Samenvatting: Risicotaxatie
Hoorcollege 1 - Introductie risicotaxatie
Forensic risk assessment: A beginner’s guide (Brown & Singh, 2014)
- Forensische risicobeoordeling (= een heel moeilijk proces waarbij wordt geprobeerd
de kans op toekomstig crimineel gedrag te voorspellen)
- Het doel is individuen te identificeren die interventie nodig hebben. Vroeger, in de
jaren 90, was het doel vooral de risicofactoren achterhalen, maar niet per se
behandelen. Risicotaxatie is ook risicomanagement (= interventies om het risico te
hanteren of te verminderen, bijvoorbeeld dat een pedoseksueel niet in de buurt van
kinderen mag wonen)
- Waarom is risicotaxatie belangrijk?
1. Therapeutisch belang. Risicobeperkende strategieën te prioriteren, zoals
gebruikmaken van een RNR-model.
2. Ethisch belang. Schaarse middelen effectief in te zetten, dus voor iedere
patiënt dezelfde methode.
3. Veiligheid en maatschappelijk belang. Gemeenschappen te beschermen.
Zowel voor personeel als voor de maatschappij.
4. Communicatie. Je moet transparantie bieden aan je patiënt en uitleggen
waarom deze persoon een hoog risico vormt.
- De focus ligt op zowel risicofactoren (verhogend risico) als beschermende
factoren (verlagende risico), die statisch of dynamisch kunnen zijn.
Geschiedenis:
- Lombroso, 1876. Volgens hem hadden criminelen bepaalde uiterlijke kenmerken,
zoals: grote vooruitstekende kaken, dieperliggende ogen of een haakneus. Hij was
dus een van de eerste die criminelen probeerde te identificeren.
- Burgess, 1928. Hij creëerde een eerste risicotaxatie-instrument. Op basis van
zijn instrument werden 3.000 mensen uit de gevangenis vrijgelaten en 76%
als “hoog risico” verklaard. Hij ontwikkelde een tool die keek naar vier
domeinen: burgerlijke staat, crimineel- en arbeidsverleden en institutioneel
wangedrag.
- In 1950 hadden mensen het idee dat een risicotaxatie-instrument niet nodig
was omdat we psychiaters hadden die dit risico konden inschatten.
- 1960, Baxstrom. Na de zaak van Baxstrom en Herold werden bijna 1000
“high-risk” patiënten vrijgelaten terwijl deze na 4 jaar bijna geen (7%) strafbare
feiten meer hebben gepleegd. Omdat het “buikgevoel” dus zo slecht was,
bracht dit het belang van een risicotaxatie-instrument teweeg.
- 1970-80. Een ander onderzoek van Quinsey tussen leerkrachten en een psychiaters
liet zien dat de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid slechter was onder psychiaters
dan onder leerkrachten, op het inschatten van terugval van recidivisten. Dus de
conclusie dat psychiaters hun buikgevoel het niet beter doen dan toeval, bleef
instand. Ook Monahan (1981) concludeerde dit.
- Jaren 90, Martien Philipse. Het TBS-systeem kreeg veel aandacht in deze tijd en
werden geprezen voor innoverende aanpak (Nederland en Canada). Onderzoek naar
deze aanpak vond dat de door clinici voorspelde risicofactor, zoals een gebrek aan
empathie, niet werden gevonden en ook dat er geen verband was tussen klinische
inschatting van terugvalrisico en de feitelijke recidive. Dit zorgde voor een nood aan
een nieuw instrument waaruit het RNR-model ontstond.
, - 2000. RNR-modellen werden geïntegreerd in de praktijk.
RNR-model, Andrews & Bonta (1990):
- Het Risk-Need-Responsivity (RNR) - model bestaat uit vier kernprincipes:
1. Evidence based practice (= interventies moeten gebaseerd zijn op resultaten
die afkomstig zijn van het wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit
van die interventies)
2. Risicoprincipe (risk) = het niveau van interventie moet overeenkomen met
risico op recidive. Wie moet je gaan behandelen?
- Dus stem de behandelintensiteit af met het recidiverisico van de
cliënt. Dus mensen met een hoge kans op recidiveren hebben meer
baat bij intense behandeling en andersom.
- Deze behandeling afstemmen is heel belangrijk omdat het risico
anders toe kan nemen.
- De stoornis behandelen staat hier dus niet centraal.
3. Behoefteprincipe (need) = behandeling moet gericht zijn op veranderbare,
criminogene behoeften (= factoren die direct verband houden met crimineel
gedrag). Wat moet je gaan behandelen? Voorbeelden van criminogene
behoeften (central eight):
- Dit waren vroeger de big four:
a. (Niet dynamische risicofactor) Criminele / delict geschiedenis
(betrokken zijn bij antisociale handelingen, veranderende behoefte is
werken aan niet-antisociale alternatieven voor deze situaties)
b. Antisociale persoonlijkheidspatronen (zoals focus op impulsiviteit,
dus werken aan zelfmanagement bijvoorbeeld).
c. Antisociale cognities (zoals focussen op rationaliseren crimineel
gedrag, bijvoorbeeld zeggen dat je wel van iemand mag stelen als die
persoon zo dom is jou verhaal te volgen, dus deze cognities
verminderen).
d. Antisociale netwerken (zoals focussen op criminele vrienden, dus dit
verminderen).
- Dit waren vroeger de moderate four:
e. Problematische familiebanden of relaties (denk aan opvoeding of
conflicten in relaties, behandeling zou zich moeten focussen op het
verbeteren van deze relaties).
f. Lage school- of werkprestaties (het verbeteren van deze prestaties
houdt mensen bezig, het geeft ze competentie en kan leiden tot
beloning).
g. Gebrek aan prosociale vrijetijdsbesteding (hiervoor geldt ook het
verbeteren van vrijetijdsbesteding om betrokkenheid, beloning en
voldoening te creëren).
h. Middelenmisbruik (in eerste instantie moet het worden behandeld,
daarnaast kan je dit doen via het verminderen van steun voor de
verslaving en het ontwikkelen van alternatieven, maar het herval is
groot).
, 4.
Responsiviteitsprincipe (responsivity) = de behandeling moet aansluiten bij de
leerstijl, motivatie en mogelijkheden van de dader om het leereffect te
maximaliseren. Hoe moet je gaan behandelen? Hieronder vallen twee
principes:
a. Externe responsiviteit (= gebruik van cognitieve gedragstherapie en
sociale leerstrategieën, zoals modelleren, bekrachtigen,
probleemoplossing, maar ook kenmerken van de therapeut).
b. Interne responsiviteit (= aanpassing aan individuele kenmerken zoals
angst, taalniveau, motivatie, persoonlijkheid, geslacht, cultuur of
denkstijl, zoals intelligentie).
- Hoe responsiever de behandeling, hoe minder recidive (23%).
Niet-criminogene behoeften:
- Deze behoeften zijn minder onderzocht en bewezen, maar ze kunnen relevant zijn
voor algemeen delictgedrag. Voorbeelden zijn:
1. Zelfwaardering.
2. Emotionele problemen (bijvoorbeeld het opkroppen van agressie).
3. Psychiatrische aandoening.
4. Gezondheid (door middelenmisbruik of passiviteit).
- Deze dynamische factoren kunnen indirect bijdragen aan terugdringen van
dynamisch risico.
- Belangrijke niet-criminogene behoeften kunnen gerelateerd zijn aan
recidivevermindering, zoals afname negatieve emoties of een succesvol
behandelproces vanuit de cliënt.
Methoden voor het identificeren van risicofactoren:
1. Empirische methode (= onderzoek volgt individuen en identificeert factoren die
statistisch geassocieerd zijn met crimineel gedrag).
2. Theoretische methode (= theorieën bepalen welke kenmerken risico’s verhogen of
verlagen).
3. Klinische methode (= focus op veranderbare factoren die kunnen worden beïnvloed
door behandeling, zoals werkstatus of opleiding).
Benaderingen van forensische risicobeoordeling:
1. Ongestructureerd klinisch oordeel.
, - Voordelen: Flexibel, individueel afgestemd en goedkoop. Sommige stellen
dat je er zelfs geen opleiding voor nodig hebt, maar hier is discussie over.
- Nadelen: Subjectief, lage betrouwbaarheid en voorspellende waarde,
gevoelig voor bias. Dat je geen opleiding nodig hebt zou ook een nadeel
kunnen zijn.
- Kritiek. Onderzoek toont aan dat professionals geweld nauwelijks beter dan
toeval kunnen voorspellen.
2. Actuarieel risicobeoordeling.
- Werkwijze: Gestandaardiseerde instrumenten gebaseerd op statistiek
gebruiken risicofactoren om recidive te voorspellen, vaak statisch.
- Voordelen: Objectief, snel, gebaseerd op historische gegevens en
vermindert menselijke bias.
- Nadelen: Voorspellingen gelden voor groepen, niet altijd voor individuen en
beperkte toepassing bij case-specifieke omstandigheden. Ook worden
dynamische of beschermende factoren niet meegenomen.
- Voorbeelden:
1. StatRec (= Static Risk of Recidivism, een instrument met 6 items;
geslacht, leeftijd, geboorteland, type delict, eerdere veroordelingen en
opeenvolging van justitiële contacten). AUC is .80. Een nederlands
instrument en dus niet veel empirisch bewijs.
2. J-SOAP D (= een risicotaxatie-instrument voor 12-18 jarigen die
zedendelicten hebben gepleegd).
3. STABLE.
4. VRAG-R (= voorspelt geweld bij geestelijke gestoorde daders).
5. Static-99R (= voorspelt seksuele recidive). Zeer bekend en veel
empirisch bewijs.
6. LS/CMI (= voorspelt algemene recidive en criminogene behoeften).
- De PCL-R is officieel geen risicotaxatie-instrument, maar hier wordt in
HC5 dieper op in te gaan.
3. Gestructureerd professioneel oordeel.
- Werkwijze: Combinatie van risicofactoren en klinische ervaring geeft
risicocategorieën.
- Voordelen: Meer gericht op individuen, kan aanvullende informatie gebruiken
zoals de context, vergelijkbare voorspellende waarde als actuarieel.
- Nadelen: Minder objectief, kans op menselijke bias en langer te
administreren. Ook geeft het weinig instructies voor interventies.
- Voorbeelden:
1. Algemeen:
- HCR-20 (= voorspelt geweld bij geestelijke gestoorde
patiënten).
- HKT-30 (= algemeen / geweld)
- SAPROF (= geweld / beschermend)
2. Jeugd:
- EARL-20B (jongens 6-12 jaar, geweld) en de EARL-21G
(meisjes 6-12 jaar, geweld) is het enige instrument die man en
vrouw splitst.
- SAVRY (= 12-18 jarige, geweld)
- RAP (= 12-18 jarige, expertise)
Hoorcollege 1 - Introductie risicotaxatie
Forensic risk assessment: A beginner’s guide (Brown & Singh, 2014)
- Forensische risicobeoordeling (= een heel moeilijk proces waarbij wordt geprobeerd
de kans op toekomstig crimineel gedrag te voorspellen)
- Het doel is individuen te identificeren die interventie nodig hebben. Vroeger, in de
jaren 90, was het doel vooral de risicofactoren achterhalen, maar niet per se
behandelen. Risicotaxatie is ook risicomanagement (= interventies om het risico te
hanteren of te verminderen, bijvoorbeeld dat een pedoseksueel niet in de buurt van
kinderen mag wonen)
- Waarom is risicotaxatie belangrijk?
1. Therapeutisch belang. Risicobeperkende strategieën te prioriteren, zoals
gebruikmaken van een RNR-model.
2. Ethisch belang. Schaarse middelen effectief in te zetten, dus voor iedere
patiënt dezelfde methode.
3. Veiligheid en maatschappelijk belang. Gemeenschappen te beschermen.
Zowel voor personeel als voor de maatschappij.
4. Communicatie. Je moet transparantie bieden aan je patiënt en uitleggen
waarom deze persoon een hoog risico vormt.
- De focus ligt op zowel risicofactoren (verhogend risico) als beschermende
factoren (verlagende risico), die statisch of dynamisch kunnen zijn.
Geschiedenis:
- Lombroso, 1876. Volgens hem hadden criminelen bepaalde uiterlijke kenmerken,
zoals: grote vooruitstekende kaken, dieperliggende ogen of een haakneus. Hij was
dus een van de eerste die criminelen probeerde te identificeren.
- Burgess, 1928. Hij creëerde een eerste risicotaxatie-instrument. Op basis van
zijn instrument werden 3.000 mensen uit de gevangenis vrijgelaten en 76%
als “hoog risico” verklaard. Hij ontwikkelde een tool die keek naar vier
domeinen: burgerlijke staat, crimineel- en arbeidsverleden en institutioneel
wangedrag.
- In 1950 hadden mensen het idee dat een risicotaxatie-instrument niet nodig
was omdat we psychiaters hadden die dit risico konden inschatten.
- 1960, Baxstrom. Na de zaak van Baxstrom en Herold werden bijna 1000
“high-risk” patiënten vrijgelaten terwijl deze na 4 jaar bijna geen (7%) strafbare
feiten meer hebben gepleegd. Omdat het “buikgevoel” dus zo slecht was,
bracht dit het belang van een risicotaxatie-instrument teweeg.
- 1970-80. Een ander onderzoek van Quinsey tussen leerkrachten en een psychiaters
liet zien dat de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid slechter was onder psychiaters
dan onder leerkrachten, op het inschatten van terugval van recidivisten. Dus de
conclusie dat psychiaters hun buikgevoel het niet beter doen dan toeval, bleef
instand. Ook Monahan (1981) concludeerde dit.
- Jaren 90, Martien Philipse. Het TBS-systeem kreeg veel aandacht in deze tijd en
werden geprezen voor innoverende aanpak (Nederland en Canada). Onderzoek naar
deze aanpak vond dat de door clinici voorspelde risicofactor, zoals een gebrek aan
empathie, niet werden gevonden en ook dat er geen verband was tussen klinische
inschatting van terugvalrisico en de feitelijke recidive. Dit zorgde voor een nood aan
een nieuw instrument waaruit het RNR-model ontstond.
, - 2000. RNR-modellen werden geïntegreerd in de praktijk.
RNR-model, Andrews & Bonta (1990):
- Het Risk-Need-Responsivity (RNR) - model bestaat uit vier kernprincipes:
1. Evidence based practice (= interventies moeten gebaseerd zijn op resultaten
die afkomstig zijn van het wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit
van die interventies)
2. Risicoprincipe (risk) = het niveau van interventie moet overeenkomen met
risico op recidive. Wie moet je gaan behandelen?
- Dus stem de behandelintensiteit af met het recidiverisico van de
cliënt. Dus mensen met een hoge kans op recidiveren hebben meer
baat bij intense behandeling en andersom.
- Deze behandeling afstemmen is heel belangrijk omdat het risico
anders toe kan nemen.
- De stoornis behandelen staat hier dus niet centraal.
3. Behoefteprincipe (need) = behandeling moet gericht zijn op veranderbare,
criminogene behoeften (= factoren die direct verband houden met crimineel
gedrag). Wat moet je gaan behandelen? Voorbeelden van criminogene
behoeften (central eight):
- Dit waren vroeger de big four:
a. (Niet dynamische risicofactor) Criminele / delict geschiedenis
(betrokken zijn bij antisociale handelingen, veranderende behoefte is
werken aan niet-antisociale alternatieven voor deze situaties)
b. Antisociale persoonlijkheidspatronen (zoals focus op impulsiviteit,
dus werken aan zelfmanagement bijvoorbeeld).
c. Antisociale cognities (zoals focussen op rationaliseren crimineel
gedrag, bijvoorbeeld zeggen dat je wel van iemand mag stelen als die
persoon zo dom is jou verhaal te volgen, dus deze cognities
verminderen).
d. Antisociale netwerken (zoals focussen op criminele vrienden, dus dit
verminderen).
- Dit waren vroeger de moderate four:
e. Problematische familiebanden of relaties (denk aan opvoeding of
conflicten in relaties, behandeling zou zich moeten focussen op het
verbeteren van deze relaties).
f. Lage school- of werkprestaties (het verbeteren van deze prestaties
houdt mensen bezig, het geeft ze competentie en kan leiden tot
beloning).
g. Gebrek aan prosociale vrijetijdsbesteding (hiervoor geldt ook het
verbeteren van vrijetijdsbesteding om betrokkenheid, beloning en
voldoening te creëren).
h. Middelenmisbruik (in eerste instantie moet het worden behandeld,
daarnaast kan je dit doen via het verminderen van steun voor de
verslaving en het ontwikkelen van alternatieven, maar het herval is
groot).
, 4.
Responsiviteitsprincipe (responsivity) = de behandeling moet aansluiten bij de
leerstijl, motivatie en mogelijkheden van de dader om het leereffect te
maximaliseren. Hoe moet je gaan behandelen? Hieronder vallen twee
principes:
a. Externe responsiviteit (= gebruik van cognitieve gedragstherapie en
sociale leerstrategieën, zoals modelleren, bekrachtigen,
probleemoplossing, maar ook kenmerken van de therapeut).
b. Interne responsiviteit (= aanpassing aan individuele kenmerken zoals
angst, taalniveau, motivatie, persoonlijkheid, geslacht, cultuur of
denkstijl, zoals intelligentie).
