Aantekeningen Staats- en bestuursrecht
Indira van Tilburg Universiteit Utrecht
Week 1:
Literatuur:
In het volkenrecht is de staat, naast volkenrechtelijke organisaties en individuen,
volkenrechtsubject.
In het privaatrecht is de staat een rechtspersoon en als zodanig onderworpen aan dat recht (art.
2:1 BW)
Staatsrecht is het recht dat uitsluitend relaties regelt waarbij de overheid betrokken is.
Ook is het, het primaire recht dat overheidsambtenaren instelt, daaraan bevoegdheden toekent
en hun onderlinge betrekkingen alsmede die tot de onderdanen regelt.
→ het staatsrecht omvat de regels die de totstandkoming gelding en de handhaving van
rechtsnormen regelen, alsmede de regels volgens welke de eerstgenoemde regels mogen
worden gewijzigd. ( het is het primaire, scheppende, funderende recht)
De term rechtstaat houdt geen direct verband met de vraag of de overheid de burgers wel
voldoende onder de duim heeft. Het heeft betrekking op grenzen gesteld aan het optreden van
de overheid en is aldus een element van de regulerende functie.
de term kan worden opgezet tegen twee andere begrippen:
1. Politiestaat, is een begrip dat in de negentiende eeuw duidde op een overheid die min of meer
per geval afhankelijk van de omstandigheden, naar eigen goeddunken optrad.
2. Totalitaire staat, er is geen grens aan de overheidsinterventie. De overheid mag zich met alles
bemoeien.
Zes basiselementen van de rechtstaatsgedachte:
1). Legaliteitsbeginsel. Elk overheidsoptreden moet berusten op een algemene, d.w.z. voor
herhaalde toepassing vatbare regel, hetzij krachtens attributie, krachtens delegatie worden
vastgesteld. Tevens moet dat optreden volgens de algemene regel zijn, qua inhoud en
procedure.
2). Het vereiste van een voorafgaande algemene regel ten aanzien van burgers belastend
optreden. De regel waarvan de overheid optreedt, moet aan dat optreden vooraf zijn gedaan
(art. 16 GW en art. 1 Sr). Onderdaan belastende voorschriften hebben geen terugwerkende
kracht.
3). Veder dienen regelgeving en uitvoering niet in een ambt gelegd te worden. De regelsteller en
de uitvoerder van de regel behoren niet in één ambt verenigd te zijn.
4). Het democtratieprincipe. Men gaat ervanuit dat de wetgeving door een
volksvertegenwoordiger tot stand moet worden gebracht.
5). Trias-eis.
6). Klassieke grondrechten. Deze vormen het meest inhoudelijke element ervan. De klassieke
grondrechten begon een totalitaire staat te voorkomen door bepaalde privé-sferen te
,beschermen tegenover overheidsbemoeienis. De grondwet waarborgt de grondrechten en de
democratische rechtstaat.
Collegeclips:
het privaatrecht regelt de verhouding tussen burgers onderling, en ook bedrijven. (huur en
arbeidscontracten). We gaan uit van juridische gelijkheid en gelijkwaardigheid van partijen.
het publieksrecht is het geheel van rechtsregels die betrekking hebben op het handelen van de
overheid, het regelt ook de verhouding tussen burgers, bedrijven en de overheid.
de overheid kan doormiddel van publiekrechtelijke rechtshandelingen eenzijdig, bindende
beslissingen nemen. (vergunning toekennen of weigeren)
Nederland is een rechtstaat, namelijk een staat waarbij vrijheid, rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid voor de burger heel belangrijk zijn. De burgers hebben fundamentele
grondrechten die de overheid moet accepteren.
er zijn 5 belangrijke beginselen van de democratische rechtstaat:
1). Legaliteitsbeginsel. Alle overheidsoptreden moet berusten op een wettelijke grondslag. Er
moet dus steeds een grondslag te vinden zijn in de grondwet of in een wet in formele zin (dat is
een wet die gezamenlijk tot stand is gekomen door de regering en staat/generaal). Het
legaliteitsbeginsel beoogt rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te waarborgen en willekeurigheid
van overheidsoptreden te vermijden.
2). Machtenscheiding. Ook wel Trias politica genoemd. Om misbruiken van overheidsmacht te
komen worden de belangrijke functies verdeeld over 3 overheidsmachten: wetgevende
macht(parlement), uitvoerende macht (koning en ministers) en de rechtelijke macht(rechter).
