Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Leervragen motorische ontwikkeling en motorisch leren

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
120
Geüpload op
04-04-2026
Geschreven in
2025/2026

Overzichtelijke uitwerking van de leervragen van het vak motorische ontwikkeling en motorisch leren (BWB217). Dit document bevat hoofdstuk 1 t/m 1o van het boek Advanced analysis of motor development en hoofdstuk 11 t/m 19 van het boek Motor learning and control (12th edition)

Meer zien Lees minder
Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Deel A: Motorische Ontwikkeling
Advanced Analysis of Motor Development (2012).
Hoofdstuk 1 Descriptive perspectives
1. Wat is de definitie van motorische ontwikkeling volgens Ulrich?
 Motorische ontwikkeling is de studie van verandering in motorisch
gedrag in de tijd, inclusief typische gedragstrajecten gedurende de
levensduur, de processen die ten grondslag liggen aan de
veranderingen die we zien, en factoren die motorisch gedrag
beïnvloeden.
2. Welke disciplines hebben de motorische ontwikkeling bestudeerd in de
vorige eeuw, en welke discipline houdt zich vooral heden bezig met de
studie van de motorische ontwikkeling?
 Disciplines vorige eeuw:
 Baby biografen vakgebied motorische ontwikkeling en
kinderontwikkeling ontstaat.
 Kinderpsychologen  verbonden aan de instituten voor
kinderstudies
 Onderzoekers in de lichamelijke opvoeding (af en toe
artikelen uit de geneeskunde en fysiotherapie)
 Levensloopontwikkelingspsychologie  gedurende je hele
leven ontwikkel je, ook nieuwe vakgebied gerontologie had
invloed op het ontstaan van deze psychologie.
 Discipline heden:
 Kinesiologie, de studie van menselijke beweging
3. Welke verschuiving vond plaats rond 1970 in het thema motorische
ontwikkeling (p.5)? En welke verschuiving volgde later in de jaren ’90?
 Verschuiving 1970:
 Vanaf de jaren 70 begon het vakgebied van de motorische
ontwikkeling hernieuwde belangstelling te krijgen van
ontwikkelingspsychologen.
 Gerespecteerde wetenschappers, zoals Connolly (1970) en
Bruner (1973), herzagen de verklaringen van de
beschrijvende wetenschappers en suggereerden dat
informatieverwerkingsmodellen de motorische ontwikkeling
beter zouden kunnen verklaren.
 Verschuiving jaren ’90:
 Clark en Whitall (1989b) markeerden deze suggesties als het
begin van een procesgerichte periode in het vakgebied van
de motorische ontwikkeling.
 De interesse in het beschrijven van motorische ontwikkeling
begon af te nemen en de interesse in het verklaren van
motorische ontwikkeling begon toe te nemen.
 Nieuw theoretisch kader (dynamische systemen) dit kader
blijft zowel het vakgebied van de motorische ontwikkeling als
het vakgebied van de ontwikkelingspsychologie beïnvloeden.
4. Wat wordt bedoeld met het organismische gezichtspunt?
 Organismische gezichtspunt: ze gebruikten de biologische studies
van zich ontwikkelende organismen als model voor het bestuderen
van kinderen.