- Hoe responsiever de behandeling, hoe minder recidive (23%).
Niet-criminogene behoeften:
- Deze behoeften zijn minder onderzocht en bewezen, maar ze kunnen relevant zijn
voor algemeen delictgedrag. Voorbeelden zijn:
1. Zelfwaardering.
2. Emotionele problemen (bijvoorbeeld het opkroppen van agressie).
3. Psychiatrische aandoening.
4. Gezondheid (door middelenmisbruik of passiviteit).
- Deze dynamische factoren kunnen indirect bijdragen aan terugdringen van
dynamisch risico.
- Belangrijke niet-criminogene behoeften kunnen gerelateerd zijn aan
recidivevermindering, zoals afname negatieve emoties of een succesvol
behandelproces vanuit de cliënt.
Methoden voor het identificeren van risicofactoren:
1. Empirische methode (= onderzoek volgt individuen en identificeert factoren die
statistisch geassocieerd zijn met crimineel gedrag).
2. Theoretische methode (= theorieën bepalen welke kenmerken risico’s verhogen of
verlagen).
3. Klinische methode (= focus op veranderbare factoren die kunnen worden beïnvloed
door behandeling, zoals werkstatus of opleiding).
Benaderingen van forensische risicobeoordeling:
1. Ongestructureerd klinisch oordeel.
, - Voordelen: Flexibel, individueel afgestemd en goedkoop. Sommige stellen
dat je er zelfs geen opleiding voor nodig hebt, maar hier is discussie over.
- Nadelen: Subjectief, lage betrouwbaarheid en voorspellende waarde,
gevoelig voor bias. Dat je geen opleiding nodig hebt zou ook een nadeel
kunnen zijn.
- Kritiek. Onderzoek toont aan dat professionals geweld nauwelijks beter dan
toeval kunnen voorspellen.
2. Actuarieel risicobeoordeling.
- Werkwijze: Gestandaardiseerde instrumenten gebaseerd op statistiek
gebruiken risicofactoren om recidive te voorspellen, vaak statisch.
- Voordelen: Objectief, snel, gebaseerd op historische gegevens en
vermindert menselijke bias.
- Nadelen: Voorspellingen gelden voor groepen, niet altijd voor individuen en
beperkte toepassing bij case-specifieke omstandigheden. Ook worden
dynamische of beschermende factoren niet meegenomen.
- Voorbeelden:
1. StatRec (= Static Risk of Recidivism, een instrument met 6 items;
geslacht, leeftijd, geboorteland, type delict, eerdere veroordelingen en
opeenvolging van justitiële contacten). AUC is .80. Een nederlands
instrument en dus niet veel empirisch bewijs.
2. J-SOAP D (= een risicotaxatie-instrument voor 12-18 jarigen die
zedendelicten hebben gepleegd).
3. STABLE.
4. VRAG-R (= voorspelt geweld bij geestelijke gestoorde daders).
5. Static-99R (= voorspelt seksuele recidive). Zeer bekend en veel
empirisch bewijs.
6. LS/CMI (= voorspelt algemene recidive en criminogene behoeften).
- De PCL-R is officieel geen risicotaxatie-instrument, maar hier wordt in
HC5 dieper op in te gaan.
3. Gestructureerd professioneel oordeel.
- Werkwijze: Combinatie van risicofactoren en klinische ervaring geeft
risicocategorieën.
- Voordelen: Meer gericht op individuen, kan aanvullende informatie gebruiken
zoals de context, vergelijkbare voorspellende waarde als actuarieel.
- Nadelen: Minder objectief, kans op menselijke bias en langer te
administreren. Ook geeft het weinig instructies voor interventies.
- Voorbeelden:
1. Algemeen:
- HCR-20 (= voorspelt geweld bij geestelijke gestoorde
patiënten).
- HKT-30 (= algemeen / geweld)
- SAPROF (= geweld / beschermend)
2. Jeugd:
- EARL-20B (jongens 6-12 jaar, geweld) en de EARL-21G
(meisjes 6-12 jaar, geweld) is het enige instrument die man en
vrouw splitst.
- SAVRY (= 12-18 jarige, geweld)
- RAP (= 12-18 jarige, expertise)