HOORCOLLEGE 1, 2 + 3: INTRODUCTIE
- Psychologische meting hebben een grote invloed op ons leven. Iedereen komt er
direct of indirect mee in aanraking, via onderwijs, werk, gezondheidszorg,
rechtspraak of andere maatschappelijke domeinen. De uitkomsten van
psychologische testen kunnen bepalend zijn voor iemands opleiding, carrière,
gezondheid en zelfs leven of dood.
- Een voorbeeld hiervan is de wet in de Amerikaanse staat North Carolina, waar
personen met een IQ lager dan 70 niet ter dood veroordeeld mogen worden. Dit
illustreert hoe belangrijk betrouwbare en wetenschappelijk onderbouwde test zijn.
- Omdat psychologische meting zulke verstrekkende gevolgen kunnen hebben,
moeten ze van hoge kwaliteit zijn.
1.1 Waarom psychologische testen belangrijk zijn voor jou
- Iedereen heeft belang bij een goed begrip van psychologische metingen:
1. Voor beroepsbeoefenaars zoals psychologen, leerkrachten,
personeelsfunctionarissen of artsen is het essentieel om testen correct te
interpreteren, omdat verkeerde interpretaties schade kunnen veroorzaken
aan cliënten, leerlingen of werknemers.
2. Voor onderzoeks vormt meting het hart van elk wetenschappelijk onderzoek.
Zonder goede metingen zijn resultaten niet betrouwbaar of betekenisvol.
3. Voor burgers is kennis over psychologische meting belangrijk om
testresultaten in context te kunnen beoordelen, bijvoorbeeld
toelatingsexamens, sollicitaties of psychologische diagnoses.
- Het begrijpen van psychometrie helpt je om kritisch en bewust om te gaan met
testgegevens, of je nu gebruiker, onderzoeker of deelnemer bent.
1.2 Observeerbaar gedrag en niet-observeerbaar psychologische eigenschappen
- Net zoals fysieke instrumenten (zoals meetlinten of voltmeters) gebruikt worden om
waarneembare eigenschappen te meten, gebruiken psychologen testen om gedrag
te meten.
- Soms is dat gedrag zelf het onderwerp van onderzoek (zoals gezichtsuitdrukkingen).
Veel vaker wordt gedrag echter gebruikt om niet-zichtbare, psychologische
kenmerken te meten, zoals intelligentie, geheugen, motivatie of persoonlijkheid.
- Bijvoorbeeld: Als we het werkgeheugen van twee studenten willen meten, kunnen we
hen vragen cijferreeksen te herhalen. We leiden hun geheugenvermogen af uit hun
prestaties op gedrag naar een onzichtbare eigenschap. Om dit betrouwbaar te doen,
moeten drie dingen gelden:
1. De gemeten gedragingen moeten theoretisch verbonden zijn met de
eigenschap (validiteit).
2. De meting moet gestoeld zijn op een duidelijk theorie over wat er gemeten
wordt.
3. De onderliggende eigenschap (zoals werkgeheugen) is een hypothetisch
construct, iets dat niet direct waarneembaar is, maar waarvan we het bestaan
afleiden uit gedrag.
- Deze constructen worden ook wel latente variabelen genoemd (zoals intelligentie).
De concrete gedragingen die we meten om zo’n construct te schatten, heten
operationele definities.
, - Dit principe, onzichtbare processen meten via observeerbare verschijnselen, geldt
niet alleen in de psychologie, maar in alle wetenschappen. Zelfs natuurkundigen
meten onzichtbare krachten zoals zwaartekracht via hun effecten op waarneembare
objecten.
1.3 Psychologische testen: Definitie en typen
- Doel. Het doel is het meten van verschillen. Interindividuele verschillen (= tussen
mensen) of intra-individuele verschillen (= binnen dezelfde persoon).
- Battery (= een verzameling testen die samen worden afgenomen).
