Group Model Building = het bouwen van een model dat een fenomeen beïnvloed op een negatieve of
positieve manier. Manier om een gezamenlijk beeld te krijgen. Het is uitstekend voor wicked problems,
omdat verschillende probleempercepties dan tot een gedeelde perceptie kunnen komen.
➢ Actoren leren door de inzichten en ervaringen te delen
➢ Gezamenlijk een werkelijkheid creëren
➢ Commitment en consensus bereiken door deelname
➢ Methode helpt problemen begrijpen, beleid te evalueren en verkennen welke interventies
zouden kunnen werken
4 stappen van een GMB sessie:
1. Vaststellen van het probleem
2. Identificeren van variabalen die een rol spelen in het probleem
3. Identificeren van causale verbanden tussen variabelen en de polariteit ( = meer van x leidt tot
meer van y) aangeven
4. Identificeren van feedback in het systeem, dat problemen verklaart
Hoorcollege 2: De basis leggen voor het vak
Dit vak helpt begrijpen waarom er wel of geen beleidsveranderingen plaatsvinden.
Referentiekader = de figuurlijke bril waarmee iemand naar de werkelijkheid kijkt. Deze bril is bepaald
op basis van verschillende kenmerken, zoals opleiding, geloof, ervaring, vrienden, etc. De bril bepaalt
waar je geïnteresseerd in bent (je selecteert en kijkt alleen naar de onderwerpen die jij interessant
vind). De manier waarop je die informatie die je ziet interpreteert komt door de bril (jij kan iets een
probleem vinden, maar andere niet). Iedereen ziet dus iets anders (bias).
Probleemdefinitie bestaat uit (Resodihardjo):
- Omschrijft wat het probleem is
- Wat de oorzaak is
- Hoe het kan worden opgelost > het is belangrijk om je oplossing te benoemen, want anders
kan er alsnog een oplossing komen waar je niet blij mee bent. In een debat kan je aangeven
dat andermans oplossingen niet werken of dat het niet wenselijk is voor de maatschappij.
Media framed door op verschillende kanalen op verschillende manieren te praten. De manier waarop
media spreken heeft invloed op hoe mensen denken en op welke manier beleid wordt gemaakt. De
manier waarop de media een onderwerp framed bestaat uit 4 onderdelen:
- Probleem omschrijven
- Oorzaak omschrijven
- Moreel oordeel geven
- Oplossingen suggereren
Tamme en overzichtelijke problemen Wicked problems
Duidelijke problemen waar geen ruzie over is. Complexe problemen die niet makkelijk te
De oorzaken en oplossingen zijn duidelijk. Het is grijpen zijn. Het is niet duidelijk wat de oorzaak
afgebakend en iedereen is er over eens wat de is en wat goede oplossingen zijn. Mensen
problemen zijn. hebben verschillende percepties op het
probleem. Het is onderdeel van een groter
probleem.
,Kenmerken wicked problems (Rittel & Webber)
o Geen definitieve formulering van het probleem, want elke probleemdefinitie impliceert al een
oplossingsrichting
o Niet duidelijk wanneer de oplossing is gevonden
o Oplossingen zijn niet waar of onwaar, maar goed of slecht. Oplossingen worden beter of
slechter afhankelijk van de waarden en belangen van de betrokkenen.
o Geen onmiddellijke en ultieme oplossing voor een probleem. Oplossingen kunnen weer tot
problemen leiden
o Geen mogelijkheid voor trial-and-error. Elke poging om het probleem op te lossen heeft
effecten die niet ongedaan gemaakt kunnen worden
o Geen eindig aantal oplossingen. Nieuwe ideeën kunnen altijd opduiken
o Uniek probleem, waardoor je niet kan leren van andere landen of gemeenten (dit is echter
zelden)
o Er is een symptoom van een ander probleem. Het wordt gevoed door problemen in andere
factoren/beleidsterreinen.
o Verschillende manieren worden uitgelegd (referentiekader). De keuze voor een bepaalde
oplossing bepaalt hoe men een probleem ziet. Het is daardoor moeilijk om te weten wat het
doel is (iedereen kan een ander doel hebben), maar ook lastig om te meten wanneer het doel
is bereikt
o Beleidsmakers kunnen het niet veroorloven om fouten te maken bij het oplossen. Deze fouten
kunnen grote maatschappelijke gevolgen hebben.
2 stromingen van beleidsimplementatie:
▪ Top down > beleidsmaker in Den Haag maakt beleid en de uitvoerders moeten dit uitvoeren
(gemeente). Je moet het beleid dan helemaal dichttimmeren, maar je mist ook lokale kennis
en ervaring.
▪ Bottom up > de uitvoerende ambtenaar wordt meegenomen bij het maken van beleid. Je
neemt dan de expertise en lokale kennis mee. Het is daardoor passend beleid/maatwerk
(echter hoe kunnen we dan democratisch verantwoorden?). Het wringt tussen democratisch
responsief zijn (wat je bij bottom up bent) versus de democratische verantwoording afleggen.
Model Matland
Beleidsvaagheid: doel kan vaag zijn, maar ook de middelen/instrumenten die moeten worden ingezet.
Je kan niet goed checken of je doel is bereikt. Ook kan de gemeente het op een eigen manier
interpreteren en bepalen zij welke kant het beleid op gaat. Soms kan er bewust worden gekozen voor
vaagheid in beleid, want dan kunnen mensen tegenstemmen als ze er niet mee eens zijn (als ze het
niet weten stemmen ze ook niet tegen)
Conflict: ruzie over het doel en/of welke instrumenten daarvoor worden ingezet. Conflict komt alleen
voor als actoren afhankelijk zijn van elkaar, verschillende doelen hebben en ze de situatie zien als een
zero-sum game (als de een wint, dan verliest de ander).
o Administratieve implementatie (laag ambiguïteit/laag conflict)
o Beleidsdoelen en middelen zijn duidelijk en er is weinig weestand
o Succesvolle uitvoering hangt af van middelen en competentie van de uitvoerders
o Politieke implementatie (laag ambiguïteit/hoog conflict)
o Beleidsdoelen zijn duidelijk, maar er is veel strijd tussen belanghebbenden
, o Macht en onderhandelingen bepalen de implementatie
o Experimentele implementatie (hoog ambiguïteit/laag conflict)
o Doelen zijn onduidelijk, maar er is weinig weerstand
o Succes hangt af van de lokale initiatieven en leren door ervaring (experimenteren)
o Symbolische implementatie (hoog ambiguïteit/hoog conflict)
o De doelen als de middelen zijn onduidelijk en er is veel strijd
o Implementatie is vaak onsuccesvol en blijft bij symbolische acties
Bij lage ambiguïteit kan technische en structurele factoren bepalend zijn (top down). Bij hoge
ambiguïteit zal lokale interpretatie overheersen (bottom up). Bij hoog conflict heeft macht de
bovenhand. Bij laag conflict zal er worden geëxperimenteerd.
Grote beleidsveranderingen vinden bijna nooit plaats en dit komt door 2 typen barrières:
1. Opportunity: iemand wil wel veranderen, maar krijgt de kans niet. Je hebt te maken met:
a. Decision-making structure: hoe complexer de besluitvorming is, hoe meer punten er
zijn dat mensen het beleid kunnen tegenhouden
b. Policy inheritance: beledserfenis, dus je bent gehouden aan bestaand beleid en dat
kan je niet zomaar overboord gooien
c. Lock-in: financiële besluiten in het verleden hebben effect op de toekomst
2. Preferences: mensen willen geen hervormingen en hebben hun eigen voorkeuren. Je hebt te
maken met:
a. Paradigma: normen en waarden die algemeen geaccepteerd zijn binnen een
beleidssector en dat bepaalt wat acceptabel is
b. Benefits: actoren hebben baad bij bestaand beleid, omdat ze bijvoorbeeld voordelen
ervaren
c. Vested interests: mensen die hun geld, tijd, kennis hebben geïnvesteerd om hun
huidige positie te bereiken en willen daar niet opeens weg
d. Upsetting en unsettling: psychologisch. Mensen vinden veranderingen niet leuk
Hoorcollege 3: Agenda-setting
Er moet aandacht zijn voor een onderwerp voordat er iets gaat gebeuren, dus de eerste stap is
agendavorming. Het agendavormingsproces is het proces waardoor maatschappelijke problemen de
aandacht van het publiek of de beleidsbepalers krijgen.
Verschillende soorten agenda’s:
• Media agenda
• Publieke agenda
• Politieke agenda
Er vindt interactie plaats tussen de agenda’s. Burgers kunnen zich ergens druk om maken (publieke
agenda) en dan kan worden opgepakt door de media en worden er uiteindelijk vragen gesteld in het
debat (politieke agenda). Ook kan wat besproken wordt in de politiek weer worden opgepakt door de
media en dan komt het weer bij de burgers. Er kan ook een directe lijn van de publieke agenda naar
de politieke agenda zijn.
Priming = als de media ergens aandacht aan besteed, dan zal het publiek zich daar ook op richten.
Framing = de manier waarop media een bericht brengen (verhaal vertellen)
De media beïnvloed wat burgers zien en op welke manier burgers denken over bepaalde
onderwerpen (dus de publieke agenda). Als een burger direct geraakt wordt door een onderwerp dan
hebben ze daar een kennis/ervaring mee en is de invloed van de media kleiner, als de burger er geen
kennis of ervaring van heeft is de invloed groter. Ook beïnvloed de media de politieke agenda, zo zien
we: