H10: Uitscheiding
-interne milieu
-homeostase
-temperatuurregeling
-ademhaling
-longdiffusie
-ontstoken luchtwegen
-nieren
-lever
BINAS nummers:
67CE(+2)
68E
82CDE
83ABDH
84AHL
85ABCD
87B
88BC(+1)
89A
, Uitscheiden = het afvoeren van afvalstoffen uit de cellen
Het bloed en het weefselvloeistof van een dier vormen het interne milieu, de
omgeving buiten het dier is het externe milieu. Homeostase is de min of meer
stabiele toestand van het interne milieu, als de homeostase in een dier niet
gehandhaafd kan worden, gaat het dier dood. Om de homeostase te handhaven
moeten energie en stoffen worden aan- en afgevoerd.
Het intern milieu van mens en dier moet binnen zeer nauwe grenzen constant blijven
om alle chemische processen in het lichaam optimaal te laten verlopen. Factoren die
constant moeten blijven zijn o.a. suikergehalte van het bloed, de pH, de osmotische
waarde van de lichaamsvloeistoffen en het zuurstofgehalte. Ook de temperatuur van
het lichaam kan binnen nauwe grenzen gehouden worden. De omstandigheden in
het externe milieu wisselen voortdurend, er moeten dus allerlei regelsystemen zijn
om de omstandigheden in het interne milieu stabiel te houden. Het belangrijkste
regelsysteem is de negatieve terugkoppeling (feedback).
Een sensor (receptor) is een zintuig dat veranderingen in het interne milieu
waarneemt en doorgeeft aan een controlecentrum, het belangrijkste controlecentrum
is de hypothalamus. Het controlecentrum kan organen (effectoren) aan het werk
zetten als de veranderingen in het interne milieu een bepaalde waarde (setpoint)
overschreden hebben. Het effect wordt gemeten door de sensor. Als de situatie in
het interne milieu weer normaal is, wordt dat doorgegeven aan het controlecentrum
en worden de effectoren weer uitgezet. Sensoren kunnen in het controlecentrum
liggen, maar ze kunnen ook buiten het controlecentrum liggen.
Sensoren, controlecentrum en effectoren staan met elkaar in
verbinding door middel van het zenuwstelsel en/of door
midden van het hormoonstelsel (=endocriene stelsel).
Zenuwen bestaan uit zenuwcellen, en zenuwcellen hebben
zeer lange uitlopers. Gegevens worden via die uitlopers
doorgeseind door midden van impulsen (stroomstootjes).
Hormonen zijn regelende stoffen die via het bloed naar de
plaats van bestemming worden gebracht.
De homeostase wordt voor een belangrijk deel geregeld vanuit de hypothalamus en
het verlengde merg, de hypothalamus staat in contact met de hypofyse. Hormonen
worden vanuit hormoonklieren via het bloed door het hele lichaam vervoerd, ze
kunnen bepaalde cellen aan het werk zetten.
-interne milieu
-homeostase
-temperatuurregeling
-ademhaling
-longdiffusie
-ontstoken luchtwegen
-nieren
-lever
BINAS nummers:
67CE(+2)
68E
82CDE
83ABDH
84AHL
85ABCD
87B
88BC(+1)
89A
, Uitscheiden = het afvoeren van afvalstoffen uit de cellen
Het bloed en het weefselvloeistof van een dier vormen het interne milieu, de
omgeving buiten het dier is het externe milieu. Homeostase is de min of meer
stabiele toestand van het interne milieu, als de homeostase in een dier niet
gehandhaafd kan worden, gaat het dier dood. Om de homeostase te handhaven
moeten energie en stoffen worden aan- en afgevoerd.
Het intern milieu van mens en dier moet binnen zeer nauwe grenzen constant blijven
om alle chemische processen in het lichaam optimaal te laten verlopen. Factoren die
constant moeten blijven zijn o.a. suikergehalte van het bloed, de pH, de osmotische
waarde van de lichaamsvloeistoffen en het zuurstofgehalte. Ook de temperatuur van
het lichaam kan binnen nauwe grenzen gehouden worden. De omstandigheden in
het externe milieu wisselen voortdurend, er moeten dus allerlei regelsystemen zijn
om de omstandigheden in het interne milieu stabiel te houden. Het belangrijkste
regelsysteem is de negatieve terugkoppeling (feedback).
Een sensor (receptor) is een zintuig dat veranderingen in het interne milieu
waarneemt en doorgeeft aan een controlecentrum, het belangrijkste controlecentrum
is de hypothalamus. Het controlecentrum kan organen (effectoren) aan het werk
zetten als de veranderingen in het interne milieu een bepaalde waarde (setpoint)
overschreden hebben. Het effect wordt gemeten door de sensor. Als de situatie in
het interne milieu weer normaal is, wordt dat doorgegeven aan het controlecentrum
en worden de effectoren weer uitgezet. Sensoren kunnen in het controlecentrum
liggen, maar ze kunnen ook buiten het controlecentrum liggen.
Sensoren, controlecentrum en effectoren staan met elkaar in
verbinding door middel van het zenuwstelsel en/of door
midden van het hormoonstelsel (=endocriene stelsel).
Zenuwen bestaan uit zenuwcellen, en zenuwcellen hebben
zeer lange uitlopers. Gegevens worden via die uitlopers
doorgeseind door midden van impulsen (stroomstootjes).
Hormonen zijn regelende stoffen die via het bloed naar de
plaats van bestemming worden gebracht.
De homeostase wordt voor een belangrijk deel geregeld vanuit de hypothalamus en
het verlengde merg, de hypothalamus staat in contact met de hypofyse. Hormonen
worden vanuit hormoonklieren via het bloed door het hele lichaam vervoerd, ze
kunnen bepaalde cellen aan het werk zetten.