3). Grondrechten. De inwoners hebben fundamentele rechten en vrijheden die de overheid moet
respecteren, en actief moet realiseren.
4). Rechtelijke controle. Op overheidsoptreden tegenover burgers. Het houdt in dat de burger
het recht heeft om naar een onafhankelijke rechter te stappen, ook tegen beslissingen van de
overheid.
5). Democratiebeginsel. Overheidsoptreden zijn aanvaardbaar en legitiem moeten zijn voor de
burgers. De belangrijkste beslissingen moeten genomen worden door een verkozen
volksvertegenwoordiger.
Hoorcollege
Privaatrecht: juridische gelijkheid en gelijkwaardigheid
van partijen.
Publiekrecht: overheid kan eenzijdig rechtsgevolgen
vaststellen.
→overheid: feitelijke handelingen en rechtshandelingen
→kenmerkend: publiekrechtelijke rechtshandelingen
via eenzijdig bindende besluiten
→beginselen van de democratische rechtsstaat:
1. Machtsverdeling: de drie functies (wetgevende macht, uitvoerende
macht en rechterlijke macht liggen nooit bij dezelfde persoonsambt.
2. Legaliteitsbeginsel: elk overheidsoptreden moet berusten op een algemene regel (inhoud
en procedure)
3. Rechterlijke controle: toegang tot onafhankelijke en onpartijdige rechter ter toetsing
, van rechtmatigheden van elk overheidsoptreden.
4. Grondrechten: fundamentele rechten en vrijheden waarborgen in de hogere orde dan
gewone formele wetten
5. Democratiebeginsel: belangrijkste wetgeving is door de kiezers zelf tot stand gekomen
Staatsrecht functie:
constitueren: stelt overheidsambten in
attribueren: kent aan overheidsambten bevoegdheden toe
reguleren: stelt voorwaarden en grenzen aan de uitoefening van die bevoegdheden
legitimeren: draagt bij aan de aanvaarding van burgers van en het vertrouwen in de
machtsuitoefening door de staat
Formeel recht zijn de procedures, en je moet je houden aan alle procedureregels die er zijn.
Materieel recht je moet je houden aan de eisen
Macht= feitelijk
(Overheids)gezag= gelegitimeerde macht
Bevoegdheden= wetgevende en bestuurlijke
Overheidsgezag moet gelegitimeerd worden, dus de legitimiteit in een democratische rechtstaat
is:
de aanvaarding van overheidsgezag is afhankelijk van de mate waarin en de wijze waarop het
volk invloed heeft op en controle heeft over de totstandkoming en toepassing van algemeen
geldende normen.
de wetgevende macht → maakt de wetten. In Nederland: het parlement (Eerste en Tweede
Kamer) samen met de regering (koning + ministers).
De uitvoerende macht → voert de wetten uit en bestuurt het land. In Nederland: de regering
(ministers en staatssecretarissen) en daaronder ook ambtenaren en gemeenten.
De rechterlijke macht → past de wetten toe in concrete zaken en beslecht conflicten. In
Nederland: de onafhankelijke rechters en rechtbanken.
Week 2:
Litteratuur
In Nederland worden de wetgevende macht en de uitvoerende macht uitgeoefend door twee
politieke instituties: het parlement en de regering.
Wanneer een orgaan beslissingen kan nemen die gelden voor het gehele land, bevindt dit
orgaan zich op centraal niveau. Als de bevoegdheden beperkt zijn tot een provincie, gemeente
of waterschapsgebied, dan gaat het om een decentraal niveau.
Het Nederlandse parlement (de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal)
vertegenwoordigt het gehele Nederlandse volk (artikel 50 Gw). De regering (ministers en de
Koning) bestuurt het land.
, De grondwet noemt als eerste ambt: de regering -→ de ministers en de koning
De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers’ (art. 42 lid 1 Grondwet).
Art. 24 Gw stelt dat het koningschap erfelijk wordt vervuld door de wettige opvolgers van Koning
Willem I. Wettige opvolgers zijn niet alleen opvolgers krachtens erfopvolging, maar ook
eventuele benoemde opvolgers. → daarna weer via erfopvolging.
Art. 25 Gw gaat dieper in op de erfopvolging
Art. 42 lid 2 Gw zegt: de koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk
koninklijke onschendbaarheid: Hedendaags betekent de koninklijke onschendbaarheid
voornamelijk dat de Koning geen verantwoording schuldig is aan het parlement
- Betekende van oorsprong dat geen enkele staatinstelling dwingend gezag kon uitoefenen over
de koning.
