Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
College aantekeningen

Nederlandse geschiedenis - Hoorcolleges prehistorie, oudheid en Middeleeuwen (HC 1, 2. 3 en 4.b) 2025/2026

Beoordeling
-
Verkocht
1
Pagina's
53
Geüpload op
05-04-2026
Geschreven in
2025/2026

Goed uitgeschreven tekst en punten van de hoorcolleges

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

HC 1


Tot voor kort liet men de Nederlandse geschiedenis beginnen in de Romeinse tijd. De reden
daarvoor was dat er voor de periode daarvoor geen geschreven bronnen beschikbaar
waren, waardoor men aannam dat er geen geschiedenis over geschreven kon worden. Alles
wat daaraan voorafging, werd onder de noemer prehistorie geplaatst: een periode die
uitsluitend via archeologisch onderzoek benaderd kon worden. Die term suggereerde
impliciet dat geschiedenis pas begint zodra er geschreven taal bestaat. Tegenwoordig wordt
daar anders tegenaan gekeken. Ook de prehistorie wordt nu als volwaardig onderdeel van
de geschiedenis beschouwd. Vanuit die verschuiving is het vakgebied deep history ontstaan,
dat probeert de geschiedenis van de mensheid vanaf de eerste moderne mens te
bestuderen. Dit is nadrukkelijk een interdisciplinair veld, waarin historici samenwerken met
archeologen, paleogenetici en andere wetenschappers. Daardoor bestaat inmiddels ook
veel kennis over de zogenoemde prehistorie van het gebied dat nu Nederland is. Een
belangrijke synthese daarvan is samengebracht in een omvangrijk werk van archeoloog
Laura Kooijmans.

De cursus kenmerkt zich door een behandeling van de Nederlandse geschiedenis in grote
stappen. In dit deel staan de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen centraal. In de
daaropvolgende colleges komen de centrale middeleeuwen, de late middeleeuwen en
vervolgens meer thematische benaderingen van de Nederlandse geschiedenis aan bod.
Daarna wordt de lijn voortgezet naar de vroegmoderne periode, de Republiek, de moderne
tijd met het Koninkrijk der Nederlanden en uiteindelijk de periode na de Tweede
Wereldoorlog. Binnen deze opbouw ligt de focus eerst op de geschiedenis van Nederland in
de oudheid. Daarnaast wordt stilgestaan bij de doelstellingen van het vak: wat er van
studenten verwacht wordt, wat zij in het vak zullen leren, de praktische organisatie, en de
bredere vraag waarom Nederlandse geschiedenis als universitair vak belangrijk is.

In de chronologische lijn bevindt deze fase zich in de ijzertijd. Rond 50 voor Christus
verschijnen de Romeinen in dit gebied. Hoewel zij al sinds de zesde eeuw in Gallië
aanwezig waren, werd het noordelijke deel van Gallië — het gebied tot aan de grote rivieren
— pas onder Julius Caesar actief veroverd. Caesar viel het gebied binnen, bracht het onder
Romeins gezag en vormde er een nieuwe provincie van: Gallia Comata, genoemd naar het
lange haar van de bewoners. Over deze periode is meer bekend doordat Caesar zelf een
verslag naliet in zijn Commentarii de Bello Gallico. Daarin beschreef hij de Belgae, de
bewoners van Gallië, als mensen die het verst verwijderd waren van beschaving en cultuur,
juist omdat kooplieden hen zelden bezochten en nauwelijks luxegoederen invoerden.
Volgens Caesar maakte juist die afstand tot de ‘beschaafde’ wereld hen tot de dapperste
mensen.

Aan Caesars werk moet echter niet al te veel gewicht worden toegekend als objectieve bron.
Het diende waarschijnlijk vooral om zijn politieke positie in Rome te versterken en minder om
een nauwkeurige etnografische of geografische beschrijving te geven. Lange tijd werd zelfs
gedacht dat hij nooit daadwerkelijk in het huidige Nederlandse gebied was geweest.
Archeologisch onderzoek heeft echter bevestigd dat hij hier wel degelijk aanwezig was. In 55
voor Christus versloeg hij bij Kessel en Lith, in oostelijk Noord-Brabant, twee Germaanse

,stammen: de Tencteri en de Usipeti. Daarmee is archeologisch aangetoond dat Caesars
veldtochten zich daadwerkelijk tot dit gebied uitstrekten.

