ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
Pedagogische Wetenschappen
,Inhoudsopgave
HC1 - ontwikkelingspsychologie..................................................................................................................... 2
HC1 – onderzoek doen................................................................................................................................... 3
HC1 – prenatale ontwikkeling........................................................................................................................ 6
HC1 – perinatale ontwikkeling...................................................................................................................... 10
SAMENVATTING WEEK 1.............................................................................................................................. 11
HC2 - cognitieve ontwikkeling...................................................................................................................... 12
HC2 - Piaget................................................................................................................................................. 13
HC2 – Vygotsky............................................................................................................................................ 16
HC2 – informatieverwerkingstheorie............................................................................................................ 18
HC3 – taal- en communicatievaardigheden................................................................................................... 21
HC4 – Executieve functies............................................................................................................................ 26
HC5 – agressie.............................................................................................................................................. 30
HC5 – altruïsme........................................................................................................................................... 33
HC5 – moreel............................................................................................................................................... 35
HC6 – emotionele ontwikkeling.................................................................................................................... 37
HC6 – hechting............................................................................................................................................. 40
HC7 - sekseverschillen en genderontwikkeling.............................................................................................. 44
1
,HC1 - ontwikkelingspsychologie
Ontwikkeling: de ordelijke, systematische voortgang en verandering over de levensloop op
fysieke, biologische en/of psychologische gebieden als gevolg van biologische rijping
(maturation) en/of leren.
psychologische gebieden: lichamelijk cognitief, metacognitief, sociaal, emotioneel
Ontwikkelingspsychologie is een brede multidisciplinaire wetenschappelijke discipline met
als doel ontwikkeling (prenataal, perinataal en postnataal) te beschrijven (= observeren,
kijken naar normative development (typische patronen) en ideographic development
(individuele variatie binnen patronen)), verklaren (= waarom mensen ontwikkelen en
waarom mensen anders ontwikkelen, binnen en tussen individuen) en te optimaliseren (=
het geleerde toepassen om mensen te helpen).
Developmentalist: iemand die zich bezighoudt met het begrijpen van het
ontwikkelingsproces.
Wat we tot nu toe geleerd hebben: ontwikkeling is een (dis)continu en cumulatief proces (=
we worden gevormd door ervaringen (zeker de eerste 12 jaar)) dat holistisch (= dingen zijn
met elkaar verbonden: fysiek, cognitief en psychosociaal) en zeer plastisch is (= capaciteiten
om te reageren op ervaringen) en wordt beïnvloed door personen, omgeving, historie en
cultuur.
Levensperioden:
prenataal - conceptie tot geboorte
infancy - geboorte tot 18 maanden
toddlerhood - 18 maanden tot 3 jaar
preschool period - 3 jaar tot 5 jaar
middle childhood - 5 jaar tot 12 jaar
adolescentie - 12 jaar tot 20 jaar
jong volwassene - 20 jaar tot 40 jaar
middle age - 40 jaar tot 65 jaar
old age - vanaf 65 jaar
Model van Bronfenbrenner
Invloeden op ontwikkeling:
Normatieve leeftijds gerelateerde invloeden: biologische en omgevingsinvloeden die
bij een bepaalde leeftijdsgroep horen, gelden voor alle individuen
Normatieve geschiedenis gerelateerde invloeden: invloeden behorend bij een
bepaalde generatie of cohorten
Niet-normatieve life events: invloeden die een grote impact hebben maar die unieke
zijn voor een individu
Ontwikkelingspsychologie heeft ethische richtlijnen: kwetsbaarheden in acht nemen, kosten-
baten analyse, respect van rechten en autonomie deelnemers
2
, HC1 – onderzoek doen
Wetenschappelijke methode: gebruik van objectieve data, valide (meten juiste concept) en
betrouwbare (consistentie bij herhaling, interrator reliability = bij verschillende
observatoren, temporal stability = over tijd) methoden om de levensvatbaarheid van
theorieën (= een set van concepten en voorstelen met als doel om iets te omschrijven en te
verklaren) en hypothesen (= een theoretische verklaring van iets) te bepalen. Het is een
bescherming voor de wetenschappelijke community tegen gebrekkige redenering.