→ sinds 1814 is er geen sprake van een absoluut gezag van de Koning. De grondwet deelde
overheidsmacht over de koning, Staten-Generaal en de onafhankelijke rechterlijke macht.
- De koning wordt niet gekozen, maar erft zijn positie. Dat kan botsen met het idee dat het volk
de macht hoort te bepalen (democratie). In de praktijk beslist de koning zelf weinig, omdat
ministers verantwoordelijk zijn. Toch zorgt het koningschap voor stabiliteit in de Nederlandse
politiek en samenleving.
Na de invoering van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid en daarmee het
contraseign, was het nodig dat alle koninklijke besluiten en beschikkingen niet meer door enkel
de koning ondertekend werden.
→De ministers werden mee besluitende ambten. Art. 42 lid 1 Gw: de regering wordt gevormd
door de koning en de ministers.
let op! eigenlijk wordt er met de term regering gedoeld op de koning en een of meer ministers of
staatssecretarissen.
Je kunt opmaken dat de regering dus een samengestelde ambt is:
Binnen de regering zijn te onderscheiden: de koning, de ministers, de staatssecretarissen, de
ministerraad en de minister-president.
-Minister: we kennen vier soorten ministers;
1. De gewone ministers (grondwettelijk erkend)
2. De minister zonder portefeuille (grondwettelijk erkend)
3. De gevolmachtigde minister; en Gemachtigde minister van de regering van Aruba, Curaçao of
Sint-Maarten.
4. De minister van staat (slechts een eretitel, er is geen staatsrechtelijke bevoegdheid aan
verbonden.
Ministers worden benoemd en ontslagen bij koninklijk besluit, medeondertekend door de
minister-president. ( Art. 43 jo. 48 Gw)
Verder zijn er specifieke eisen zoals leeftijd of nationaliteit, en het aantal ministers en
ministeries niet vastgelegd. Het aantal ministeries en ministers wordt bepaald door koninklijke
besluiten, waarbij er ook ministers zonder portefeuille kunnen zijn. Zo ontstaat een kabinet.
Coalitievorming: is niets meer dan het vormen van samenwerkingen tussen partijen om op
deze manier een meerderheid te verkrijgen. Het komt nooit voor dat één partij op zichzelf een
Indira van Tilburg Universiteit Utrecht
Week 1:
Literatuur:
In het volkenrecht is de staat, naast volkenrechtelijke organisaties en individuen,
volkenrechtsubject.
In het privaatrecht is de staat een rechtspersoon en als zodanig onderworpen aan dat recht (art.
2:1 BW)
Staatsrecht is het recht dat uitsluitend relaties regelt waarbij de overheid betrokken is.
Ook is het, het primaire recht dat overheidsambtenaren instelt, daaraan bevoegdheden toekent
en hun onderlinge betrekkingen alsmede die tot de onderdanen regelt.
→ het staatsrecht omvat de regels die de totstandkoming gelding en de handhaving van
rechtsnormen regelen, alsmede de regels volgens welke de eerstgenoemde regels mogen
worden gewijzigd. ( het is het primaire, scheppende, funderende recht)
De term rechtstaat houdt geen direct verband met de vraag of de overheid de burgers wel
voldoende onder de duim heeft. Het heeft betrekking op grenzen gesteld aan het optreden van
de overheid en is aldus een element van de regulerende functie.
de term kan worden opgezet tegen twee andere begrippen:
1. Politiestaat, is een begrip dat in de negentiende eeuw duidde op een overheid die min of meer
per geval afhankelijk van de omstandigheden, naar eigen goeddunken optrad.
2. Totalitaire staat, er is geen grens aan de overheidsinterventie. De overheid mag zich met alles
bemoeien.
Zes basiselementen van de rechtstaatsgedachte:
1). Legaliteitsbeginsel. Elk overheidsoptreden moet berusten op een algemene, d.w.z. voor
herhaalde toepassing vatbare regel, hetzij krachtens attributie, krachtens delegatie worden
vastgesteld. Tevens moet dat optreden volgens de algemene regel zijn, qua inhoud en
procedure.
2). Het vereiste van een voorafgaande algemene regel ten aanzien van burgers belastend
optreden. De regel waarvan de overheid optreedt, moet aan dat optreden vooraf zijn gedaan
(art. 16 GW en art. 1 Sr). Onderdaan belastende voorschriften hebben geen terugwerkende
kracht.