De definitieve Romeinse verovering van het gebied van de Nederlanden tot aan de grote
rivieren, met de Rijn als grens, werd uiteindelijk voltooid in 12 voor Christus door Nero
Claudius Drusus, de stiefzoon van Augustus en stadhouder over Gallië. In deze fase werden
overeenkomsten gesloten met de lokale bevolking en werd de Romeinse macht in het
gebied duurzaam verankerd.

In de Romeinse periode kregen groepen in het gebied nieuwe namen, en juist dat maakt het
noodzakelijk om scherp te blijven op de vraag wat zulke benamingen eigenlijk betekenen.
Nieuwe namen wijzen niet automatisch op volledig nieuwe bevolkingsgroepen. In veel
gevallen ging het om bestaande, lokaal wonende groepen die zich anders organiseerden of
in nieuwe politieke verbanden terechtkwamen. De Friezen vormen daarvan een vroeg
voorbeeld. Zij zijn bekend doordat zij in 28 na Christus in opstand kwamen tegen de
Romeinen, omdat zij vonden dat zij te veel koeienhuiden moesten afdragen als tribuut.

De meest opvallende opstand van lokale inwoners was echter die van Julius Civilis in 69 na
Christus. Dat was een periode van grote politieke onrust in Rome, waardoor het een gunstig
moment was om in opstand te komen. Civilis is juist zo interessant omdat uit zijn naam al
blijkt hoe sterk de Romeinse invloed was: hij bezat het Romeinse burgerrecht, had
vijfentwintig jaar in de Romeinse hulptroepen gediend en droeg een Latijnse naam. Zijn
motieven kunnen uiteenlopen. Mogelijk wilde hij de moord op zijn broer wreken, maar het
kan ook zijn dat hij probeerde het gezag van zijn koninklijke familie binnen de Bataafse
groep te herstellen. De opstand was aanvankelijk succesvol. Hij sloot een verbond met de
Cananefaten en wist het Romeinse fort Castra Vetera bij Xanten te veroveren. Nadat de
Romeinen zich echter hadden gereorganiseerd, werd de opstand neergeslagen. Daarna
volgde een periode van relatieve rust, zowel in het Romeinse Rijk als in het Nederlandse
deel daarvan. In die fase ontstond een gedeelde Bataafs-Romeinse cultuur.

Deze fase van de Pax Romana eindigde in de tweede helft van de derde eeuw, toen nieuwe
invallen plaatsvonden door Goten, Saksen en Franken. Zulke nieuwe namen mogen niet
automatisch gelezen worden als aanwijzing voor volledig nieuwe bevolkingen. Naamgeving
is geen betrouwbare indicator voor continuïteit of discontinuïteit van bewoning, noch voor de
etnische samenstelling van bewoners.

Julius Civilis kreeg later een belangrijke plaats in het collectieve geheugen. Niet alleen werd
hij vereeuwigd door Rembrandt, ook de Bataafse Republiek greep later terug op het beeld
van een Nederlander die in opstand kwam tegen vreemde overheersing. Zijn opstand bleef
daardoor doorwerken als politiek en cultureel symbool.

Vanaf de eerste eeuw ontstond de grens die bekendstaat als de Limes. Ten zuiden van deze
grens viel het gebied onder Romeins bestuur. De Romeinen organiseerden er militaire
controle en richtten de economie in. Toch was de Limes nooit een volledig gesloten grens.
Het functioneerde vooral als contactzone met de bevolking ten noorden ervan. Er werd
intensief gehandeld en er waren voortdurende wederzijdse culturele invloeden, wat zichtbaar
is in de materiële cultuur. Daarom moet deze grens niet worden opgevat als een
ondoordringbare muur, maar eerder als een overgangsgebied tussen Germaanse
samenlevingen in het noorden en de sterker geromaniseerde cultuur in het zuiden.

