde kikker in
staat is tot het verwijderen van zuur op zijn rug, waarbij de kikker dit
gedrag op verschillende manieren en met verschillende maten weet
te realiseren.
Deze experimenten hebben echter niet geresulteerd in het verwerpen van de
motortheorie sterker nog, deze benadering is zelfs dominant geworden.
Niet alleen in het relatief kleine vakgebied van de bewegingswetenschappen
wordt vaak (een versie) van deze zienswijze verdedigd, in heel ons westerse
denken is de idee dat bewegen ontstaat doordat een brein een lichaam aanstuurt
sterk verankerd.
Toch werden in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw deze theorie zwaar
bekritiseerd door onderzoekers uit verschillende takken van wetenschap
belangrijk in deze beweging was de Amerikaanse psycholoog Gibson hij
ontwikkelde in grofweg de laatste 20 jaar van zijn leven een nieuwe
waarnemingstheorie die sterk verschilt van de waarnemingstheorie van de
motorbenadering.
Volgens Gibson vormen mensen zich geen representatie van de omgeving (zoals
de motortheorie stelt), maar nemen zij de omgeving zelf waar.
Daarnaast benadrukte hij de intieme relatie tussen waarnemen en bewegen
Gibson stelde dat de bewegingen van dieren, mensen incluis, niet gestuurd
worden door het brein maar door informatie die aanwezig is in de omgeving.
Een verhelderend voorbeeld is de relatie tussen optic flow en voortbeweging:
Als je door de omgeving beweegt, ontstaat een optisch stroomveld
(zie figuur 1.2) dat een schat aan informatie bevat over je beweging
in die omgeving.
, Volgens Gibson gebruiken dieren deze informatie vervolgens om hun
beweging te sturen.
Met andere woorden, door te bewegen ontstaat een optisch
stroomveld en dat stroomveld bepaalt weer de beweging.
Volgens Gibson resulteert deze wederkerige beïnvloeding in
gecoördineerde, functionele bewegingen.
Gibsons ecologische benadering heeft verschillende wetenschappers en filosofen
geïnspireerd en zij hebben zijn gedachtegoed verder ontwikkeld tot de
zogenaamde ‘actietheorie’:
Ook in deze zienswijze zijn uiteraard verschillende posities verdedigd,
maar in grote lijnen stelt de theorie dat functioneel gedrag voortkomt uit
een wederkerige beïnvloeding van een zenuwstelsel, een spier-
skeletsysteem en een omgeving.
Gecoördineerde bewegingspatronen ontstaan niet doordat het brein het
lichaam aanstuurt, maar zijn het resultaat van een wederzijdse
beïnvloeding van verschillende systemen, waarbij geen enkel systeem de
baas is.
In tegenstelling tot de motortheorie stelt deze benadering dan ook dat we
in de studie van gedrag onze aandacht niet uitsluitend of voornamelijk
moeten richten op het brein; om bewegen te begrijpen moeten we de
interactie tussen de verschillende subsystemen bestuderen waaruit het
gedrag ontstaat (zie figuur 1.3).
1.2 Overzicht van de hoofdstukken
De motortheorie en de actietheorie zijn 2 zienswijzen die het bewegen van dieren
en mensen op fundamenteel verschillende manieren benaderen.
Ze verschillen onder andere in de vragen die ze stellen, hun concepties van
bewegen, hun ideeën over de relatie tussen brein en lichaam, en hun verklaring
van het ontstaan van patronen de belangrijkste reden hiervoor is dat deze
benaderingen voortkomen uit uiteenlopende intellectuele tradities.
Om te begrijpen waar de fundamentele assumpties van de
bewegingswetenschappen vandaan komen, moeten we dan ook ver terug in de
geschiedenis van de wetenschap.
Opbouw boek:
Ontstaan motortheorie hiertoe moeten we terug naar de ‘mechanisering
van het wereldbeeld’ die zich voltrok in de 16 e en 17e eeuw.
Door het baanbrekende werk van onder anderen Galilei en Newton
ontstond de idee dat we de levenloze natuur volledig kunnen begrijpen in
termen van mechanica.
Het universum werd in die tijd voorgesteld als een groot
uurwerk waarin de mechanische principes alle beweging
kunnen verklaren.
Descartes één van de eerste denkers die deze mechanisering van het
wereldbeeld ging toepassen op dieren en mensen.