Werkgroep 6. Remedies
Aantekeningen
Er bestaan vier grote remedies in het Nederlands recht
1. Nakoming (art. 3:296 BW)
a. Koop, art. 7:21 BW
2. Schadevergoeding (art. 6:74 BW)
a. Koop art. 7:24 BW
3. Ontbinding (art. 6:265 BW)
a. Consumentenkoop art. 7:22 BW
4. Opschorting (art. 6:52 BW)
a. Algemeen: 6:52 BW
b. Bijzonder voor de wederkerige overeenkomst: 6:262 BW
Verweren
- Schuldeisersverzuim/crediteursverzuim: je werkt niet mee aan de nakoming
o Art. 6:58 BW – ontbreken van medewerking
o Art. 6:59 BW – schuldenaar schort op
- Klachtplicht art. 6:891 BW – alleen bij niet-deugdelijke nakoming (zie ‘gebrekkig’ in artikel)
o Voor koop via art. 7:23 BW
Casus „The History of Europe‟
Lees opdracht 1 van vorige week opnieuw. Stel dat uitgeverij Maximus haar vordering tot
nakoming ziet afgewezen en daarom besluit de overeenkomst met Omniprint geheel te ont-
binden. Omniprint stapt echter naar de rechter. De rechtbank verklaart de ontbinding nietig,
omdat de tekortkoming van Omniprint deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
Maximus gaat in hoger beroep, maar vangt mis:
“Het hof is van oordeel dat – in het midden gelaten of de tekortkoming van Omniprint deze
ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt – het Maximus niet vrijstond te kiezen voor
ontbinding nu haar een voor Omniprint minder bezwaarlijke mogelijkheid, een redelijk
alternatief ter beschikking stond: Omniprint heeft aangeboden om het trefwoordenregister te
drukken in de vorm van een klein boekje, dat achterin het grote boek kan worden gevoegd of
met het grote boek kan worden meegeleverd. Bovendien heeft Omniprint zich bereid verklaard
de schade te vergoeden die de uitgeverij vervolgens lijdt doordat het trefwoordenregister los
wordt meegeleverd. Nu Maximus dit redelijke aanbod links liet liggen, kon zij de overeenkomst
niet ontbinden. De slotsom luidt dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.”
Teleurgesteld wendt Maximus zich tot een cassatieadvocaat voor een advies over haar kansen in
cassatie. De cassatieadvocaat meent dat de Hoge Raad het arrest zeker zal vernietigen, maar
twijfelt over het nut van een cassatieberoep. Hij verwacht dat het hof, na vernietiging en
verwijzing, op basis van een andere motivering tot hetzelfde oordeel zal komen.
Vraag 1
Waarom meent de cassatieadvocaat dat de Hoge Raad het arrest zeker zal vernietigen?
Zie art. 6:265 BW; ‘en alle andere omstandigheden van het geval’ + ‘iedere tekortkoming’ en arrest
Twicklr/R ‘tenzij-formule’ – zijn uitwerkingen van de redelijkheid en billijkheid, daarom voegt dit
arrest ‘alle omstandigheden’ eraan toe.
1
,Het Hof heeft hier het uitgangspunt aangenomen dat als er een redelijk alternatief is, dit beroep op
ontbinding uitsluit. Dit mag echter volgens de HR eigenlijk niet; zie arrest Mol/Meijer. De tenzij-regel
bestaat als ontsnappingsmogelijkheid. De mogelijkheid van het redelijk alternatief zou een tweede
tenzij-regel zijn en dit staat de Hoge Raad niet toe.
Vraag 2
Waarom verwacht de cassatieadvocaat dat het hof, na vernietiging en verwijzing, op basis van
een andere motivering tot hetzelfde oordeel zal komen?
Hier moeten we de vereisten van ontbinding aflopen:
1. Wederkerige overeenkomst (art. 6:261 BW)?
a. Er moet een verbintenis aangegaan worden om de prestatie te verkrijgen.