Soorten onderzoek voor data verzameling
Type onderzoek Soort onderzoek Wat is het? Voor- en nadelen
Zelf-rapportages Interview Mondelingen antwoorden op Nadelen: kinderen die taal niet goed
structured: vragen beheersen kunnen niet altijd accuraat
dezelfde vragen in Vragenlijst Vragen op papier antwoorden, participanten kunnen zich
dezelfde volgorde Dagboekstudie Participanten schrijven anders voordoen, participanten kunnen de
bij alle antwoorden op vragen op, op vragen anders interpreteren, als er
participanten een bepaald moment verschillende kampen (bv. ouder en kind)
geïnterviewd worden moet er een keuze
gemaakt worden in wie het meest
betrouwbaar is.
Voordelen: grote hoeveelheid betrouwbare
informatie in een korte tijd
Klinische methoden x Wanneer er een bepaalde Nadelen: flexibiliteit van het onderzoek zorgt
hypothese getest moet worden. ervoor dat vergelijken met participanten
De onderzoeker reageert op de moeilijk is, onderzoekers bias bij de volgende
vorige vraag/ probleem. vragen en bij interpretatie, subjectief
Voordelen: grote hoeveelheid informatie in
een korte tijd, groter begrip op onderliggende
betekenis van de reacties
Observatieve Naturalistic Observeren van personen in Nadelen: gedrag kan zelden voorkomen,
methoden observation hun natuurlijke habitat om een gedrag is niet wenselijk dus wordt niet
specifieke hypothese over getoond, gedrag kan niet voorkomen of je
gedrag te onderzoeken gedraagt je anders omdat er iemand naar je
kijkt
Voordelen: kan bij kinderen gebruikt worden
die nog geen taal beheersen, zegt iets over
het dagelijks leven
Time-sampling Gedrag wordt in bepaalde
tijdperiodes bekeken
Structured In het lab. Elke participant Nadelen: gedrag hoeft niet hetzelfde te zijn
observation wordt blootgesteld aan dingen als in het dagelijks leven.
die gedrag kunnen uitlokken,
het wordt bekeken achter glas/ Voordelen: gedrag wat zelden voorkomt kan
camera toch geobserveerd worden, elke participant
wordt tot hetzelfde blootgesteld en heeft een
gelijkwaardige kans om het gedrag te laten
zien
3
Pedagogische Wetenschappen
,Inhoudsopgave
HC1 - ontwikkelingspsychologie..................................................................................................................... 2
HC1 – onderzoek doen................................................................................................................................... 3
HC1 – prenatale ontwikkeling........................................................................................................................ 6
HC1 – perinatale ontwikkeling...................................................................................................................... 10
SAMENVATTING WEEK 1.............................................................................................................................. 11
HC2 - cognitieve ontwikkeling...................................................................................................................... 12
HC2 - Piaget................................................................................................................................................. 13
HC2 – Vygotsky............................................................................................................................................ 16
HC2 – informatieverwerkingstheorie............................................................................................................ 18
HC3 – taal- en communicatievaardigheden................................................................................................... 21
HC4 – Executieve functies............................................................................................................................ 26
HC5 – agressie.............................................................................................................................................. 30
HC5 – altruïsme........................................................................................................................................... 33
HC5 – moreel............................................................................................................................................... 35
HC6 – emotionele ontwikkeling.................................................................................................................... 37
HC6 – hechting............................................................................................................................................. 40
HC7 - sekseverschillen en genderontwikkeling.............................................................................................. 44
1
,HC1 - ontwikkelingspsychologie
Ontwikkeling: de ordelijke, systematische voortgang en verandering over de levensloop op
fysieke, biologische en/of psychologische gebieden als gevolg van biologische rijping
(maturation) en/of leren.
psychologische gebieden: lichamelijk cognitief, metacognitief, sociaal, emotioneel
Ontwikkelingspsychologie is een brede multidisciplinaire wetenschappelijke discipline met
als doel ontwikkeling (prenataal, perinataal en postnataal) te beschrijven (= observeren,
kijken naar normative development (typische patronen) en ideographic development
(individuele variatie binnen patronen)), verklaren (= waarom mensen ontwikkelen en
waarom mensen anders ontwikkelen, binnen en tussen individuen) en te optimaliseren (=
het geleerde toepassen om mensen te helpen).
Developmentalist: iemand die zich bezighoudt met het begrijpen van het
ontwikkelingsproces.
Wat we tot nu toe geleerd hebben: ontwikkeling is een (dis)continu en cumulatief proces (=
we worden gevormd door ervaringen (zeker de eerste 12 jaar)) dat holistisch (= dingen zijn
met elkaar verbonden: fysiek, cognitief en psychosociaal) en zeer plastisch is (= capaciteiten
om te reageren op ervaringen) en wordt beïnvloed door personen, omgeving, historie en
cultuur.
Levensperioden:
prenataal - conceptie tot geboorte
infancy - geboorte tot 18 maanden
toddlerhood - 18 maanden tot 3 jaar
preschool period - 3 jaar tot 5 jaar
middle childhood - 5 jaar tot 12 jaar
adolescentie - 12 jaar tot 20 jaar
jong volwassene - 20 jaar tot 40 jaar
middle age - 40 jaar tot 65 jaar
old age - vanaf 65 jaar
Model van Bronfenbrenner
Invloeden op ontwikkeling:
Normatieve leeftijds gerelateerde invloeden: biologische en omgevingsinvloeden die
bij een bepaalde leeftijdsgroep horen, gelden voor alle individuen
Normatieve geschiedenis gerelateerde invloeden: invloeden behorend bij een
bepaalde generatie of cohorten
Niet-normatieve life events: invloeden die een grote impact hebben maar die unieke
zijn voor een individu
Ontwikkelingspsychologie heeft ethische richtlijnen: kwetsbaarheden in acht nemen, kosten-
baten analyse, respect van rechten en autonomie deelnemers
2
, HC1 – onderzoek doen
Wetenschappelijke methode: gebruik van objectieve data, valide (meten juiste concept) en
betrouwbare (consistentie bij herhaling, interrator reliability = bij verschillende
observatoren, temporal stability = over tijd) methoden om de levensvatbaarheid van
theorieën (= een set van concepten en voorstelen met als doel om iets te omschrijven en te
verklaren) en hypothesen (= een theoretische verklaring van iets) te bepalen. Het is een
bescherming voor de wetenschappelijke community tegen gebrekkige redenering.
Soorten onderzoek voor data verzameling
Type onderzoek Soort onderzoek Wat is het? Voor- en nadelen
Zelf-rapportages Interview Mondelingen antwoorden op Nadelen: kinderen die taal niet goed
structured: vragen beheersen kunnen niet altijd accuraat
dezelfde vragen in Vragenlijst Vragen op papier antwoorden, participanten kunnen zich
dezelfde volgorde Dagboekstudie Participanten schrijven anders voordoen, participanten kunnen de
bij alle antwoorden op vragen op, op vragen anders interpreteren, als er
participanten een bepaald moment verschillende kampen (bv. ouder en kind)
geïnterviewd worden moet er een keuze
gemaakt worden in wie het meest
betrouwbaar is.
Voordelen: grote hoeveelheid betrouwbare
informatie in een korte tijd
Klinische methoden x Wanneer er een bepaalde Nadelen: flexibiliteit van het onderzoek zorgt
hypothese getest moet worden. ervoor dat vergelijken met participanten
De onderzoeker reageert op de moeilijk is, onderzoekers bias bij de volgende
vorige vraag/ probleem. vragen en bij interpretatie, subjectief
Voordelen: grote hoeveelheid informatie in
een korte tijd, groter begrip op onderliggende
betekenis van de reacties
Observatieve Naturalistic Observeren van personen in Nadelen: gedrag kan zelden voorkomen,
methoden observation hun natuurlijke habitat om een gedrag is niet wenselijk dus wordt niet
specifieke hypothese over getoond, gedrag kan niet voorkomen of je
gedrag te onderzoeken gedraagt je anders omdat er iemand naar je
kijkt
Voordelen: kan bij kinderen gebruikt worden
die nog geen taal beheersen, zegt iets over
het dagelijks leven
Time-sampling Gedrag wordt in bepaalde
tijdperiodes bekeken
Structured In het lab. Elke participant Nadelen: gedrag hoeft niet hetzelfde te zijn
observation wordt blootgesteld aan dingen als in het dagelijks leven.
die gedrag kunnen uitlokken,
het wordt bekeken achter glas/ Voordelen: gedrag wat zelden voorkomt kan
camera toch geobserveerd worden, elke participant
wordt tot hetzelfde blootgesteld en heeft een
gelijkwaardige kans om het gedrag te laten
zien
3