1.3.1 Wat is een psychologische test (Cronbach)?
(= een systematische procedure voor het vergelijken van gedrag tussen twee of meer
mensen)
- Deze procedure kan vele vormen aannemen (meerkeuze, of rorschach). Ook wel
testtheorie.
- Drie cruciale eigenschappen:
1. Gericht op gedragsmeting (observeerbaar).
2. Systematisch (objectief). Dit geeft een gestandaardiseerde en duidelijke
manier van meten.
3. Vergelijken van verschillende personen. Dit kan op inter- of intra-individueel
niveau.
1.3.2 Typen testen:
Twee typen testen: Prestatieniveau (maximum performance) vs. gedragswijze (typical
performance).
- Maximum performance (= iedereen wil het maximale aantal scores
halen, bijvoorbeeld bij het meten van vaardigheden). Twee soorten:
1. Power test (= geen tijdslimiet, items verschillen in moeilijkheid).
De focus ligt op vaardigheidsniveau (hoe meer vragen je goed
hebt, hoe beter je bent).
2. Speeded test (= hebben een strikte tijdslimiet, niet iedereen kan
alle vragen beantwoorden). De focus ligt op snelheid. Voorbeeld
van speed test is de Bourdon dot concentration test.
- Typical performance (= iedereen kiest het antwoord dat het best bij hen
past, dit is meer van toepassing op persoonlijkheidseigenschappen).
1.3.3 Normgericht of criteriumgericht:
- Normgerichte testen (= vergelijken personen met de rest van de populatie, een
referentiegroep). Bijvoorbeeld bij een IQ-test.
- Criteriumgerichte testen (= gericht op het behalen van een minimum criterium, de
absolute standaard). Bijvoorbeeld bij je rijexamen moet je boven een minimum
criterium scoren.
1.3.4 Voorbeelden van soorten testen:
1. Traditionele testen. Bijvoorbeeld de Beck Depression Inventory-II (= een 21 item
zelfrapportage-test waarin men antwoorden kiest die de mate van depressie
weergeven).
, 2. Experimentele testen. In een lab kan men deelnemers vragen om te reageren op
stimuli, bijvoorbeeld door zo snel mogelijk een knop te drukken bij een visuele
prikkel. Ook dit is volgens Cronbach een test.
3. Projectieve testen. Zoals de House-Tree-Person test, waarbij kinderen tekeningen
maken die vervolgens worden geanalyseerd.
1.3.5 Wat hoort erbij een psychologische test?
1. Testmateriaal. Je hebt stimuli nodig om mensen een opdracht te geven (zoals een
vragenlijst).
2. Testformulieren. Iets waarin de antwoorden op de test worden opgevangen
(database of papieren test).
3. Testhandleiding. Bevat exacte testinstructie, verwerkingsprocedure, normtabellen
en bespreking van wetenschappelijke kwaliteiten.
1.3.6 Soorten informatie die testen opleveren:
- Kwantitatieve data (= scores die aangeven hoeveel kennis of vaardigheid iemand
bezit, zoals bij de National Assesment of Eductional Progress).
- Categorische data (= waarbij mensen worden ingedeeld in groepen op basis van hun
antwoorden).
1.3.7 Reflectieve en formatieve indicatoren:
- Reflectieve (effect) indicatoren (= de testscore reflecteert een onderliggende
eigenschap). Bijvoorbeeld een IQ-test meet een onderliggende intelligentie.
Oorzaak: Construct leidt tot gedrag. Dit is waar psychologische testen vaak op
focussen.
- Formatieve (causale) indicatoren (= de indicatoren vormen samen het construct,
bijvoorbeeld SES bestaat uit inkomen, opleiding en beroep). Oorzaak: indicatoren
leiden tot construct.
1.4 Wat is psychometrie?
(= de wetenschap die zich bezighoudt met de kwaliteit van psychologische testen).
