Gebaseerd op Field: Discovering Statistics | Hoofdstukken 2, 3, 6, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17
40 meerkeuzevragen | Kies per vraag het beste antwoord
★ = vraag met SPSS-output
■ Week 1 | Hoofdstuk 2 – De SPINE van statistiek
1. Bij een sterk rechtsschiefe verdeling (positief scheef) geldt doorgaans welke volgorde?
a) Modus < Mediaan < Gemiddelde
b) Gemiddelde < Mediaan < Modus
c) Modus = Mediaan = Gemiddelde
d) Mediaan < Modus < Gemiddelde
2. Wat beschrijft het betrouwbaarheidsinterval (BI) het beste?
a) De kans dat de ware populatieparameter binnen dit specifieke interval ligt is 95%
b) Bij herhaalde steekproeven bevat 95% van de berekende intervallen de ware
populatieparameter
c) 95% van de data valt binnen dit interval
d) De kans op een Type I fout is 5%
3. ★ Een onderzoeker bekijkt de volgende frequentietabel in SPSS. Hoeveel deelnemers hebben
een geldige score op de variabele 'Angst'?
Angst
Frequency Percent Valid % Cumul. %
Valid 1.00 12 15.0 16.2 16.2
2.00 18 22.5 24.3 40.5
3.00 25 31.3 33.8 74.3
4.00 19 23.8 25.7 100.0
Total 74 92.5 100.0
Missing System 6 7.5
Total 80 100.0
a) 80
b) 6
c) 74
d) 92.5
4. Een onderzoeker vergroot zijn steekproef van N = 25 naar N = 100, bij gelijkblijvende
standaarddeviatie. Wat gebeurt er met de standaardfout (SEM)?
a) De SEM verdubbelt
b) De SEM halveert
c) De SEM blijft gelijk
d) De SEM wordt vier keer zo groot
5. Een p-waarde van .03 bij α = .05 betekent het volgende — welke uitspraak is ONJUIST?
a) Het resultaat is statistisch significant
b) De nulhypothese wordt verworpen
c) Er is 3% kans dat de nulhypothese waar is
, d) De kans op deze uitkomst (of extremer) gegeven H0 is .03
■ Week 2 | Hoofdstuk 3 – Het lineaire model & effectgrootte
6. Cohen's d = 0.82 wordt beschouwd als:
a) Klein effect
b) Middelgroot effect
c) Groot effect
d) Verwaarloosbaar effect
7. Welke maatregel verhoogt de statistische power ZONDER de steekproefgrootte te wijzigen?
a) α verlagen van .05 naar .01
b) Overstappen van tweezijdig naar eenzijdig toetsen
c) De meetbetrouwbaarheid van de uitkomstvariabele verbeteren
d) Meer covariaten toevoegen aan het model
8. ★ Bekijk de onderstaande Model Summary uit een enkelvoudige regressieanalyse. Hoeveel
procent van de variantie in de uitkomst wordt verklaard door het model?
Model Summary
Model R R Square Adj R² Std. Error
1 .543 .295 .281 4.821
a) 54.3%
b) 28.1%
c) 29.5%
d) 4.8%
9. In het algemeen lineaire model geldt: Uitkomst = Model + Fout. Welke term vertegenwoordigt
de residuen?
a) De regressiecoëfficiënten (b-waarden)
b) De voorspelde waarden (Ŷ)
c) Het onverklaarde deel (εᵢ)
d) Het intercept (b₀)
10. η² (eta-kwadraat) = .06 in een ANOVA. Volgens Cohen's richtlijnen is dit een:
a) Klein effect
b) Middelgroot effect
c) Groot effect
d) Verwaarloosbaar effect
■ Week 3 | Hoofdstuk 6 – De Beast of BIAS – aannames & robuustheid
11. ★ Een onderzoeker bekijkt de scatterplot van voorspelde waarden (x-as) tegen
gestandaardiseerde residuen (y-as) hieronder (beschreven in tekst). De residuen waaieren steeds
verder uit naarmate de voorspelde waarden toenemen. Welk probleem duidt dit aan?