2. Tekortkoming
a. Niet-nakoming (geheel niet, gebrekkig of te laat)
b. Opeisbare verbintenis (art. 6:38 jo. 6:39 BW)
3. Verzuim dan wel onmogelijkheid tot nakoming
i. Art. 6:82 – na ingebrekestelling
ii. Art. 6:83
4. Tenzij-regel afgaan:
a. Bijzondere aard van de tekortkoming
b. Omvang van de tekortkoming
c. Geringe betekenis van de tekortkoming (ernst)
d. Alle andere omstandigheden (arrest Twickler/R) – dit kan het redelijk alternatief zijn
e. Gevolgen van de ontbinding
i. Art. 6:271 BW
ii. Art. 6:269 BW
5. Conclusie:
a. Voorop staat dat je mag ontbinden, maar het is hier niet gerechtvaardigd want de ernst
van de tekortkoming is niet zeer groot. Het gevolg van ontbinding is wel zeer groot en
daarnaast bestaat er een redelijk alternatief (dit is een steunargument).
Casus „Bullseye‟
2
, Bullseye B.V. is een vermaard bedrijf dat zich heeft toegelegd op de bouw van grote, magni-
fieke bulldozers. De bulldozers zijn ongekend populair, zodat Bullseye altijd kan bedingen dat
bestelde bulldozers “geruime tijd voor levering” worden betaald. Ook sloopbedrijf FRED bestelt
een bulldozer, die uiterlijk in september 2010 zal worden geleverd. De prijs wordt netjes in juli
2010 voldaan. Reeds voordat de eerste bulldozer is geleverd, bestelt FRED een tweede, die
uiterlijk in december 2010 zal worden geleverd. De eerste bulldozer blijkt echter na levering
gebreken te vertonen: het bulldozerblad kan de grond niet raken en het stuur wijkt ernstig af
naar links. Bullseye weigert de gebreken te herstellen. FRED besluit daarop de betaling van de
tweede bulldozer op te schorten. Het sloopbedrijf geeft hiervoor twee redenen: (a) het vreest dat
de tweede bulldozer dezelfde gebreken zal vertonen; (b) het hoopt door de opschorting Bullseye
te dwingen de gebreken aan de eerste bulldozer te herstellen.
Vraag 1
Was FRED tot deze opschorting bevoegd? Maak bij de beantwoording van deze vraag onder-
scheid tussen reden (a) en reden (b).
FRED wil opschorting om twee redenen:
a. Uit voorzorg voor bulldozer II
b. Om druk te zetten op reparatie bulldozer I
Omdat hij de betaling van bulldozer II opschort kan alleen a worden behandeld n.a.v. art. 6:262 BW,
want het moet gaan om tegenover elkaar staande verplichtingen. Reden b kan worden behandeld met
behulp van art. 6:52 BW. Het geld dat FRED moet betalen voor bulldozer II staat namelijk niet als
tegenprestatie geregistreerd voor bulldozer I.
De vereisten van art. 6:262 BW (daartegenover staande verplichting):
1. Wederkerige overeenkomst
a. Daar is hier sprake van
2. Niet-nakoming
a. Opeisbare verbintenis: nee, want termijn is nog niet verstreken (zie art. 6:263 BW)*
3. Connexiteit
a. Gaat het om tegenover elkaar staande verbintenissen? Dan kun je hetgeen tegenover
jouw prestatie staat opschorten
4. Proportionaliteitseis
a. Als het gaat om gebrekkigheid of niet behoorlijke nakoming is opschorting slechts
toegestaan voor zover de tekortkoming haar ‘rechtvaardigt’
5. Alleen met goeden reden opschorten; beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
toetsen
*De 5 vereisten van art. 6:263 BW:
- Wederkerige overeenkomst (art. 6:261)
- De partij die zich hierop beroept is verplicht het eerst te presteren
- Tegenover elkaar staande verbintenissen
- Goede grond van vrees dat de wederpartij niet zal nakomen (tegenover elkaar staande
verplichtingen)
- Opschorting moet gerechtvaardigd zijn via de proportionaliteitseis
In de casus heeft FRED geen goede grond voor opschorting: 1 verkeerd product van een populair
bedrijf geeft geen goede grond voor vrees. Stel er was een goede grond, dan was het niet
proportioneel: een grote ingreep is beter dan niet-nakoming of ontbinding vorderen.
