HC 8 24-2-2026
Zien en het visuele systeem
Visueel systeem = heel belangrijk voor mensen (sensibel systeem)
Waarnemen van een object:
• Kleur
• Vorm
• Beweging
Volgen alle drie in het CZS een vergelijkbaar, maar ander pad→ maar t.h.v. cortex: integratie!
• Veel integratie → je ziet niet alleen een los vlak of alleen beweging (je ziet geheel dat
beweegt).
Positie van het oog essentieel! (Ben jij in beweging of je visuele veld?)
Wereld om ons heen in kaart brengen→ visuele systeem.
Visuele illusies gebruiken om het aan te tonen→ we zien het als geheel, individuele onderdelen
kan je moeilijk eruit pikken.
Het oog
• Licht komt door cornea (hoornvlies)
• Pupil bepaald lichtinval → kan groter en kleiner worden
• Oogspieren hechten aan sclera
• Neuronen (fotoreceptoren) in retina
Transversale doorsnede→ van bovenop kijken.
Lens→ belangrijk om te zorgen dat licht gebogen wordt en het scherp gesteld wordt
Retina→ belangrijkste onderdeel→ liggen neuronen (1e orde neuronen, fotoreceptoren)→
gevoelig voor licht, gaan geactiveerd worden als er licht opvalt→ actiepotentiaal→ stimulus in
omgeving omgezet→ transductie→ actiepotentiaal.
Bescherming oog: orbita (oogkas), huid, haar
Rand:
1. Os frontale → frontaal bot
2. Os zygomaticum→ meer lateraal, jukbeen (boog)
, 3. Maxilla→ bovenkaak
Binnenin:
1. Os ethmoidale→ mediaal, lopen zenuwen doorheen
2. Os sphenoidale→ achterwand, wiggebeen
3. Os lacrimale→ traan
Schedel vol met openingen→ hersenzenuwen van periferie naar brein→ andere structuren ook
er naartoe.
Fissurae orbitalis superior en inferior→ oogzenuwen die oogspieren aansturen
• Wenkbrauwen
➢ Vloeistof en zweet
• Ooglid en wimpers:
➢ Vuil, uitdroging en fel licht→ vuil uit oog krijgen ook
➢ Fel licht→ beschermen→ ogen knijpen, minder licht in oog
• Corneareflex (bv reactie op vuiltje) via
➢ n. V (afferent)
➢ n. VII (efferent)
• Oog (cornea)→ stimuleren met kwastje→ sensorische informatie in n. 5 → komt binnen
in hersenstam→ sensibele kern→ schakeling met kernen van fascialis
(motorneuronen)→ terug projecteren naar spiertjes in oogleden→ oogleden
samenknijpen.
• Reflex op hersenstam niveau
Lens: projectie van het beeld op de retina
• Zorgt voor plaatsing brandpunt op hoge resolutie-deel van de retina (fovea, in gele vlek
(macula lutea))
➢ Fovea→ brandpunt moet hier vallen, bevindt zich in gele vlek
• Draait het beeld op de kop en spiegelt het
➢ Wij zien de wereld goed, niet op de kop→ ergens in de cortex weet dit, gaat
terugspiegelen.
, • Verziend→ lens breekt de lichtstralen niet sterk genoeg→ brandpunt achter retina→
• Bijziend→ teveel afbuigen→ brandpunt voor retina
• Oplossen met lenzen→ bolle lens, verziend (lichtstralen al iets breken, lens doet de rest)
• Bijziend→ holle lens→ lichtstralen iets meer divergeren (breder maken)→ brandpunt op
retina
Zien begint bij de retina
• De retina (netvlies) bevat fotoreceptoren (gevoelig voor licht) = laag neuronen (+
gliacellen) aan binnenoppervlak oogbol
➢ Fovea→ onderin
• Licht moet eerst door alle 5 lagen van de retina, behalve t.h.v. fovea!
➢ Nu 3 lagen afgebeeld.
• NB axonen in retina zijn ongemyeliniseerd (= transparant / lichtdoorlatend)
➢ Geeft nog meer ruis, nog meer structuren waar licht doorheen moet→ daarom
ongemyeliniseerd
• Fovea→ plek waar andere neuronen wat meer uit elkaar zijn gegaan.
• Retina→ in retina bevinden zich 5 lagen→ licht moet er doorheen→ licht valt op retina→
door lagen cellen heen→ komt bij fotoreceptoren→ zorgt voor ruis→ we willen scherp
zien
• Receptoren aan de kant gegaan→ licht op fovea (brandpunt)→ licht meteen op fovea
(niet eerst door andere neuronen heen)→ licht meteen op fovea, dan fotoreceptoren
stimuleren
De retina, of eigenlijk twee hemiretinae
• Lijn door fovea scheidt nasale en temporale hemiretina
➢ Rechteroog → linkerkant nasale hemiretina (Verwijst naar neus, aan neuskant)
➢ Laterale zijde→ temporale hemiretina (kant temporaal bot/kwab)
• Plek waar zenuwen en vaten het oog verlaten en/of inkomen = blinde vlek (geen
fotoreceptoren)
, • Fovea→ projectie retina→ hoge concentratie fotoreceptoren
• Gele vlek ook wel fotoreceptoren, maar niet zo hoog als in fovea
• Blinde vlek→ geen fotoreceptoren→ treedt oogzenuw uit
Vergelijking met andere zintuigelijke systemen
• Opbouw hetzelfde, verschil in afstanden!
• Auditief→ 1e cel haarcel, 1e synaps bipolaire cel (perifere uitloper, cellichaam ganglion,
centrale uitloper richting CZS)
• Visueel→ meteen in CZS bevinden→ te maken met embryonale ontwikkeling→
diencephalon, c vormige stukken worden retina→ retina is al CZS→ niet meer vanaf zien
een circuit van periferie naar CZS→ we zijn al in CZS.
• 1e cel, fotoreceptor→ 1e synaps, bipolaire cel→ synaps op ganglioncel
• Zowel bij horen (ook bij balans)→ receptor contact maken met bipolaire cel→ horen,
uitlopers veel langer (afstand tussen oren en hersenstam afleggen)→ zien, is al CZS→ 1e
3 schakelingen in retina.
• Opbouw hetzelfde, afstanden maken verschil.
Hier gaan we naartoe bouwen