,Ten zuiden van de Limes was de handel sterk verbonden met zuidelijkere delen van het rijk.
Mediterrane producten bereikten dit gebied en werden zelfs doorgevoerd naar Brittannië. In
het huidige België en in Limburg ontstonden grote archeologische complexen en villa’s naar
Romeins voorbeeld. In het Frankische gebied werd het Latijn gebruikt als schrijftaal voor
administratieve vastlegging. De invloed van het Latijn is ook zichtbaar in Germaanse namen,
zoals die van Julius Civilis. Zo ontstond een gedeelde Latijnse cultuur.

Die vermenging van culturen blijkt ook duidelijk uit de religie. Er werden godheden vereerd
die een combinatie vormden van Romeinse en lokale goden. Een belangrijk voorbeeld
hiervan is Nehalennia. Het samenvoegen van elementen uit verschillende religieuze tradities
wordt syncretisme genoemd. De interacties in het gebied laten zien dat er tegelijkertijd
sprake was van romanisering én germanisering. Door invallen, door het inzetten van
grensgroepen door de Romeinen en door de incorporatie van nieuwe groepen bleef de
samenleving voortdurend in beweging.

Uit deze processen ontstonden nieuwe sociale groepen: gemeenschappen die zichzelf als
groep gingen identificeren, vaak samengesteld uit kleinere groepen. Dat proces van
groepsvorming heet etnogenese. Het idee van vaste, onveranderlijke volkenstammen is
hiervoor misleidend. Het ging juist om tijdelijke en fluïde groepen, die van naam en zelfs van
taal konden veranderen. Wanneer zo’n groep zichzelf als eenheid zag, gebeurde dat vaak
rond een politieke leider, een oorsprongsmythe en een gedeelde geografische herkomst.
Taal en politiek hoefden daarbij niet samen te vallen. De Franken, die in de derde eeuw het
gebied binnentrokken, vormen hiervan een goed voorbeeld: zij waren een verzamelnaam
voor allerlei kleinere Germaanse groepen, waaronder de Chamaven en de Saliërs. De
samenleving moet daarom worden begrepen als sterk fluïde, met groepen die ontstonden,
veranderden en weer verdwenen.

Archeologische vondsten maken deze Romeinse aanwezigheid concreet. Een belangrijk
voorbeeld is een Romeins schip dat ongeveer twintig jaar geleden werd gevonden bij de
aanleg van de Utrechtse wijk Leidsche Rijn. Het schip was ongeveer vijfentwintig meter lang
en werd gebruikt voor vervoer over de Rijn. Op basis van houtdatering wordt het geplaatst
rond 150–200 na Christus.

Een ander belangrijk voorbeeld is de tempel voor de godin Nehalennia, gelegen bij de
huidige Oosterschelde, in de omgeving van Domburg en Colijnsplaat. Hier maakten
schippers de overtocht van het continent naar Brittannië. Zij beloofden bij een veilige
terugkeer een dankoffer te brengen in de vorm van altaren. Een van de bekende inscripties
is afkomstig van een schipper genaamd Vitusonius, afkomstig uit Gallië. Tientallen van zulke
altaren zijn uit de Oosterschelde opgedoken. Dankzij de inscripties is bekend dat schippers
uit een zeer breed gebied kwamen, onder meer uit Gallië en Germania. Sommigen waren
Romeinse burgers, anderen lokale schippers zonder burgerrecht. De inscripties geven
daardoor veel inzicht in de sociale samenstelling van de bevolking. Op de afbeeldingen staat
Nehalennia vaak afgebeeld met haar voeten op een schip en met een mand vruchten in
haar hand, als symbool van bescherming en voorspoedige vaart. Zij werd zowel door de
lokale bevolking als door Romeinen vereerd.

Bij de vraag naar de Romeinse erfenis voor de Nederlandse geschiedenis moet worden
vastgesteld dat de Nederlanden zich aan de uiterste rand van het rijk bevonden. De Limes

, vormde de grens van het Romeinse Rijk, waardoor dit gebied altijd op afstand van Rome lag
en sterk beïnvloed bleef door ontwikkelingen ten noorden van de grens. Ook hier was
opnieuw sprake van een contactzone.

De verspreiding van het christendom bleef in deze periode relatief laat en rudimentair. Er is
slechts één bisschop met zekerheid bekend: Servatius. Hij was eerst bisschop van Tongeren
en later van Maastricht, afkomstig uit Armenië. Vaststaat dat hij in 359 aanwezig was op het
concilie van Rimini. Buiten deze bisschoppelijke aanwezigheid lijkt de verspreiding van het
christendom in de laat-Romeinse periode zeer beperkt te zijn gebleven. Pas in de vroege
middeleeuwen kreeg de kerstening echt betekenis.

In de derde eeuw nam de druk op het gebied verder toe. Er trad een demografische crisis
op, mede door vernatting, waardoor delen van het landschap minder goed bewoonbaar
werden. Tegelijkertijd waren er invallen van nieuwe groepen, waaronder de Franken. Een
deel van deze groepen trad ook op als foederati: bondgenoten en hulptroepen van het
Romeinse leger die de grens hielpen verdedigen. Aan het begin van de vijfde eeuw trokken
bij Mainz Frankische groepen de Rijn over. De Romeinen slaagden er daarna niet meer in
de grensverdediging volledig te herstellen. Dit moment geldt vaak als symbolisch eindpunt
van de Romeinse aanwezigheid in Nederland, al moet daaraan niet te veel absolute
betekenis worden toegekend. Het was geen plotseling einde, maar het resultaat van een
proces dat zich over ongeveer een eeuw uitstrekte.

Een belangrijke bron voor de infrastructuur van het rijk is de Peutingerkaart, een
dertiende-eeuwse kopie van een kaart die oorspronkelijk in de derde eeuw moet zijn
vervaardigd. Deze kaart geeft schematisch het Romeinse Rijk weer, inclusief de
belangrijkste plaatsen en de wegen ertussen. In het Nederlandse gebied zijn onder andere
Leiden en Nijmegen herkenbaar.

De uiteindelijke conclusie over de directe Romeinse erfenis is dat deze op de lange termijn
relatief beperkt bleef. De invloed was merkbaar in de verspreiding van gezag en Latijn tot
aan de grote rivieren, in delen van het wegennet en in sommige nederzettingen die later
opnieuw een rol gingen spelen, zoals Nijmegen. Toch heeft de Romeinse periode uiteindelijk
verrassend weinig tastbaars nagelaten dat op lange termijn zichtbaar bleef.

Na de Romeinse tijd volgt in de vroege middeleeuwen een periode waarin vooral de vijfde
en zesde eeuw moeilijk te reconstrueren zijn. Zowel archeologisch als historisch is het
bronmateriaal schaars. Wel staat vast dat het gebied continu bewoond bleef, al lijkt de
bevolking sterk te zijn afgenomen. Politieke instabiliteit en vernatting maakten vooral de
vijfde eeuw tot een fase van ontvolking en migratie. Tegelijkertijd ontstonden nieuwe
sociaal-politieke verbanden. In de loop van de vijfde en vooral in de zesde eeuw vestigden
zich nieuwe groepen, waardoor de machtsverhoudingen weer duidelijker zichtbaar worden.

Een eerste belangrijke ontwikkeling is de opkomst van de Angelen en Saksen. Deze
groepen trokken via het Noordzeegebied naar Engeland. Zij vestigden zich niet blijvend in
het huidige Nederland, maar bleven vooral aanwezig in Oost- en West-Noord-Duitsland en
in Engeland. Een tweede belangrijke groep kreeg opnieuw de naam Friezen. Deze groep
had echter niets te maken met de Friezen uit de Romeinse tijd; het gaat om een geheel
nieuwe gemeenschap waarvoor een oud label opnieuw werd gebruikt. Zij vestigden zich

Gekoppeld boek

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
5 april 2026
Aantal pagina's
53
Geschreven in
2025/2026
Type
College aantekeningen
Docent(en)
Steensel
Bevat
1 t/m 4 (1e deel)

Onderwerpen

$4.78
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
Rug050

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
Rug050 Rijksuniversiteit Groningen
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1
Lid sinds
6 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
1
Laatst verkocht
1 maand geleden

0.0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen