1e HC
Stemrecht in een vereniging omvat niet alleen het mogen stemmen, maar ook het
kunnen deelnemen aan de vergadering. Daarbij hoort ook toegang tot de vergadering,
het recht om het woord te voeren en deelname aan de stemming volgens art. 2:38 BW.
Het Wijsmuller-arrest heeft bevestigd dat stemgerechtigden daadwerkelijk in de
gelegenheid moeten zijn gesteld om deel te nemen. Het besluit is ongeldig wanneer
iemand die had moeten worden opgeroepen niet de kans heeft gekregen aanwezig te
zijn.
Dat werd nogmaals bevestigd in HR 2025:978. In deze zaak ging het om een
statutenwijziging met een blokkeringsregeling omtrent aandeelsoverdracht binnen een
familiebedrijf. Eén van de aandeelhouders was niet aanwezig en bleek niet behoorlijk
geïnformeerd te zijn. Jaren later ontstond discussie over de geldigheid van deze
wijziging. De Hoge Raad maakte duidelijk dat wanneer een statutaire oproep- of
deelnamevereiste wordt geschonden, het besluit nietig is op grond van art. 2:14 BW,
ook als dit pas veel later wordt aangevochten.
Leden van verenigingen kunnen, net als aandeelhouders, afspraken onderling maken,
bijvoorbeeld stemafspraken. Dat is op zichzelf toegestaan, zolang deze afspraken niet
ingrijpen in de bevoegdheden en taken van het bestuur of de vereniging zelf. Lastiger
ligt het als een lid en een bestuurder samen afspraken maken. Bestuurders moeten
altijd het belang van de rechtspersoon vooropstellen, terwijl een lid eigen belangen mag
nastreven. Daarom kan zo’n afspraak snel in strijd zijn met de taak van het bestuur. In
het Gelredome-arrest werd uiteindelijk geoordeeld dat afspraken tussen een
rechtspersoon en een bestuurder niet per definitie ongeoorloofd zijn, maar alleen geldig
wanneer zij de bestuurder voldoende ruimte laten om zijn eigen oordeel te vormen in
het belang van de stichting.
Dat uitgangspunt bleek ook in het arrest STAK Chipsol. Een nieuwe bestuurder werd bij
zijn benoeming contractueel beperkt in zijn stemrecht, zolang een senior bestuurder
nog in functie was. Het hof oordeelde dat een bestuurder niet volledig mag worden
gebonden door afspraken die hem verhinderen een eigen oordeel te vormen. Omdat de
gemaakte afspraak geen enkel beoordelingsruimte gaf, werd zij nietig geacht. De vraag
is dus steeds of de bestuurder nog een reële mogelijkheid behoudt om zijn wettelijke
taak naar behoren uit te voeren.
Wat betreft de vraag wie stemrecht heeft in de algemene vergadering: art. 2:38 BW
bepaalt dat stemrecht toekomt aan leden en, bij grote organisaties, aan
afgevaardigden. Niet-leden kunnen alleen stemrecht hebben wanneer de statuten dat
uitdrukkelijk toekennen. Donateurs krijgen dus alleen stemrecht als zij volgens de
statuten een orgaan vormen met die bevoegdheid. Bestuurders en commissarissen
hebben in de algemene vergadering in beginsel geen stemrecht, maar wel een wettelijk
recht op een raadgevende stem (art. 2:44 en 2:47 BW). Voor niet-leden geldt
bovendien dat zij gezamenlijk nooit meer dan een derde van de totale stemmen mogen
hebben.
, Stemmen bij volmacht is voor verenigingen toegestaan wanneer de statuten dit bepalen
(art. 2:38 lid 4). De volmacht moet schriftelijk worden verleend, ook per e-mail, tenzij de
statuten mondelinge volmachten toelaten.
Voor vennootschappen geldt dit soepeler, maar bij verenigingen is het strenger omdat
de persoonlijkheid van het lidmaatschap vooropstaat. Het is overigens niet wenselijk
dat leden volmacht verlenen aan een bestuurder, omdat bestuurders geacht worden in
het belang van de vereniging te handelen. Dan is een steminstructie beter. Een
bestuurder kan zelf ook een volmacht geven, maar hij blijft verantwoordelijk voor de
vervulling van zijn bestuurstaak. Een volmacht kan altijd worden ingetrokken. Digitaal
stemmen en digitaal vergaderen is alleen toegestaan indien de statuten daarin
voorzien. Deze regeling bestond sinds 2017, is tijdelijk vervallen, maar een nieuwe
wettelijke regeling is in voorbereiding.
Een stem is volgens de wet een eenzijdige gerichte rechtshandeling. De stem is nietig
wanneer de eenzijdige rechtshandeling zelf nietig zou zijn, bijvoorbeeld bij strijd met
wet of openbare orde, of wanneer iemand handelingsonbekwaam is. Art. 2:13 BW
bepaalt dat stemmen niet vernietigbaar zijn, maar direct nietig wanneer een
nietigheidsgrond bestaat. De wetgever wilde voorkomen dat individuele stemmen
achteraf via vernietiging zouden worden aangevallen.
Meervoudig stemrecht kan worden toegekend wanneer dit uitdrukkelijk in de statuten is
geregeld. Een lid kan niet meerdere keren lid zijn, maar kan wel meerdere stemmen
hebben, bijvoorbeeld bij verschillende appartementsrechten. Natuurlijke personen
moeten daarbij in één richting stemmen, rechtspersonen kunnen in beginsel
uiteenlopend stemmen, tenzij de statuten anders bepalen. Voor bestuurders en
commissarissen geldt op grond van onder meer art. 2:44 en 2:47 BW dat zij eveneens
meervoudig stemrecht kunnen hebben wanneer de statuten dit toestaan.
Een geldig besluit vereist een rechtsgeldige bijeenroeping, een juiste
meerderheid en correcte besluitvorming volgens de statuten en de wet. Blanco
stemmen en onthoudingen tellen in de regel niet mee voor de meerderheid.
Besluitvorming buiten vergadering is alleen toegestaan bij eenparigheid van stemmen
of wanneer de statuten een andere regeling geven. Het aantal aanwezige leden is in
principe niet relevant, tenzij de statuten een quorum vereisen.
Een besluit is de wilsuiting van het orgaan van de rechtspersoon en heeft interne en
soms ook externe werking. De verhouding tussen besluitvorming en
vertegenwoordiging is regelmatig onderwerp van discussie. In het arrest Utrechts
Monumentenfonds ging het om de vraag of het bestuur door het aannemen van een
aanbod al een overeenkomst tot stand had gebracht. De rechtbank verwees naar het
ontbreken van een formele vertegenwoordiging, maar het hof vond dat het besluit tot
aanvaarding voldoende was. De Hoge Raad corrigeerde dit, omdat de interne
besluitvorming niet automatisch de externe vertegenwoordiging vervangt. Er moet altijd
worden gekeken of de vertegenwoordiger naar buiten toe rechtsgeldig heeft gehandeld.
Ten slotte het tegenstrijdig belang. Er is sprake van een tegenstrijdig belang wanneer
redelijkerwijs kan worden betwijfeld of de bestuurder nog in staat is het belang van de
rechtspersoon voorop te stellen. De ratio is het beschermen van de rechtspersoon
tegen belangenverstrengeling. De wettelijke regeling houdt in dat wanneer een
bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, hij niet aan de besluitvorming meedoet. Bij
stichtingen kan een enig bestuurder in zo’n geval toch een besluit nemen, maar hij
moet gemotiveerd uitleggen waarom hij ondanks het tegenstrijdig belang in het belang
van de stichting handelde. Bij verenigingen en vennootschappen neemt de raad van
commissarissen de besluitvorming over, tenzij de statuten anders bepalen.