Hoorcollege 1: Uit de diepten van de 19e eeuw
Fundamenten van het internationale systeem
Osterhammel: in de 19e eeuw zagen we de geboorte van de internationale
relaties die we hedendaags kennen. Bepaalde ideeën en gedragingen van
internationale spelers op het wereldtoneel werden ontwikkeld. Diplomatie werd
hiermee ook een georganiseerd en wetenschappelijk fenomeen in het algemeen
belang van de bevolking in plaats van een middel voor dynastieën om hun eigen
macht te vergroten.
Een internationaal systeem houdt voornamelijk in de regels en hun
opstellingen, en hoe deze regels in de praktijk worden uitgevoerd en nageleefd.
Een internationaal systeem vereist een zekere abstracte opvatting.
Tijdens de Napoleontische oorlogen kwam Amsterdam in enorme reünie,
voornamelijk door het continentale stelsel die Napoleon in had gevoerd.
Amsterdam was hier niet het enige voorbeeld van, veel van Europa lag in
(economische) reünie. Na de Napoleontische oorlogen veranderde veel staten
van ‘structuur’ met de orde van 1815. Veel landen kregen een geografische
buffer tussen Frankrijk en hun land, zo kreeg Nederland bijvoorbeeld de
Oostenrijkse-Nederlanden bij hun rijk. Landen werden een monarchie, Nederland
werd hierbij ook voor het eerst een monarchie. Er kwamen ‘redelijke’
herstelbetalingen en de (veroverde) koloniën werden uitgeruild.
Diplomatieke fundamenten waren vooral de drie sleutelverdragen:
Congres van Wenen (juni 1815): erkenning nieuwe vorsten en nieuwe
staten/landgrenzen. ‘Creatie van de (Europese) gemeenschap van staten’.
Tweede Vrede van Parijs (november 1815): afgesproken om
congressen te blijven organiseren om gemeenschappelijke belangen te
verdedigen en bespreken.
Heilige Alliantie (september 1815): een bondgenootschap van
Rusland, Oostenrijk en Pruisen, op initiatief van tsaar Alexander I van
Rusland, gebaseerd op Christelijke normen en waarden.
Diplomatie werd geformaliseerd. Men ging vaker samenkomen op officiële
politieke bijeenkomsten (ipv slechts op feestjes of in salons). Diplomatie werd
langzamerhand als een beroep/serieuze bezigheid gezien. Wel werd het gezien
als een bezigheid voor witte (niet-Joodse) mannen. De waarden van deze
samenkomsten waren voornamelijk machtsbalans, collectieve veiligheid,
samenwerking en gematigdheid
Toch kende de congressen wel een hiërarchische orde:
1. Grootmachten (mochten de agenda bepalen en beleid maken): Groot-
Brittannië, Rusland, Oostenrijk, Pruissen (Frankrijk).
2. Middenmachten (soms aanwezig, alleen beslissen wanneer de agenda
betrekking had op hunzelf): Nederlanden, Spanje, Portugal, Sardinië.
3. Kleine machten (vaak niet uitgenodigd): Hanzesteden, Italiaanse staatjes.
4. Onbeschaafd en buitengesloten: Ottomaanse rijk.
, De fundamentele motivatie achter de samenwerkingen was angst. Naties
vreesden voor een nieuwe oorlog (tussen grootmachten), revoluties, terreur en
opkomende alleenheersers (hegemonie).
Uitdagers en tegenstanders van het internationale systeem
Hoewel er nieuwe samenwerkingen waren, merkte de lagere klassen van de
samenleving weinig verbetering. Hierdoor kwamen er steeds meer
tegenstanders tegen de internationale samenwerking tussen vorsten. In 1820
kwam er veel tegenstand tegen de Europese vorsten: van complete staatsgrepen
tot terreurslagen.
Liberalen waren over het algemeen tegen de internationale samenwerkingen.
Er werd veel van bovenaf bepaald door vorsten, waarmee individuele vrijheden
werden ingeperkt (waaronder grondwettelijke rechten zoals recht op
samenkomst). Nationalisten vonden ook dat samenwerking met andere landen
ten koste ging van hun eigen land, en vaak waren de nationalistische
revolutionairen mensen die tijdens de Napoleontische oorlogen aan de verkeerde
kant hadden gevochten.
1821 word wel eens als een einde gezien van de tijd van de internationale
systemen. Veel politieke figuren in veel landen begonnen sympathie te
krijgen voor revolutionairen de Griekse onafhankelijkheidsoorlog. In
deze oorlog kwamen veel Europese machten samen om de Grieken te
ondersteunen.
In 1830 braken er weer veel revoluties uit op het Europese continent uit onvrede
met het internationale congressysteem.
Impact van het internationale systeem (van Europa) op de buitenwereld
Er was veel kritiek op de buitensluiting van bepaalde naties: Amerika zowel als
het Ottomaanse rijk zijn twee voorbeelden van (machtige) naties die niet in de
congressen waren betrokken, maar wel werden beïnvloed door de besluiten van
de congressen. Hierdoor kwam er ook een enige mate van tegenstand door de
buitengesloten naties het Amerikaanse Monroe Doctrine; Amerika
verklaarde dat ze geen nieuwe kolonies of puppet-staten van Europa in de
westelijke hemisfeer zouden accepteren.
Viceadmiraal William Sidney Smith moedigde de Europese machten aan om
piraterij enorm te bestrijden, en daarmee de kustgebieden van Afrika te
civiliseren. Hoewel hij werd weggewuifd op het congres van Wenen, werd het
thema heel maatschappelijk (waardoor toch ook politiek) populair. Hierdoor
kwam zijn idee uiteindelijk uitgevoerd rond 1819. De Europese machten besloten
als stap in het anti-piraterijplan alle vormen van Christelijke slavernij af te
schaffen, waarna veel Noord-Afrikaanse grootmachten boos werden.
Ingram beargumenteerde dat de vrede in Europa slechts bewaard werd door het
‘boemerangeffect’. De militaire driften werden alleen beperkt in Europa omdat
ze deze driften in andere werelddelen gingen uitten. Uiteindelijk zouden deze
driften ook weer terug komen naar Europa toen ca. 1870 alle mogelijke kolonies
al ingepikt waren. Europeaanse machten raakte met elkaar in conflict om hun
eigen grenzen te beschermen.