Samenvatting ziekteleer Neurologie,
zintuigen en anesthesiologie
Table of Contents
Zenuwstelsel............................................................................3
Neurologische verschijnselen met betrekking tot lokalisatie van de
laesie..............................................................................................3
Aandoeningen van het cerebrum................................................................................3
Aandoeningen van de hersenstam en kopzenuwen....................................................3
Aandoeningen van het cerebellum (kleine hersenen).................................................5
Aandoeningen van het vestibulair systeem................................................................5
Aandoeningen van het ruggenmerg...........................................................................5
Aandoeningen van de perifere zenuwen en neuromusculaire overgang.....................6
Neuropathologie..............................................................................7
Algemeen reactiepatroon op celniveau......................................................................7
Algemeen reactiepatroon op weefselniveau...............................................................7
Circulatiestoornissen.................................................................................................. 8
Traumatische en degeneratieve veranderingen..........................................................8
Aandoeningen van de hersenen........................................................9
Ontwikkelingsstoornissen........................................................................................... 9
Ontstekingen............................................................................................................ 10
Prionziekten: ‘Transmissible spongiform encephalopathies’ (TSE) aangifteplichtig ..14
Hersenletsel.............................................................................................................. 15
Metabole aandoeningen........................................................................................... 15
Deficiënties............................................................................................................... 16
Intoxicaties............................................................................................................... 16
Neoplasieën.............................................................................................................. 17
Overige aandoeningen............................................................................................. 18
Aandoeningen van het ruggenmerg en perifere zenuwen.................18
Trauma..................................................................................................................... 19
Ontsteking................................................................................................................ 19
Degeneratieve aandoeningen...................................................................................20
Aandoeningen door bacteriële neurotoxinen............................................................22
Deficiënties............................................................................................................... 23
Neoplasieën.............................................................................................................. 24
Overige aandoeningen............................................................................................. 24
Ogen...................................................................................... 24
Pathofysiologie van visusstoornissen..............................................24
Cornea en traanfilm..................................................................................................25
Voorste oogkamer en kamerwater............................................................................25
Lens.......................................................................................................................... 26
Corpus vitreum (glasvocht)......................................................................................26
Retina en tractus opticus.......................................................................................... 26
Algemene maatregelen bij oogaandoeningen..................................26
Traanapparaat...............................................................................26
Oogbol..........................................................................................27
Cornea en sclera............................................................................28
Uvea.............................................................................................29
Lens en vitreum.............................................................................31
1
, Fundus en n. opticus......................................................................31
Oren....................................................................................... 32
De oorschelp (pinna)......................................................................32
De gehoorgang (meatus acusticus externa)....................................33
Het trommelvlies...........................................................................34
Het middenoor (auris media)..........................................................35
Het binnenoor (auris interna).........................................................36
2
,Zenuwstelsel
We maken onderscheid tussen:
o Centrale zenuwstelsel hersenen en ruggenmerg
o Perifere zenuwstelsel buiten CZS gelegen netwerk van
zenuwvezels die prikkels geleiden van CZS naar periferie of
andersom.
Neurologische verschijnselen met betrekking tot
lokalisatie van de laesie
Aandoeningen van het cerebrum
Functiestoornissen van de grote hersenen (cerebrum)
Verminderd bewustzijn
o Somnolentie = slaperigheid, iets verlaagde bewustzijnstoestand
o Sopor = (diepe) slaap waaruit de patiënt met lichte prikkels is te
wekken.
o Stupor = toestand van bewegingloosheid waaruit de patiënt alleen
met sterke prikkels is te wekken.
o Coma = diepe bewusteloosheid, waaruit de patiënt niet is te
wekken.
Veranderd gedrag ( abnormaal gedrag = afwijkend gedrag zonder doel,
zinloos gedrag)
o Dwangbeweging = voortdurend herhalen van zinloze bewegingen of
houdingen (dwanglopen, cirkelen, dringen, loze kauwbewegingen,
ect.)
o Dementie = niet meer vertonen van aangeleerd gedrag en een
verminderd vermogen om gedrag aan te leren.
o Hysterie = excitatie en motorische hyperactiviteit
Blindheid met intacte pupilreflex
Verminderde bewuste proprioceptie ( verminderde houdingsreacties)
Geringe parese (verlies van spierkracht) en ataxie (incoördinatie)
Epilepsieaanvallen
Assymetrie van verschijnselen duidt op eenzijdige, focale laesie.
Aandoeningen van de hersenstam en kopzenuwen
De hersenstam wordt opgedeeld in:
o Mesencefalon (middenhersenen) kopzenuwen III en IV
o Metencefalon (achterhersenen) = cerebellumsteel + pons)
kopzenuw V
o Myelencefalon (medulla oblongata, verlengde merg) kopzenuw
VI t/m XI
De twaalf kopzenuwen “Op ons oude tuin terras aaide Frida voor geld
vele aardige heren”
o I n. Olfactorius
o II n. Opticus
o III n. Oculomotorius
o IV n. Trochlearis
o V n. Trigeminus
3
, o VI n. Abduces
o VII n. Facialis
o VIII n. Vestibulocochlearis
o IX n. Glossopharyngeus
o X n. Vagus
o XI n. Accesorius
o XII n. Hypoglossus
De hersenstam verbindt de cerebrale cortex met het ruggenmerg via
descenderende motorische en ascenderende sensorische banen. De
banen kruisen over in het rostrale mesencephalon.
o Eenzijdige laesies in de grote hersenen en het voorste deel van
mesencephalon leiden tot contralaterale uitvalsverschijnselen
o Eenzijdige laesies in de rest van de hersenstam resulteren in
ipsilaterale (aan dezelfde kant) uitvalsverschijnselen
Versterkte spinale reflexen (hyperreflexie) en verhoogde spiertonus in de
ledematen (spasticiteit) kunnen optreden door het wegvallen van de
remmende invloed van UMN op de perifere zenuwen (LMN).
Ernstig verminderd bewustzijn cortex verantwoordelijk voor inhoud van
het bewustzijn en formatio reticularis voor het niveau. Aantasting van de
formatio reticularis of de verbinding tussen hersenstam en cortex leidt tot
ernstig verminderd bewustzijn.
Ipsilateraal motorische en/of sensorische uitval van de kopzenuwen
door schade aan de hersenstam.
o Mesencephalon:
Mydriasis (grote pupil) aantasting parasympatische deel
van n. oculomotorius
o Metencephalon aantasting n. Trigeminus:
Gevoelloosheid van het gezicht
Atrofie van de kauwspieren
o Myelencephalon:
Aantasting n. facialis gedeeltelijk of gehele facialisparalyse
verlamming mimische musculatuur, afhangend
bovenooglid, afhangend oor, afwezigheid van dreig- en
ooglidreflex, volproppen van de wangzak, wegvallen
traanproductie aan aangetaste zijde keratoconjunctivitis
sicca.
Aantasting n. vestibulocochlearis centrale vestibulaire
ataxie
Aantasting nucleus ambiguus uitvalsverschijnselen van
kopzenuwen IX, X en XI.
Bulbaire paralyse aantasting van slik- en hoestmechanisme door
aantasting van bullus medulla in verlengde merg en medulla oblongata.
o Verslikken
o Speekselen
o Proppen maken
o Uit de bek/mond laten hangen van de tong
o Kan optreden bij loodintoxicatie, thiamine-deficiëntie, listeria-
infectie (vaak eenzijdig), ziekte van Aujeszky en
schedelbasisfractuur met hematoomvorming.
4
zintuigen en anesthesiologie
Table of Contents
Zenuwstelsel............................................................................3
Neurologische verschijnselen met betrekking tot lokalisatie van de
laesie..............................................................................................3
Aandoeningen van het cerebrum................................................................................3
Aandoeningen van de hersenstam en kopzenuwen....................................................3
Aandoeningen van het cerebellum (kleine hersenen).................................................5
Aandoeningen van het vestibulair systeem................................................................5
Aandoeningen van het ruggenmerg...........................................................................5
Aandoeningen van de perifere zenuwen en neuromusculaire overgang.....................6
Neuropathologie..............................................................................7
Algemeen reactiepatroon op celniveau......................................................................7
Algemeen reactiepatroon op weefselniveau...............................................................7
Circulatiestoornissen.................................................................................................. 8
Traumatische en degeneratieve veranderingen..........................................................8
Aandoeningen van de hersenen........................................................9
Ontwikkelingsstoornissen........................................................................................... 9
Ontstekingen............................................................................................................ 10
Prionziekten: ‘Transmissible spongiform encephalopathies’ (TSE) aangifteplichtig ..14
Hersenletsel.............................................................................................................. 15
Metabole aandoeningen........................................................................................... 15
Deficiënties............................................................................................................... 16
Intoxicaties............................................................................................................... 16
Neoplasieën.............................................................................................................. 17
Overige aandoeningen............................................................................................. 18
Aandoeningen van het ruggenmerg en perifere zenuwen.................18
Trauma..................................................................................................................... 19
Ontsteking................................................................................................................ 19
Degeneratieve aandoeningen...................................................................................20
Aandoeningen door bacteriële neurotoxinen............................................................22
Deficiënties............................................................................................................... 23
Neoplasieën.............................................................................................................. 24
Overige aandoeningen............................................................................................. 24
Ogen...................................................................................... 24
Pathofysiologie van visusstoornissen..............................................24
Cornea en traanfilm..................................................................................................25
Voorste oogkamer en kamerwater............................................................................25
Lens.......................................................................................................................... 26
Corpus vitreum (glasvocht)......................................................................................26
Retina en tractus opticus.......................................................................................... 26
Algemene maatregelen bij oogaandoeningen..................................26
Traanapparaat...............................................................................26
Oogbol..........................................................................................27
Cornea en sclera............................................................................28
Uvea.............................................................................................29
Lens en vitreum.............................................................................31
1
, Fundus en n. opticus......................................................................31
Oren....................................................................................... 32
De oorschelp (pinna)......................................................................32
De gehoorgang (meatus acusticus externa)....................................33
Het trommelvlies...........................................................................34
Het middenoor (auris media)..........................................................35
Het binnenoor (auris interna).........................................................36
2
,Zenuwstelsel
We maken onderscheid tussen:
o Centrale zenuwstelsel hersenen en ruggenmerg
o Perifere zenuwstelsel buiten CZS gelegen netwerk van
zenuwvezels die prikkels geleiden van CZS naar periferie of
andersom.
Neurologische verschijnselen met betrekking tot
lokalisatie van de laesie
Aandoeningen van het cerebrum
Functiestoornissen van de grote hersenen (cerebrum)
Verminderd bewustzijn
o Somnolentie = slaperigheid, iets verlaagde bewustzijnstoestand
o Sopor = (diepe) slaap waaruit de patiënt met lichte prikkels is te
wekken.
o Stupor = toestand van bewegingloosheid waaruit de patiënt alleen
met sterke prikkels is te wekken.
o Coma = diepe bewusteloosheid, waaruit de patiënt niet is te
wekken.
Veranderd gedrag ( abnormaal gedrag = afwijkend gedrag zonder doel,
zinloos gedrag)
o Dwangbeweging = voortdurend herhalen van zinloze bewegingen of
houdingen (dwanglopen, cirkelen, dringen, loze kauwbewegingen,
ect.)
o Dementie = niet meer vertonen van aangeleerd gedrag en een
verminderd vermogen om gedrag aan te leren.
o Hysterie = excitatie en motorische hyperactiviteit
Blindheid met intacte pupilreflex
Verminderde bewuste proprioceptie ( verminderde houdingsreacties)
Geringe parese (verlies van spierkracht) en ataxie (incoördinatie)
Epilepsieaanvallen
Assymetrie van verschijnselen duidt op eenzijdige, focale laesie.
Aandoeningen van de hersenstam en kopzenuwen
De hersenstam wordt opgedeeld in:
o Mesencefalon (middenhersenen) kopzenuwen III en IV
o Metencefalon (achterhersenen) = cerebellumsteel + pons)
kopzenuw V
o Myelencefalon (medulla oblongata, verlengde merg) kopzenuw
VI t/m XI
De twaalf kopzenuwen “Op ons oude tuin terras aaide Frida voor geld
vele aardige heren”
o I n. Olfactorius
o II n. Opticus
o III n. Oculomotorius
o IV n. Trochlearis
o V n. Trigeminus
3
, o VI n. Abduces
o VII n. Facialis
o VIII n. Vestibulocochlearis
o IX n. Glossopharyngeus
o X n. Vagus
o XI n. Accesorius
o XII n. Hypoglossus
De hersenstam verbindt de cerebrale cortex met het ruggenmerg via
descenderende motorische en ascenderende sensorische banen. De
banen kruisen over in het rostrale mesencephalon.
o Eenzijdige laesies in de grote hersenen en het voorste deel van
mesencephalon leiden tot contralaterale uitvalsverschijnselen
o Eenzijdige laesies in de rest van de hersenstam resulteren in
ipsilaterale (aan dezelfde kant) uitvalsverschijnselen
Versterkte spinale reflexen (hyperreflexie) en verhoogde spiertonus in de
ledematen (spasticiteit) kunnen optreden door het wegvallen van de
remmende invloed van UMN op de perifere zenuwen (LMN).
Ernstig verminderd bewustzijn cortex verantwoordelijk voor inhoud van
het bewustzijn en formatio reticularis voor het niveau. Aantasting van de
formatio reticularis of de verbinding tussen hersenstam en cortex leidt tot
ernstig verminderd bewustzijn.
Ipsilateraal motorische en/of sensorische uitval van de kopzenuwen
door schade aan de hersenstam.
o Mesencephalon:
Mydriasis (grote pupil) aantasting parasympatische deel
van n. oculomotorius
o Metencephalon aantasting n. Trigeminus:
Gevoelloosheid van het gezicht
Atrofie van de kauwspieren
o Myelencephalon:
Aantasting n. facialis gedeeltelijk of gehele facialisparalyse
verlamming mimische musculatuur, afhangend
bovenooglid, afhangend oor, afwezigheid van dreig- en
ooglidreflex, volproppen van de wangzak, wegvallen
traanproductie aan aangetaste zijde keratoconjunctivitis
sicca.
Aantasting n. vestibulocochlearis centrale vestibulaire
ataxie
Aantasting nucleus ambiguus uitvalsverschijnselen van
kopzenuwen IX, X en XI.
Bulbaire paralyse aantasting van slik- en hoestmechanisme door
aantasting van bullus medulla in verlengde merg en medulla oblongata.
o Verslikken
o Speekselen
o Proppen maken
o Uit de bek/mond laten hangen van de tong
o Kan optreden bij loodintoxicatie, thiamine-deficiëntie, listeria-
infectie (vaak eenzijdig), ziekte van Aujeszky en
schedelbasisfractuur met hematoomvorming.
4