WEEK 1 ALGEMENE INLEIDING HYPOTHESE-TOETSEND DENKEN ................................................................ 3
THEORIE EN MODEL ................................................................................................................................................. 3
HET WERK VAN ORTHOPEDAGOGEN ........................................................................................................................... 11
DIAGNOSTISCHE MODELLEN/STRATEGIEËN .................................................................................................................. 13
WEEK 2 MODELLEN VAN DIAGNOSTIEK .................................................................................................... 16
VOORKENNIS ........................................................................................................................................................ 16
DIAGNOSTISCH ONDERZOEK ..................................................................................................................................... 16
WEEK 3 DIAGNOSTISCHE CYCLUS IN DE JEUGDZORG/JGGZ ....................................................................... 23
AANMELDING ....................................................................................................................................................... 26
VAN KLACHTENANALYSE NAAR HET ADVIES .................................................................................................................. 27
WEEK 4 HANDELINGSGERICHTE DIAGNOSTIEK IN JEUGDZORG I ............................................................... 31
WEEK 5 HANDELINGSGERICHTE DIAGNOSTIEK IN JEUGDZORG II .............................................................. 41
MINITUTORIAL ...................................................................................................................................................... 49
WEEK 6 HANDELINGSGERICHTE DIAGNOSTIEK IN HET ONDERWIJS I ........................................................ 51
HANDELINGSGERICHTE DIAGNOSTIEK (HGD) .............................................................................................................. 51
WEEK 7 HANDELINGSGERICHTE DIAGNOSTIEK IN HET ONDERWIJS II ....................................................... 64
2
,Week 1 Algemene inleiding hypothese-toetsend denken
Theorie en model
Een theorie is een verklaring. Het beschrij6 waarom en hoe bepaalde psychologische
processen of gedragingen plaatsvinden. Theorieën zijn gebaseerd op wetenschappelijk
onderzoek en proberen onderliggende mechanismen te verklaren.
Voorbeeld: Bij ASS is een theorie in de vorige eeuw geweest dat een “ijskast” moeder (weinig
emo=e) voor ASS bij een kind zou zorgen. Dit gaf veel schade en is later ontkracht. Volgens de
theorie (psychoanalyse) was uithuisplaatsing dan bedoeld om het kind beter te maken.
Een model is een hulpmiddel of representaBe. Het vereenvoudigt complexe processen om
beter te begrijpen wat er gebeurt en hoe de onderdelen met elkaar samenhangen. Modellen
zijn vaak visueel (zoals diagrammen of schema’s) en helpen bij het structureren van
informaBe.
Een theorie verklaart waarom iets gebeurt. Een model laat zien hoe iets werkt of in elkaar zit.
Ze vullen elkaar vaak aan: een model kan gebaseerd zijn op een theorie, en een theorie kan
verduidelijkt worden door een model.
Theorieën willen we toepassen op een kind, waardoor we van algemene studies (n =
populaBe) naar een individu (n = 1) gaan.
§ Hoe kom je van algemene theorieën en modellen, naar een antwoord op een vraag
van een individu?
§ Hoe kom je van algemene theorieën en modellen, naar een individuele theorie of
individueel model?
Het hypothese toetsend denken moet je heel goed in de oren knopen voor het vak. Bij een
BIG-registraBe ben je gebonden aan tuchtrecht, dus moet je kunnen uitleggen waarom je
conclusies hebt getrokken. Je moet transparant kunnen maken wat je doet.
3
, Welke theorieën ken je?
De theorieën hieronder zijn de basistheorieën, deze zijn belangrijk om te weten. Eigenlijk kun
je het beschouwen als brillen die je op kunt zeUen, om met een bepaalde blik naar een casus
te kijken.
Theorieën Enkele voorbeelden van grondleggers
Psychodynamische theorieën Freud, Rogers
Behaviorisme / Leer-theorieën Klassiek condiBoneren: Pavlov, Watson
Operant condiBoneren: Skinner
Sociaal leren: Bandura
Neuropsychologische kaders Luria, Lezak, Pennington, Kraepelin
Ontwikkelingstheorieën Erikson, Vygotsky, Piaget
CogniBeve theorieën Beck, Ellis, Meichenbaum
HechBngstheorie Bowlby, Ainsworth
Systeem theorieën Böszörményi-Nagy, Minuchin, Watzlawick
Opvoedingstheorieën (ouderschapstheorie) Langeveld, Kok, Baumrind, van der Pas
Hieronder staan alle theorieën uitgelegd.
Psychodynamische theorieën
Het psychodynamische perspecBef stelt dat gedrag voortkomt uit innerlijke, onbewuste
krachten die uit onze kinderBjd stammen en waarover we weinig controle hebben.
§ Psychoanalyse (Freud): id (dri6en), ego (realiteitstoetsing) en superego (normen).
§ Persoonsgerichte theorie (Rogers): problemen ontstaan wanneer het zelfconcept en
ervaringen niet overeenkomen (incongruenBe).
Behaviorisme / Leer-theorieën
Het behaviorisBsche perspecBef stelt dat we ontwikkeling kunnen begrijpen door
waarneembaar gedrag en omgevingssBmuli te bestuderen.
§ Klassieke condiBonering (Pavlov & Watson): gedrag ontstaat door associaBe tussen
sBmulus en respons.
§ Operante condiBonering (Skinner): gedrag wordt gestuurd door (posiBeve of
negaBeve) consequenBes.
§ Sociaal-cogniBeve leertheorie (Bandura): gedrag wordt geleerd via observaBe en
modeling.
o Aandacht: je neemt het gedrag waar.
o RetenBe: je kunt het gedrag op een later BjdsBp herinneren.
o ReproducBe: je kunt het gedrag dat je herinnert reproduceren.
o MoBvaBe: je bent gedreven het gedrag te leren of uit te voeren, doordat het
je iets oplevert of doordat je op een bepaalde manier opkijkt.
4