Belangrijke kenmerken zijn:
1. Het type informatie dat testen genereren.
2. Betrouwbaarheid van testscores.
3. Geldigheid (validiteit) van testscores.
1.4.1 Een korte geschiedenis van psychometrie:
- Psychologische testpraktijk. Vroege vormen van testen waren duizenden jaren
geleden afgenomen in China (examens voor ambtenaren). In de 19e eeuw
systematische meting van psychologische eigenschappen werd geïntroduceerd. In
de 20e eeuw kwamen de intelligentietesten en persoonlijkheidsvragenlijsten tot stand
en was er een explosieve groei van het vakgebied.
- Statistische ontwikkeling. Pioniers zoals Francis Galton, Karl Pearson en Charles
Spearman legden de basis. Zij zorgden voor de ontwikkeling van o.a.: correlatie,
standaarddeviatie, factoranalyse, normaal verdeling, betrouwbaarheidsanalyse en
meetfout.
, - Vanaf de jaren 30-40 ontwikkelde psychometrie zich tot een volwaardige discipline
(oprichting van het tijdschrift Psychometrika, vorming Psychometric Society en de
ontwikkeling van Classical Test Theory (CTT)).
- Later volgden Generalizability Theory (Cronbach, 1970s), Item Response Theory
(IRT, 1950-1970s) en de uitbreiding van validiteitsconcepten (1980-1990s).
1.5 Uitdagingen bij metingen in de psychologie
- Geen enkele meting is ooit volledig perfect. Zelfs bij fysieke metingen, zoals een
weegschaal, een snelheidsmeter of een bloeddrukmeter, kunnen meetfouten
optreden. In de gedragswetenschappen zijn de uitdagingen nog groter, omdat wat
we meten complex, abstract en mensgebonden is.
- Psychologische metingen verschillen van fysieke metingen omdat ze:
1. Te maken hebben met subjectieve eigenschappen.
2. Beïnvloed kunnen worden door mensen zelf (deelnemers of onderzoekers).
3. Vaak composite scores gebruiken.
4. Afhankelijk zijn van de kwaliteit van de gebruikte testen.
1.5.1 De complexiteit van psychologische fenomenen:
- Psychologische eigenschappen bestaan uit veel verschillende aspecten. Een grote
uitdaging is om de juiste dimensies te identificeren en die vervolgens goed te
kwantificeren.
- Critici zeggen vaak: “Je kunt mensen niet tot een getal reduceren”. Dit klopt deels,
maar net als in de natuurwetenschappen kunnen psychologen specifieke
psychologische dimensies meten, zoals motivatie.
- Het doel is om een representatief en valide cijfer te vinden voor een duidelijke
afgebakend aspect van het menselijk functioneren. Hier speelt dimensionaliteit (= de
vraag of een psychologisch construct uit één of meerdere samenhangende
dimensies bestaat) een rol.
1.5.2 De reactiviteit van deelnemers:
- Een tweede grote uitdaging is dat mensen bewust zijn dat ze gemeten worden. Dit
bewustzijn kan hun gedrag of antwoorden beïnvloeden. Voorbeeld: Een vragenlijst
over racisme kan leiden tot sociaal wenselijk antwoorden.
- Dit fenomeen heeft verschillende vormen:
1. Demand characteristics (= deelnemers proberen te raden wat de onderzoek
verwacht en gedragen zich daarnaar).
2. Social desirability (= deelnemers willen een goede indruk maken).
3. Malingering (= deelnemers doen zich juist slechter).
1.5.3 Observer bias:
(= de mensen die psychologische metingen uitvoeren, kunnen onbewust bevooroordeeld
zijn)
- Een onderzoeker die gelooft dat een educatief programma kinderen slimmer maakt,
kan bij het afnemen van intelligentietesten onbewust mildere beoordelingscriteria
hanteren voor de behandelde groep.
- Dit is vooral op toepassing voor psychologie, omdat ze in de natuurkunde
bijvoorbeeld apparaten gebruiken om dingen te meten en geen mensen.