,  Om die reden zagen ze hun wetenschappelijke rol als het
beschrijven en verklaren van het veranderende motorische gedrag
van baby's en jonge kinderen.
 In tegenstelling tot hun collega's in de experimentele psychologie
gaven ze er de voorkeur aan het kind in een natuurlijke omgeving te
beschrijven zonder de omgeving te manipuleren.
5. Welke ideeën uit de embryologie werden overgenomen bij het bestuderen
van de motorische ontwikkeling (vier kunnen noemen)?
 1. De ontwikkeling in het embryo vindt plaats in specifieke
richtingen: het embryo ontwikkelt zich van hoofd naar voeten
(cefalocaudaal), van romp naar ledematen (proximodistaal) en van
de ulnaire zijde naar de radiale zijde van de armen.
 2. De differentiatie, de ontwikkeling van cellen van een
ongespecialiseerde en globale staat naar een staat van specialisatie.
 3. Morfogenese, verwijzend naar de vorming van organen
 4. Integratie, verwijzend naar de coördinatie van de
gespecialiseerde cellen in het lichaam.
6. Door welk onderzoeksgebied werd Gesell vooral beïnvloed? Wat wordt
verstaan onder morphologie?
 Onderzoeksgebied Gesell sterke invloed van embryologie en met
name morfologie.
 Morphologie: reflecteert veranderingen in onderliggende neurale
structuren.
7. Hoe verklaarde Gesell veranderingen in de motoriek tijdens de
ontwikkeling?
 Een ander belangrijk idee uit de embryologie en biologie van die tijd
was de overtuiging dat rijping, met name neurale rijping, de
drijvende kracht is die bewegingen doet veranderen.
 Gesell was de belangrijkste voorstander van deze visie hij
was er sterk van overtuigd dat de mechanismen van de
ontwikkelingsmorfologie van zuigelingen genetisch bepaald
zijn en slechts geringe hulp van de omgeving ontvangen.
 We begrijpen nu dat Gesell ervan uitging dat de veranderingen die
hij beschreef voortkwamen uit een interne, neurale oorzaak, omdat
de ontwikkelingsprocessen die hij beschreef bij de meeste van zijn
deelnemende baby's voorkwamen. Omdat hij de omgeving waarin
dit gedrag plaatsvond niet documenteerde, nam hij aan dat de
waargenomen veranderingen een interne, neurale oorzaak hadden.
8. Wat wordt verstaan onder de co-twin method?
 Hij voerde echter ook een invloedrijk experimenteel onderzoek uit
waarin hij erfelijkheid tegenover omgevingsinvloeden plaatste met
behulp van de tweelingmethode.
 Samen met Helen Thompson liet hij één tweeling (aangeduid
als T, getraind) zes dagen per week tien minuten oefenen met
het beklimmen van vier trappen en het manipuleren van
kubussen. Deze sessies begonnen toen T 46 weken oud was
en duurden zes weken. De andere tweeling (aangeduid als C,
controle) mocht deze twee activiteiten niet uitvoeren. Hoewel
de tweelingen dus dezelfde erfelijke aanleg deelden, kreeg
slechts één van hen omgevingsstimulatie om te oefenen.

,  Aan het einde van de training, toen beide kinderen 53 weken oud
waren, kon T de trap beklimmen in 10 tot 18 seconden. C kon ook de
trap beklimmen, maar deed daar 40 tot 45 seconden over. Gesell en
Thompson trainden C vervolgens 2 weken lang; deze training
verkortte haar klimtijd tot die van T.
 Bovendien beweerden de onderzoekers dat C's prestatie op 55
weken veel beter was dan T's prestatie op 52 weken: "Het
rijpingsvoordeel van 3 weken leeftijd moet deze superioriteit
verklaren"  ze waren er dus van overtuigd dat rijping de
belangrijkste reden moest zijn voor de ontwikkeling van deze
vaardigheid. Het is echter interessant dat een onderzoeker die niet
wist welke tweeling de training had gekregen, vond dat T superieur
was in het hanteren van kubussen.
 Bovendien gaven Gesell en Thompson (1929) toe dat T, vergeleken
met C, behendiger bleef, minder bang was om te falen en enkele
maanden na het onderzoek sneller liep, maar ze benadrukten dit
resultaat niet in hun rapport.
9. Gesell’s ideeën leven voort in een aantal begrippen: stage, developmental
trajectories and developmental norms. Leg uit wat deze begrippen
inhouden.
 Stage: de reeks van houdingsveranderingen die optreden bij het
verwerven van de buikligging.
 Developmental trajectories: hij geloofde ook dat het
ontwikkelingstraject van alle motorische vaardigheden de
ontwikkelingsrichtingen van de embryologie volgt, zoals
cefalocaudaal en proximodistaal.
 Developmental norms: ten slotte is de invloed van Gesell nog steeds
voelbaar via zijn ontwikkelingsnormen, die nog steeds worden
gebruikt in vakgebieden zoals de geneeskunde, ook al waren de
normen bijna uitsluitend gebaseerd op blanke, middenklasse
sociaaleconomische groepen.
 Hoewel gedragsnormen nuttig kunnen zijn, zoals Thelen en
Adolph (1992) aangaven, is Gesells beeld van het typische
kind langzaam veranderd in een beeld van het wenselijke
kind.
10.Noem een uitzondering op de cephalocaudale ontwikkeling.
 Bij alle vormen van voetbeweging volgen de armen bijvoorbeeld de
voeten in hun ontwikkeling vanwege de beperkingen van het
evenwicht; de locomotorische ontwikkeling, eenmaal op de voeten,
is dus caudaalcefaal in plaats van cefalocaudaal.
11.Vanuit welke theorie verklaarde Shirley haar bevindingen? En op welke
twee bevindingen baseerde zij haar conclusie (P.10)?
 Welke theorie net als Gesell concludeerde Shirley dat motorische
ontwikkeling het best verklaard kan worden door rijping, en ze
generaliseerde deze conclusie naar de ontwikkeling van alle
motorische vaardigheden.
 Twee bevindingen ze rechtvaardigde haar redenering op basis van
twee kenmerken van de locomotorische ontwikkelingsvolgorde die
ze had bestudeerd:
 1. De ontwikkeling was ordelijk