3). Veder dienen regelgeving en uitvoering niet in een ambt gelegd te worden. De regelsteller en
de uitvoerder van de regel behoren niet in één ambt verenigd te zijn.
4). Het democtratieprincipe. Men gaat ervanuit dat de wetgeving door een
volksvertegenwoordiger tot stand moet worden gebracht.
5). Trias-eis.
6). Klassieke grondrechten. Deze vormen het meest inhoudelijke element ervan. De klassieke
grondrechten begon een totalitaire staat te voorkomen door bepaalde privé-sferen te
,beschermen tegenover overheidsbemoeienis. De grondwet waarborgt de grondrechten en de
democratische rechtstaat.
Collegeclips:
het privaatrecht regelt de verhouding tussen burgers onderling, en ook bedrijven. (huur en
arbeidscontracten). We gaan uit van juridische gelijkheid en gelijkwaardigheid van partijen.
het publieksrecht is het geheel van rechtsregels die betrekking hebben op het handelen van de
overheid, het regelt ook de verhouding tussen burgers, bedrijven en de overheid.
de overheid kan doormiddel van publiekrechtelijke rechtshandelingen eenzijdig, bindende
beslissingen nemen. (vergunning toekennen of weigeren)
Nederland is een rechtstaat, namelijk een staat waarbij vrijheid, rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid voor de burger heel belangrijk zijn. De burgers hebben fundamentele
grondrechten die de overheid moet accepteren.
er zijn 5 belangrijke beginselen van de democratische rechtstaat:
1). Legaliteitsbeginsel. Alle overheidsoptreden moet berusten op een wettelijke grondslag. Er
moet dus steeds een grondslag te vinden zijn in de grondwet of in een wet in formele zin (dat is
een wet die gezamenlijk tot stand is gekomen door de regering en staat/generaal). Het
legaliteitsbeginsel beoogt rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te waarborgen en willekeurigheid
van overheidsoptreden te vermijden.
2). Machtenscheiding. Ook wel Trias politica genoemd. Om misbruiken van overheidsmacht te
komen worden de belangrijke functies verdeeld over 3 overheidsmachten: wetgevende
macht(parlement), uitvoerende macht (koning en ministers) en de rechtelijke macht(rechter).
3). Grondrechten. De inwoners hebben fundamentele rechten en vrijheden die de overheid moet
respecteren, en actief moet realiseren.
4). Rechtelijke controle. Op overheidsoptreden tegenover burgers. Het houdt in dat de burger
het recht heeft om naar een onafhankelijke rechter te stappen, ook tegen beslissingen van de
overheid.
5). Democratiebeginsel. Overheidsoptreden zijn aanvaardbaar en legitiem moeten zijn voor de
burgers. De belangrijkste beslissingen moeten genomen worden door een verkozen
volksvertegenwoordiger.
Hoorcollege
Privaatrecht: juridische gelijkheid en gelijkwaardigheid
van partijen.
Publiekrecht: overheid kan eenzijdig rechtsgevolgen
vaststellen.
→overheid: feitelijke handelingen en rechtshandelingen
→kenmerkend: publiekrechtelijke rechtshandelingen
via eenzijdig bindende besluiten
→beginselen van de democratische rechtsstaat:
1. Machtsverdeling: de drie functies (wetgevende macht, uitvoerende
macht en rechterlijke macht liggen nooit bij dezelfde persoonsambt.
2. Legaliteitsbeginsel: elk overheidsoptreden moet berusten op een algemene regel (inhoud
en procedure)
3. Rechterlijke controle: toegang tot onafhankelijke en onpartijdige rechter ter toetsing
, van rechtmatigheden van elk overheidsoptreden.
4. Grondrechten: fundamentele rechten en vrijheden waarborgen in de hogere orde dan
gewone formele wetten
5. Democratiebeginsel: belangrijkste wetgeving is door de kiezers zelf tot stand gekomen
Staatsrecht functie:
constitueren: stelt overheidsambten in
attribueren: kent aan overheidsambten bevoegdheden toe
reguleren: stelt voorwaarden en grenzen aan de uitoefening van die bevoegdheden
legitimeren: draagt bij aan de aanvaarding van burgers van en het vertrouwen in de
machtsuitoefening door de staat
Formeel recht zijn de procedures, en je moet je houden aan alle procedureregels die er zijn.
Materieel recht je moet je houden aan de eisen
Macht= feitelijk
(Overheids)gezag= gelegitimeerde macht
Bevoegdheden= wetgevende en bestuurlijke
Overheidsgezag moet gelegitimeerd worden, dus de legitimiteit in een democratische rechtstaat
is:
de aanvaarding van overheidsgezag is afhankelijk van de mate waarin en de wijze waarop het
volk invloed heeft op en controle heeft over de totstandkoming en toepassing van algemeen
geldende normen.
de wetgevende macht → maakt de wetten. In Nederland: het parlement (Eerste en Tweede
Kamer) samen met de regering (koning + ministers).
De uitvoerende macht → voert de wetten uit en bestuurt het land. In Nederland: de regering
(ministers en staatssecretarissen) en daaronder ook ambtenaren en gemeenten.
De rechterlijke macht → past de wetten toe in concrete zaken en beslecht conflicten. In
Nederland: de onafhankelijke rechters en rechtbanken.
Week 2:
Litteratuur
In Nederland worden de wetgevende macht en de uitvoerende macht uitgeoefend door twee
politieke instituties: het parlement en de regering.
Wanneer een orgaan beslissingen kan nemen die gelden voor het gehele land, bevindt dit
orgaan zich op centraal niveau. Als de bevoegdheden beperkt zijn tot een provincie, gemeente
of waterschapsgebied, dan gaat het om een decentraal niveau.
Het Nederlandse parlement (de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal)
vertegenwoordigt het gehele Nederlandse volk (artikel 50 Gw). De regering (ministers en de
Koning) bestuurt het land.
, De grondwet noemt als eerste ambt: de regering -→ de ministers en de koning
De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers’ (art. 42 lid 1 Grondwet).
Art. 24 Gw stelt dat het koningschap erfelijk wordt vervuld door de wettige opvolgers van Koning
Willem I. Wettige opvolgers zijn niet alleen opvolgers krachtens erfopvolging, maar ook
eventuele benoemde opvolgers. → daarna weer via erfopvolging.
Art. 25 Gw gaat dieper in op de erfopvolging
Art. 42 lid 2 Gw zegt: de koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk
koninklijke onschendbaarheid: Hedendaags betekent de koninklijke onschendbaarheid
voornamelijk dat de Koning geen verantwoording schuldig is aan het parlement
- Betekende van oorsprong dat geen enkele staatinstelling dwingend gezag kon uitoefenen over
de koning.
→ sinds 1814 is er geen sprake van een absoluut gezag van de Koning. De grondwet deelde
overheidsmacht over de koning, Staten-Generaal en de onafhankelijke rechterlijke macht.
- De koning wordt niet gekozen, maar erft zijn positie. Dat kan botsen met het idee dat het volk
de macht hoort te bepalen (democratie). In de praktijk beslist de koning zelf weinig, omdat
ministers verantwoordelijk zijn. Toch zorgt het koningschap voor stabiliteit in de Nederlandse
politiek en samenleving.
Na de invoering van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid en daarmee het
contraseign, was het nodig dat alle koninklijke besluiten en beschikkingen niet meer door enkel
de koning ondertekend werden.
→De ministers werden mee besluitende ambten. Art. 42 lid 1 Gw: de regering wordt gevormd
door de koning en de ministers.
let op! eigenlijk wordt er met de term regering gedoeld op de koning en een of meer ministers of
staatssecretarissen.
Je kunt opmaken dat de regering dus een samengestelde ambt is:
Binnen de regering zijn te onderscheiden: de koning, de ministers, de staatssecretarissen, de
ministerraad en de minister-president.
-Minister: we kennen vier soorten ministers;
1. De gewone ministers (grondwettelijk erkend)
2. De minister zonder portefeuille (grondwettelijk erkend)
3. De gevolmachtigde minister; en Gemachtigde minister van de regering van Aruba, Curaçao of
Sint-Maarten.
4. De minister van staat (slechts een eretitel, er is geen staatsrechtelijke bevoegdheid aan
verbonden.
Ministers worden benoemd en ontslagen bij koninklijk besluit, medeondertekend door de
minister-president. ( Art. 43 jo. 48 Gw)
Verder zijn er specifieke eisen zoals leeftijd of nationaliteit, en het aantal ministers en
ministeries niet vastgelegd. Het aantal ministeries en ministers wordt bepaald door koninklijke
besluiten, waarbij er ook ministers zonder portefeuille kunnen zijn. Zo ontstaat een kabinet.
Coalitievorming: is niets meer dan het vormen van samenwerkingen tussen partijen om op
deze manier een meerderheid te verkrijgen. Het komt nooit voor dat één partij op zichzelf een