3
Aantekeningen
Er bestaan vier grote remedies in het Nederlands recht
1. Nakoming (art. 3:296 BW)
a. Koop, art. 7:21 BW
2. Schadevergoeding (art. 6:74 BW)
a. Koop art. 7:24 BW
3. Ontbinding (art. 6:265 BW)
a. Consumentenkoop art. 7:22 BW
4. Opschorting (art. 6:52 BW)
a. Algemeen: 6:52 BW
b. Bijzonder voor de wederkerige overeenkomst: 6:262 BW
Verweren
- Schuldeisersverzuim/crediteursverzuim: je werkt niet mee aan de nakoming
o Art. 6:58 BW – ontbreken van medewerking
o Art. 6:59 BW – schuldenaar schort op
- Klachtplicht art. 6:891 BW – alleen bij niet-deugdelijke nakoming (zie ‘gebrekkig’ in artikel)
o Voor koop via art. 7:23 BW
Casus „The History of Europe‟
Lees opdracht 1 van vorige week opnieuw. Stel dat uitgeverij Maximus haar vordering tot
nakoming ziet afgewezen en daarom besluit de overeenkomst met Omniprint geheel te ont-
binden. Omniprint stapt echter naar de rechter. De rechtbank verklaart de ontbinding nietig,
omdat de tekortkoming van Omniprint deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
Maximus gaat in hoger beroep, maar vangt mis:
“Het hof is van oordeel dat – in het midden gelaten of de tekortkoming van Omniprint deze
ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt – het Maximus niet vrijstond te kiezen voor
ontbinding nu haar een voor Omniprint minder bezwaarlijke mogelijkheid, een redelijk
alternatief ter beschikking stond: Omniprint heeft aangeboden om het trefwoordenregister te
drukken in de vorm van een klein boekje, dat achterin het grote boek kan worden gevoegd of
met het grote boek kan worden meegeleverd. Bovendien heeft Omniprint zich bereid verklaard
de schade te vergoeden die de uitgeverij vervolgens lijdt doordat het trefwoordenregister los
wordt meegeleverd. Nu Maximus dit redelijke aanbod links liet liggen, kon zij de overeenkomst
niet ontbinden. De slotsom luidt dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.”
Teleurgesteld wendt Maximus zich tot een cassatieadvocaat voor een advies over haar kansen in
cassatie. De cassatieadvocaat meent dat de Hoge Raad het arrest zeker zal vernietigen, maar
twijfelt over het nut van een cassatieberoep. Hij verwacht dat het hof, na vernietiging en
verwijzing, op basis van een andere motivering tot hetzelfde oordeel zal komen.
Vraag 1
Waarom meent de cassatieadvocaat dat de Hoge Raad het arrest zeker zal vernietigen?
Zie art. 6:265 BW; ‘en alle andere omstandigheden van het geval’ + ‘iedere tekortkoming’ en arrest
Twicklr/R ‘tenzij-formule’ – zijn uitwerkingen van de redelijkheid en billijkheid, daarom voegt dit
arrest ‘alle omstandigheden’ eraan toe.
1
,Het Hof heeft hier het uitgangspunt aangenomen dat als er een redelijk alternatief is, dit beroep op
ontbinding uitsluit. Dit mag echter volgens de HR eigenlijk niet; zie arrest Mol/Meijer. De tenzij-regel
bestaat als ontsnappingsmogelijkheid. De mogelijkheid van het redelijk alternatief zou een tweede
tenzij-regel zijn en dit staat de Hoge Raad niet toe.
Vraag 2
Waarom verwacht de cassatieadvocaat dat het hof, na vernietiging en verwijzing, op basis van
een andere motivering tot hetzelfde oordeel zal komen?
Hier moeten we de vereisten van ontbinding aflopen:
1. Wederkerige overeenkomst (art. 6:261 BW)?
a. Er moet een verbintenis aangegaan worden om de prestatie te verkrijgen.
