Staats- en bestuursrecht valt onder het publiekrecht:
• Organisatie van de staat
• Verhouding burger – overheid en overheid- overheid
• Uitoefening van overheidsgezag via publiekrechtelijke rechtshandelingen
Bronnen:
• Grondwet: fundament van de staatsinrichting
• Organieke wetten: door Grondwet voorgeschreven, zoals Gemeentewet en Provinciewet
• Algemene wet bestuursrecht: algemene regels bestuursorganen en rechtsbescherming burgers
• Internationale verdragen EU recht: EVRM, EU-Handvest, EU-verordeningen
• Jurisprudentie
• Ongeschreven recht
Staatsrecht (ook wel: constitutioneel recht) is het primaire, funderende recht: omvat regels voor de
totstandkoming, geldigheid en handhaving van rechtsnormen
• De grondstructuur en organisatie van de staat
• Verhouding burger – overheid en overheid - overheid
Bestuursrecht: wordt beschouwd als secundair recht dat voortkomt uit het constitutionele recht
• Uitoefening van bestuursbevoegdheden en de toepassing van besluiten in concrete gevallen.
Functies staatsrecht:
• Constitueren: overheidsambten instellen
• Attribueren: bevoegdheden toekennen aan overheidsambten
• Reguleren: voorwaarden en grenzen aan die bevoegdheden uitoefenen
• Legitimeren: vertrouwen in de machtsuitoefening door de staat
De overheid beschikt over macht (feitelijke invloed) en bevoegdheid (juridisch geregelde macht)
• Voor legitiem handelen van de overheid is feitelijke macht en wettelijke bevoegdheid noodzakelijk
• Macht is gedepersonaliseerd: niet langer de persoon, maar het ambt bezit de macht.
Bevoegdheden zijn toebedeeld aan ambten: formele functies binnen de overheid met duidelijk
omschreven taken en verantwoordelijkheden
Materieel recht: inhoud van rechten en plichten
Formeel recht: procesregels om materieel recht af te dwingen
Soorten overheidshandelingen:
• Feitelijke handeling: geen rechtsgevolg, het bouwen van een brug, het openbreken van een weg,
etc.
• Rechtshandelingen: heeft rechtsgevolgen
o Privaatrechtelijke rechtshandelingen (art. 2:1 BW): een gemeente koopt een bureau voor
hun kantoor
o Publiekrechtelijke rechtshandelingen: vaak eenzijdig verbindende besluiten
Eenzijdig verbindende besluiten: besluiten waarbij de overheid zelfstandig rechtsgevolgen oplegt,
zonder dat instemming van de burger vereist is. De burger is hieraan gebonden.
,Soorten:
• Algemeen verbindende voorschriften (Avv’s)
• Beschikkingen
• Beleidsregels
• Plannen
Noodzaak: bepaalde collectieve voorzieningen (infrastructuur, veiligheid, volksgezondheid) kunnen niet
door individuen geregeld worden. Alleen de overheid kan in zulke algemene belangen uniforme, bindende
regels stellen die voor iedereen gelden
Legitimatie:
• Democratisch: de bevoegdheid tot besluitvorming vloeit voort uit wetten die door
volksvertegenwoordigers zijn vastgesteld
• Juridisch: elk overheidsoptreden moet berusten op een wettelijke grondslag en moet voldoen
aan beginselen zoals vastgesteld in Awb
De rechtsstaat is er ter bescherming van burgers jegens overheidshandelingen.
Ze staat tegenover:
• Een politiestaat, waarin willekeur regeert
• Een totalitaire staat, waarin geen grenzen aan overheidsmacht bestaan
Rechtsstaat historisch gezien als reactie op het absolutisme van vorsten
Evolutie rechtsstaat:
• Theocratische staatsopvatting
o Vorst regeert in naam van God
o ‘princeps legibus solutus est’: de vorst is niet gebonden aan de wetten
• Natuurrecht
o Bevoegdheden vorst beperken
o Onveranderlijke, uit natuur voortvloeiende rechtsbeginselen
o Kijken naar rechtmatigheid
o Vorst moet optreden namens algemeen belang
▪ Anders: recht op verzet tegen tiran
• Feodale staat:
o Vorst heeft militaire macht en financiële middelen nodig
o In ruil daarvoor geeft vorst domeingoed aan leenmannen
o Ontstaan van wederzijdse rechten en plichten
o Codificatie van gewoonterecht/natuurrecht
• Model van de absolute rechtsstaat
o Als reactie op de godsdienst oorlogen
o Bodin: absolute soevereiniteit
▪ Eén sterke leider voor orde en rust
▪ Niet afhankelijke van andere machten
▪ Bevoegdheid om nieuw recht te maken
• Klassieke liberale rechtsstaat (17e-19e eeuw)
o John Locke: grondlegger natuurrecht
▪ Mensen hebben natuurlijke rechten
▪ Maatschappelijk contract: mensen geven een stukje vrijheid op aan de staat, in
ruil voor bescherming
, ▪ Machtenscheiding: wetgevende en uitvoerende macht
▪ Constitutionele democratie door representatie
o Montesquieu
▪ ‘De l’esprit des lois’: de geest van de wetten
▪ Machtenscheiding: wetgevende, uitvoerende én rechterlijke macht
▪ Checks and balances: machten moeten elkaar controleren en in evenwicht
houden
o Jean-Jacques Rousseau
▪ Contrat social: burgers sluiten een sociaal contract met elkaar, niet alleen de
staat (maatschappelijk contract)
▪ Volonté générale: wil van het volk moet gericht zijn op algemeen belang
▪ Directe democratie: burgers mogen zelf meebeslissen
• Democratische rechtsstaat (19e eeuw)
o Burgers krijgen zeggenschap via algemeen kiesrecht: 1917 voor mannen, 1919 ook voor
vrouwen
o Macht dient democratisch gelegitimeerd en gecontroleerd te zijn
• Sociale rechtsstaat (20e eeuw)
o Overheid krijgt een actieve rol om sociale gelijkheid en bestaanszekerheid te bevorderen
o Sociale grondrechten, zoals onderwijs, huisvesting en zorg, worden geïntroduceerd
Democratische rechtsstaat:
Kernbeginselen:
• Legaliteitsbeginsel art 16 GW en 1 Sr: elk overheidshandelen moet berusten op de wet en geen
terugwerkende kracht (tenzij misdrijf op menselijk leven)
o Negatieve zin: het recht begrenst overheidsmacht
o Positieve zin: het recht schept bevoegdheden voor overheidsoptreden
• Machtsverdeling (trias politica): wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht moeten
gescheiden en onafhankelijk zijn
o Sprake van checks and balances: machten controleren elkaar
• Grondrechten: fundamentele rechten die iedereen moet waarborgen
o Klassiek: geen overheidsbemoeienis
▪ Vrijheid van meningsuiting, recht op privacy
o Sociaal: actieve rol overheid
▪ Onderwijs, zorg, werk
• Rechterlijke controle art 17 Gw: onafhankelijke rechtsspraak voor iedere burger
• Democratie art 4 Gw: belangrijke beslissingen worden per volksvertegenwoordiger gekozen
Vereisten:
• Procedureel:
o Actief kiesrecht: iedereen mag stemmen
o Passief kiesrecht: iedereen mag gekozen worden
o Meerderheidsbesluitvorming: beslissingen worden genomen door meerderheid van
stemmen
o Effectieve participatie: iedereen heeft gelijke kansen om hun mening te uiten en mee te
doen aan het politieke proces
• Materieel: rechten en plichten
o Effectieve toegang tot informatie
▪ Onafhankelijke pers, transparantie en openbaarheid van bestuur
▪ Educatie