★ Stroomgebied: gebied dat afwatert op bepaalde rivier en zijrivieren.
★ Waterscheiding: grens tussen twee stroomgebieden.
→ gevormd door hoger gelegen delen in het landschap.
★ Stroomstelsel: rivier met al zijn zijrivieren en vertakkingen die deel uitmaken van
hetzelfde stroomgebied.
● Twee soorten rivieren:
➢ Gemengde rivier (Rijn): bestaat uit zowel smelt- als regenwater.
→ Zomers weinig water in rivier door verdamping.
→ Winters waterafvoer het hoogst door geringe verdamping en voornamelijke
afvoer van regenwater.
➢ Regenrivier (Maas): bestaat alleen uit regenwater.
Bovenloop: Middenloop: Benedenloop:
Groot verhang Mindere hellingshoek Klein verhang
Snelle stroomsnelheid Gemiddelde stroomsnelheid Trage stroomsnelheid
Veel erosie en meegevoerd Evenwicht in erosie en Veel sedimentatie.
sediment sedimentatie → ontstaan delta bij
→ meanders monding.
★ Stuw: beweegbare dam in rivier om de waterafvoer te beïnvloeden.
★ Lengteprofiel: doorsnede van rivier over een bepaald traject.
Uitwerking:
Verval: 500m - 200m = 300m
Verhang: hoogteverschil : afstand =
300m : 100km = 3m/km
★ Rijkswaterstaat: doet metingen langs rivieren om vast te stellen hoeveel water ( m₃)
er op een bepaald moment per seconde door stroomt.
→ Waterafvoer/debiet.
★ Piekafvoer: tijdelijke (extra) hoge waterafvoer van een rivier.
, ★ Regiem: verdeling van het debiet over een jaar.
→ Wordt beïnvloed door drie natuurlijke factoren:
● Klimaat:
➢ Bepaald hoeveel en welke neerslag er in welke periode valt.
➢ Bepaald de temperatuur → van invloed op verdamping.
● Type water dat rivier ontvangt:
➢ Een gemengde rivier heeft een regelmatiger regiem dan regenrivier.
● Soort bodem, gesteente daaronder en relief:
➢ Bepaald waterbergend vermogen in een gebied.
→ Hangt af van infiltratie.
→ Dwarsprofiel van een rivier.
★ Krib: korte dwarsdam loodrecht op rivieroever bedoeld om de stroomsnelheid in de
riviergeul te vergroten.
→ Voorkomt dat dat riviergeul snel dichtslibt en scheepvaart bij laagwater mogelijk is.
● Functie van kribben:
1) Rivier wordt smaller → stroomsnelheid neemt toe → meer erosie in de
vaargeul en minder sedimentatie → diepere vaargeul.
2) Rivier stroomt hardst in het midden → geen erosie bij oevers → rivier
blijft op dezelfde plek liggen.
- Sinds bedijkingen kan rivier sediment alleen nog buitendijks in uiterwaarden
neerleggen, hierdoor worden de uiterwaarden hoger en neemt het waterbergend
vermogen dus af, waardoor er sneller overstromingen plaatsvinden.
- Maatregelen voor het vergroten van het waterbergend vermogen:
● Afgraven uiterwaarden
● Verlagen zomerdijken
● Verlagen van kribben
, - Door ingrijpen van de mens → onregelmatiger regiem:
● Stroomgebieden worden meer bebouwd en minder bebost.
→ De sponswerking van de bodem neemt af omdat er minder vegetatie is om
water vast te houden.
● Door ontbossing en verstening stroomt meer water rechtstreeks over het
oppervlakte af een rivier in.
● Door kanalisatie zijn de stroomstelsels verkleind.
- Kortere tijd tussen het moment van neerslag en stijging van het waterpeil leidt tot een
afname van de vertragingstijd.
- Ingrijpen door ontbossing, verstening en kanalisatie leiden tot een verhoogde en
versnelde piekafvoer.
- Kanalisatie beïnvloed dus de piekafvoer door:
● Minder meanders
● Kortere rivier met minder inhoud
● Water stroomt sneller
● Hogere waterstand
● Hogere piekafvoer die zich sneller verplaatst
- Relatie tussen ontbossing/verstening en de vertragingstijd:
● Sponswerking van de bodem raakt verstoord: water zakt niet in de grond,
maar stroomt over bodem naar rivier en neemt grond meer (bodemerosie)
● Kortere vertragingstijd.
● Verhoogde en versnelde piekafvoer
● Meer kans op overstromingen
★ Waterkering: structuur die water tegenhoudt.
- Oorzaken van bodemdaling:
1) Dijken zorgen ervoor dat sedimentatie alleen nog in uiterwaarden plaatsvindt.
Bodemdaling wordt hierdoor niet meer (deels) gecompenseerd.
2) Grondwater in polders wordt weggepompt uit veen en klei, hierdoor wordt de
waterstand verlaagd en komen de bodemdeeltjes dichter bij elkaar te liggen.
De bodem van veen- en kleideeltjes zakt in.
3) Aardgaswinning.
- Zout kwelwater uit de Noordzee zorgt in kustgebieden voor verzilting van lage
polders:
● Door het bemalen van polders komt zout kwelwater steeds meer aan het
oppervlak, waardoor het uiteindelijk de rivieren kan binnendringen.
- Toenemend grondwatergebruik door: landbouw, industrie, huishoudens etc…
● Watertekort heeft negatieve gevolgen voor de natuur:
→ Verdroging
→ Toevoer van water uit andere gebieden zorgt ervoor dat de oorspronkelijke
begroeiing verdwijnt/verandert.