2. Tekortkoming
a. Niet-nakoming (geheel niet, gebrekkig of te laat)
b. Opeisbare verbintenis (art. 6:38 jo. 6:39 BW)
3. Verzuim dan wel onmogelijkheid tot nakoming
i. Art. 6:82 – na ingebrekestelling
ii. Art. 6:83
4. Tenzij-regel afgaan:
a. Bijzondere aard van de tekortkoming
b. Omvang van de tekortkoming
c. Geringe betekenis van de tekortkoming (ernst)
d. Alle andere omstandigheden (arrest Twickler/R) – dit kan het redelijk alternatief zijn
e. Gevolgen van de ontbinding
i. Art. 6:271 BW
ii. Art. 6:269 BW
5. Conclusie:
a. Voorop staat dat je mag ontbinden, maar het is hier niet gerechtvaardigd want de ernst
van de tekortkoming is niet zeer groot. Het gevolg van ontbinding is wel zeer groot en
daarnaast bestaat er een redelijk alternatief (dit is een steunargument).
Casus „Bullseye‟
2
, Bullseye B.V. is een vermaard bedrijf dat zich heeft toegelegd op de bouw van grote, magni-
fieke bulldozers. De bulldozers zijn ongekend populair, zodat Bullseye altijd kan bedingen dat
bestelde bulldozers “geruime tijd voor levering” worden betaald. Ook sloopbedrijf FRED bestelt
een bulldozer, die uiterlijk in september 2010 zal worden geleverd. De prijs wordt netjes in juli
2010 voldaan. Reeds voordat de eerste bulldozer is geleverd, bestelt FRED een tweede, die
uiterlijk in december 2010 zal worden geleverd. De eerste bulldozer blijkt echter na levering
gebreken te vertonen: het bulldozerblad kan de grond niet raken en het stuur wijkt ernstig af
naar links. Bullseye weigert de gebreken te herstellen. FRED besluit daarop de betaling van de
tweede bulldozer op te schorten. Het sloopbedrijf geeft hiervoor twee redenen: (a) het vreest dat
de tweede bulldozer dezelfde gebreken zal vertonen; (b) het hoopt door de opschorting Bullseye
te dwingen de gebreken aan de eerste bulldozer te herstellen.
Vraag 1
Was FRED tot deze opschorting bevoegd? Maak bij de beantwoording van deze vraag onder-
scheid tussen reden (a) en reden (b).
FRED wil opschorting om twee redenen:
a. Uit voorzorg voor bulldozer II
b. Om druk te zetten op reparatie bulldozer I
Omdat hij de betaling van bulldozer II opschort kan alleen a worden behandeld n.a.v. art. 6:262 BW,
want het moet gaan om tegenover elkaar staande verplichtingen. Reden b kan worden behandeld met
behulp van art. 6:52 BW. Het geld dat FRED moet betalen voor bulldozer II staat namelijk niet als
tegenprestatie geregistreerd voor bulldozer I.
De vereisten van art. 6:262 BW (daartegenover staande verplichting):
1. Wederkerige overeenkomst
a. Daar is hier sprake van
2. Niet-nakoming
a. Opeisbare verbintenis: nee, want termijn is nog niet verstreken (zie art. 6:263 BW)*
3. Connexiteit
a. Gaat het om tegenover elkaar staande verbintenissen? Dan kun je hetgeen tegenover
jouw prestatie staat opschorten
4. Proportionaliteitseis
a. Als het gaat om gebrekkigheid of niet behoorlijke nakoming is opschorting slechts
toegestaan voor zover de tekortkoming haar ‘rechtvaardigt’
5. Alleen met goeden reden opschorten; beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
toetsen
*De 5 vereisten van art. 6:263 BW:
- Wederkerige overeenkomst (art. 6:261)
- De partij die zich hierop beroept is verplicht het eerst te presteren
- Tegenover elkaar staande verbintenissen
- Goede grond van vrees dat de wederpartij niet zal nakomen (tegenover elkaar staande
verplichtingen)
- Opschorting moet gerechtvaardigd zijn via de proportionaliteitseis
In de casus heeft FRED geen goede grond voor opschorting: 1 verkeerd product van een populair
bedrijf geeft geen goede grond voor vrees. Stel er was een goede grond, dan was het niet
proportioneel: een grote ingreep is beter dan niet-nakoming of ontbinding vorderen.
3