uitgewerkt (UU 2024-25)
Week 1: Europese veiligheid en nationalisme als instrument van
Europese eenwording.
De Graaf: ‘The Legacy of the Wars for the International System’
Beatrice de Graaf onderzoekt in dit hoofdstuk de erfenis van de Napoleontische
oorlogen voor het internationale systeem, met nadruk op de periode na het definitieve
staakt-het-vuren van 1815. Haar stelling is dat deze tijd niet alleen draaide om vrede en
veiligheid, maar ook om nieuwe samenwerkingsvormen tussen grootmachten, met een
imperialistisch karakter.
Volgens aartsbisschop Dominique de Pradt werd Europa in 1819 gedomineerd door
twee kolossale machten: Engeland en Rusland. Er was geen sprake meer van balance
of power, maar van hegemonie. Deze visie werd later bevestigd door historicus Paul
Schroeder, die het Weens Congres zag als een overwinning voor het Britse Rijk en
Rusland. Ondanks dit machtsevenwicht kende Europa een eeuw zonder grootschalige
oorlogen, mede dankzij samenwerking tussen de grootmachten. Recent onderzoek
benadrukt echter ook de rol van kleinere staten binnen dit hiërarchisch systeem.
De overgang naar dit nieuwe systeem begon direct na het armistice van 3 juli 1815, met
de oprichting van de Raad van Ambassadeurs in Parijs. Hier werd de bezetting van
Frankrijk besproken, onder leiding van Castlereagh en Wellington. In plaats van losse
bilaterale akkoorden ontstond een dagelijks overleg tussen ministers en diplomaten.
Het doel: een collectieve aanpak van vrede en veiligheid, geïnspireerd door eerdere
ervaringen, maar met sterkere samenwerking.
De Raad formuleerde vier kernprincipes: demilitarisatie, de-Napoleonisation,
stabilisatie en betaling van reparaties. Dit alles moest zorgen voor blijvende vrede en
orde. Tussen 1815 en 1818 werd dit grotendeels gerealiseerd: het Franse leger werd
hervormd, de Bonapartes verbannen, en Frankrijk betaalde bijna 1.9 miljard francs aan
herstelbetalingen.
De Raad had ook praktische macht: hij voerde hervormingen in en richtte onder leiding
van Justus von Gruner een Europese inlichtingendienst op. De bouw van de Wellington
Barrier, gefinancierd door Frankrijk, versterkte de grensveiligheid en moedigde
deelname van kleinere staten aan.
De Geallieerde Raad groeide uit tot een forum waarin ministers, diplomaten, politie en
bankiers samenwerkten. Deze samenwerking, geworteld in zowel Verlichtingsdenken
als christelijke ideeën, leidde tot een systeem van Europese stratificatie: de vier grote
machten namen de leiding, terwijl kleinere staten slechts in subcommissies deelnamen.
De Quadruple Alliantie belichaamde dit nieuwe machtsevenwicht.
Naast de Geallieerde Raad ontstonden nieuwe overlegstructuren, zoals de Conférence
de Cinq Courts Médiatrices in 1817. Hoewel deze niet altijd succesvol waren, legden ze
,wel de basis voor een nieuwe Europese conferentiecultuur, gericht op het gezamenlijk
bespreken en beheersen van veiligheidsdreigingen.
De strijd tegen 'Terror', opgevat als zowel revolutionaire als despotische dreiging,
verenigde de staten in een nieuw veiligheidssysteem. Deze orde was hiërarchisch en
imperialistisch, met sterke focus op controle, uitsluiting en economische exploitatie.
Europa werd als het ware intern gekoloniseerd, terwijl collectieve acties tegen piraterij
en andere dreigingen het internationale bereik vergrootten.
In de jaren na 1815 leidde dit tot gezamenlijke interventies, zoals in Spanje (1823), en
plannen voor verdere interventies, o.a. in Algerije. Maar door de Monroe-doctrine en
onderlinge verdeeldheid verzwakte de samenwerking. Na 1818 verschoven de
dreigingen: niet langer Napoleon, maar interne hervormingsbewegingen vormden het
grootste gevaar. Het systeem raakte steeds meer onder druk.
Toch leefde de conferentiepraktijk voort. In de tweede helft van de negentiende eeuw
vond een nieuwe golf van professionele conferenties plaats, gericht op technische,
economische en militaire samenwerking. Deze vormden de blijvende erfenis van het
post-Napoleontisch samenwerkingsmodel, met de grootmachten als drijvende kracht,
maar de conferenties als fundament van het internationale systeem
Ozavci: ‘A New Era? The Vienna Order and the Ottoman World’
Ozavci bespreekt hoe de Vienna Orde (vanaf 1815) zich verhield tot het Ottomaanse
Rijk, en hoe dit leidde tot de opkomst van de Oosterse Kwestie en de Griekse
Onafhankelijkheidsoorlog. Na het Congres van Wenen probeerden de Grote
Mogendheden (Oostenrijk, Groot-Brittannië, Pruisen, Rusland, later Frankrijk) een
nieuw internationaal systeem te vestigen, gebaseerd op samenwerking en consultatie.
De centrale vraag is of deze orde ook de Levant (= de oostelijke oever van de
Middellandse Zee) omvatte.
Het Ottomaanse Rijk werd uitgenodigd om aan het Congres deel te nemen, maar wees
die uitnodiging af – vooral onder invloed van Halet Efendi, die de Europese diplomatie
wantrouwde. Ook een voorstel in 1815 om Ottomaanse gebieden te garanderen in ruil
voor handelsprivileges werd afgewezen, uit angst voor Europese inmenging. Door zich
afzijdig te houden, miste het Rijk de kans om deel te nemen aan het collectieve
veiligheidssysteem. Hoewel dit systeem unilaterale interventies bemoeilijkte, stonden
collectieve interventies wél open, zoals bleek bij de Griekse
Onafhankelijkheidsoorlog (1821-1832). De opstand begon met de Philike Hetairia,
en hoewel de mogendheden eerst terughoudend waren, kantelde de houding door
publieke verontwaardiging over Ottomaanse wreedheden.
Rusland speelde een steeds actievere rol, wat leidde tot de Conventie van Londen
(1827) en de Slag bij Navarino, waarin de geallieerde vloten de Ottomaans-Egyptische
vloot vernietigden. Dit mondde uit in een Russisch-Ottomaanse oorlog (1828-1829)
en het Verdrag van Edirne, waarin Rusland territoriale winsten behaalde en
Griekenland als autonoom erkend werd. In 1832 werd Griekenland volledig
onafhankelijk.
, Ozavci concludeert dat de Ottomaanse weigering om deel te nemen aan de Vienna Orde
leidde tot isolement en strategische kwetsbaarheid. Voor de Ottomanen begon het
nieuwe imperiale tijdperk pas echt in 1827, met de slag bij Navarino – niet in 1815.
Vragen bij de Graaf & Ozavci:
Het ‘Concert van Europa’ kan gezien worden als de eerste internationale poging om
veiligheid te creëren in Europa. Hoe zou je het European Concert typeren? Was het net als
de Europese Unie nu een echte organisatie met een hoofdkwartier in een van de Europese
hoofdsteden? Was het een partnerschap tussen gelijken? Hadden het Congres en de EU
vergelijkbare leden? Gebruik het artikel van Beatrice de Graaf en de bijbehorende primaire
bron over het Pitt-plan. Dit plan werd in 1803 voorgesteld door de Britse premier William
Pitt de Jonge en kan worden beschouwd als een eerste schets van het Europese concert
zoals het zou ontstaan na de Napoleontische oorlogen.
Het concert van Europa was een diplomatieke samenkomst/samenwerking
tussen de groot- en middenmachten van Europa. De samenwerking was gebaseerd op
vier kernwaardes (demilitarisatie, de-Napoleonisatie, stabilisatie en reparaties). Ze
kwamen regelmatig samen om interventies en internationaal beleid te bespreken
omtrent bijvoorbeeld de economie of veiligheid. Deze vergaderingen kende geen vast
hoofdkwartier zoals de hedendaagse EU, de vergaderingen waren ook minder actief en
minder omvattend dan de hedendaagse EU. Ook was er – anders dan in de hedendaagse
EU – een sterke hiërarchie binnen de raad. De leden die elk land vertegenwoordigden
waren vaak (enkele) mensen van hogere status, wat ook weer anders is dan de
hedendaagse EU waar ieder burger in principe een vertegenwoordiger kon worden. Als
laatste was de organisatie van het Europese concert vergelijkbaar met de hedendaagse
EU; ondanks dat de schaal veel kleiner was, richtte de raad ook allerlei collectieve sub-
organisaties zoals bijvoorbeeld een inlichtingendienst.
De Europese Unie ziet zichzelf als een ‘normative power’ die zich wil inzetten voor
internationale vrede en veiligheid voor iedereen, ook buiten Europa. De Europese Unie
zegt niet te geloven in machtspolitiek maar in internationale politieke samenwerking met
alle landen van de wereld op basis van gelijkheid. Hoe belangrijk waren die beginselen
voor het Concert van Europa in de 19de eeuw. Gebruik bij de beantwoording van deze
vraag het artikel van Ozan Ozavci.
Het beginsel ‘machtsgelijkheid’ was vrij belangrijk voor het concert van Europa.
Echter valt het wel op dat het vaak alleen betrekking heeft op de vijf Europese
grootmachten, en niet zo zeer op het internationale podium. Dit blijkt uit de tekst van
Ozavci, omdat de grootmachten interventies pleegden in de Levant zonder de
desbetreffende landen te betrekken bij de vergaderingen. De Europese grootmachten
tonen juist wel meer een vorm van machtspolitiek dan een internationale
samenwerking, wat zich toont in bijvoorbeeld de Russisch-Ottomaanse oorlog.