,  2. En nieuwe vaardigheden verschenen plotseling
12.Waarin verschilde McGraw van Shirley in onderzoeksthema? Wat wordt
verstaan onder de cortical-inhibition hypothesis (wordt in het boek niet zo
genoemd, maar wel op p11 beschreven)?
 Verschil in tegenstelling tot Shirley, die keek naar de verwerving
van verschillende vaardigheden op weg naar het lopen, bestudeerde
McGraw veranderingen binnen een bepaalde vaardigheid, zoals
kruipen of zwemmen.
 Cortical-inhibition hypothesis: ze suggereerde dat de neonatale
reflexen die ze had bestudeerd, zoals de stapreflex en de
zwemreflex, een product waren van subcorticale delen van de
hersenen. Ze zag dat het reflexgedrag verdween, gevolgd door een
periode van ongeorganiseerd gedrag. Deze fase werd vervolgens
gevolgd door bewegingen die volgens haar onder corticale controle
stonden (zie figuur 1.2). Ze betoogde dus dat de cortex de output
van de subcortex moest hebben geremd, waardoor de manifestatie
van de oorspronkelijke reflex werd gedempt en vervolgens de
integratie van alle hersengebieden die nodig waren om de vrijwillige
activiteit te controleren mogelijk werd.
13.Vanuit welke theorie verklaart McGraw haar bevindingen?
 In tegenstelling tot Gesell en Shirley was McGraw geen
maturationist.
 Ze was eerder een overtuigd interactionist wat betreft de relatieve
bijdragen van rijping (erfelijkheid) en leren (omgeving) aan de
ontwikkeling.
14.Wat zijn fylogenetische en wat zijn ontogenetische activiteiten? Welke
conclusie trok McGraw uit haar ‘Jimmy and Johnny’ studie ten aanzien van
beide activiteiten? Waarin verschilde zij van Gesell in deze conclusie?
 Fylogenetische activiteiten: deze zijn kenmerkend voor de soort,
noodzakelijk voor normaal functioneren en daarom minder beïnvloed
worden door oefening.
 Ontogenetische activiteiten: deze zijn kenmerkend voor het individu,
niet noodzakelijk voor normaal functioneren en daarom meer
beïnvloed worden door oefening.
 Conclusie de Johnny en Jimmy-studie onthulde dat bepaalde
vaardigheden (zoals schaatsen) veel meer beïnvloed worden door
oefening dan andere vaardigheden onderscheid fylogenetische en
ontogenetische activiteiten.
 Verschil Gesell vond dat haar studie "zijn beroemde rijpingstheorie
ontkrachtte. Natuurlijk wist ik dat dat niet zo was; het paste die
theorie slechts aan" (McGraw) met aanpassen bedoelde McGraw
het onderscheid tussen fylogenetische en ontogenetische
activiteiten.
 De meeste gedragingen die worden waargenomen op weg
naar rechtopstaande voortbeweging zijn wat McGraw
fylogenetisch zou noemen. Schaatsen en fietsen zijn
ontogenetische vaardigheden. Dit onderscheid ondersteunt
eigenlijk Gesells overtuiging dat rijping de vaardigheden van
zuigelingen beïnvloedde die hij bestudeerde. Volgens McGraw
was zijn grootste probleem het generaliseren van rijping als

Gekoppeld boek

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Nee
Wat is er van het boek samengevat?
Hoofdstuk 1 t/m 10
Geüpload op
4 april 2026
Aantal pagina's
120
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$11.38
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
Noa06

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
Noa06
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
8
Lid sinds
3 jaar
Aantal volgers
3
Documenten
49
Laatst verkocht
3 dagen geleden

0.0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen