Week 1
Echtscheiding:
Erkenning Marokkaanse Khoel – C4
o Rechtsregel: r.o.3.4.1. In sommige gevallen komt de ontbinding van het huwelijk tot
stand doordat de man met medewerking of onder toezicht van een kerkelijke of
burgerlijke autoriteit de vrouw verstoot. Wanneer de tussenkomst van die autoriteit
aan de verstoting het karakter van een procedure geeft en de ontbinding van het
huwelijk dientengevolge onder zekere waarborgen tot stand komt, dan is het geen
bewaar haar in Nederland te erkennen. Deze vorm van verstoting valt onder het
begrip echtscheiding dat in dit artikel wordt gebezigd. In andere landen geschiedt
verstoting echter louter door een handeling van de man zonder medewerking of
toezicht van enige autoriteit, althans zonder enige vorm van proces. Deze verstoting
valt niet onder artikel 2 maar onder artikel 3.
o R.o.3.4.2. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is de voorwaarde genoemd onder c
van art. 3 te weten dat duidelijk blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met
de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd.
o De vraag is op vraag van art. 3 WCE een huwelijksontbinding door verstoting als
erkend kan worden indien de vrouw bij de verstoting heeft ingesteld. De WCE dient
ertoe dat buiten het koninkrijk verkregen ontbinding van het huwelijk in ruime
mate dient te worden erkend. Een verstoting kan erkend worden, op voorwaarde
dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft
ingestemd.
Hadadi – C7
o Wanneer de echtgenoten elk de nationaliteit van dezelfde twee lidstaten bezitten,
verzet art. 3 lid 1 sub b, van verordening nr. 2201/20023 zich ertegen dat de
bevoegdheid van de gerechten van een van die lidstaten wordt uitgesloten op grond
dat de verzoeker geen andere banden met die staat heeft. Integendeel, op grond van
deze bepaling zijn de gerechten bevoegd van de lidstaten waarvan de echtgenoten de
nationaliteit bezitten, en de echtgenoten kunnen kiezen voor het gerecht van welke
lidstaat zij het geschil zullen brengen.
o Indien beide echtgenoten naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere
gemeenschappelijke nationaliteit hebben, dan is de Nederlandse rechter bevoegd,
ongeacht het land van welke nationaliteit de echtgenoten de nauwste band
hebben. Er is geen effectiviteits- en realiteitstoets.
MPA (canvas)
o Nalatenschap X: Om de gewone verblijfplaats van de erflater vast te kunnen stellen
moet worden gekeken naar alle aspecten die het leven van de erflater in de jaren
voor zijn overlijden en op het moment van overlijden hebben gekenmerkt. Het gaat
erin dit verband om de plaats te bepalen waar iemand het permanente centrum van
zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling daaraan een vast karakter te
verlenen. aspecten die van belang zijn:
- duur verblijf
- reden verblijf
- bedoelingen verblijf
- bezit van vermogen in die staat
, - het wel of niet hebben van een woonruimte
- het hebben van een vriendenkring
- het ingeschreven staan bij een huisarts
Senatsverwaltung (canvas)
o Artikel 2, punt 4 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november
2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van
beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot
intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet, met name voor de toepassing
van artikel 21, lid 1, van deze verordening, aldus worden uitgelegd dat:
o Een door een ambtenaar van de burgerlijke stand van de lidstaat van herkomst
opgestelde akte van echtscheiding die een door de echtgenoten gesloten
echtscheidingsovereenkomst bevat en door hen voor die ambtenaar is bevestigd
overeenkomstig de in de wetgeving van die lidstaat gestelde voorwaarden, een
‘beslissing’ vormt in de zin van artikel 2, punt 4.
Alimentatie
KP/LO – G3
o Art. 4, lid 2 van het Haags Protocol 2007 moet aldus worden uitgelegd dat: de
omstandigheid dat de staat van het forum overeenkomt met de staat van de gewone
verblijfplaats van de schuldeiser, geen beletsel vormt voor de toepassing van die
bepaling wanneer het recht dat door de in die bepaling voorziene subsidiaire
aanknopingsregel wordt aangewezen, niet overeenstemt met het recht dat door art.
3 van dat protocol bepaalde primaire aanknopingsregel wordt aangewezen;
o in een situatie waarin de onderhoudsgerechtigde, die zijn gewone verblijfplaats heeft
gewijzigd, bij de gerechten van de staat van zijn nieuwe gewone verblijfplaats een
onderhoudsvordering tegen de schuldenaar instelt voor een periode in het verleden
waarin hij in een andere lidstaat verbleef, de lex fori, die eveneens het recht van de
staat van zijn nieuwe gewone verblijfplaats is, toepassing kan vinden indien de
gerechten van de lidstaat van het forum bevoegd waren om kennis te nemen van de
geschillen over de onderhoudsbijdragen tussen die partijen met betrekking tot die
periode. De termen ‘niet (…) onderhoud (…) kan verkrijgen’ in art. 4 lid 2 van het
Haags Protocol 2007 moeten aldus worden uitgelegd dat zij ook zien op de situatie
waarin de schuldeiser op grond van het recht van de staat van zijn vorige gewone
verblijfplaats geen levensonderhoud kan verkrijgen omdat hij niet aan bepaalde door
dat recht gestelde voorwaarden voldoet.
Mölk/Mölk – G4
o 1. Art. 4, lid 3, Haags Alimentatieprotocol 2007 moet aldus worden uitgelegd dat uit
een situatie als in het hoofdgeding, waarin op verzoek van een schuldeiser en, uit
hoofde van dat art. 4, lid 3, volgens de lex fori die overeenkomstig deze bepaling is
aangewezen, een onderhoudsbijdrage is vastgesteld bij een beslissing die in kracht
van gewijsde is gegaan, niet volgt dat dit recht ook een verzoek om verlaging van die
onderhoudsbijdrage beheerst dat nadien door de schuldenaar tegen de schuldeiser is
ingediend bij de rechterlijke instanties van de staat waar de schuldenaar zijn gewone
verblijfplaats heeft.
o 2. Art. 4, lid 3, Haags Alimentatieprotocol 2007 moet aldus worden uitgelegd dat de
schuldeiser de zaak niet 'aanbrengt' in de zin van dat artikel bij de bevoegde
autoriteit van de staat waar de schuldenaar zijn gewone verblijfplaats heeft wanneer
de schuldenaar verschijnt in de zin van art. 5 van de Verordening (EG) nr. 4/2009
, (Alimentatieverordening) in een procedure die door de schuldenaar voor die
autoriteit aanhangig is gemaakt en concludeert tot verwerping van het verzoek ten
gronde.
o Als een onderhoudsverplichting volgens het toepasselijk recht op grond van art. 4
lid 3 HAP is vastgesteld, en opeenvolgend een verzoek tot verlaging van de
onderhoudsverplichting is ingediend door de onderhoudsplichtige, dan wordt dat
opeenvolgende verzoek niet beheerst door datzelfde recht van art. 4 lid 3 HAP. Dat
recht wordt beheerst door het toepasselijk recht op grond van art. 3 lid 1 HAP.
MPA (canvas)
o R.o. 99: Artikel 7 van verordening nr. 4/2009 stelt aldus 4 cumulatieve voorwaarden
waaraan moet zijn voldaan opdat een gerecht van een lidstaat waarbij een verzoek
inzake onderhoudsverplichtingen is ingediend, zich bij wijze van uitzondering
bevoegd kan verklaren op grond van de noodbevoegdheid (forum necessitatis). Ten
eerste moet dit gerecht vaststellen dat geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is
op grond van artikelen 3 ten en met 6 van verordening nr. 4/2009. Ten tweede moet
het bij hem aanhangige geding nauw verbonden zijn met een derde staat. Ten derde
kan de betrokken procedure in die derde staat niet redelijkerwijs aanhangig worden
gemaakt of worden gevoerd, of blijkt een procedure daar onmogelijk. Ten vierde en
tot slot moet het geschil voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de
zaak aanhangig wordt gemaakt.
Week 2
Afstamming
Afstamming en bigamie – D4
o In de uitspraak van de Hoge Raad oordeelde ze dat de in het buitenland ontstane
familierechtelijke betrekking tussen vader en kind niet wordt erkend in Nederland
als dat kind is geboren uit een tweede huwelijk (bigaam huwelijk). Bigamie (twee
huwelijken tegelijkertijd) en dus ook polygamie (meerdere huwelijken
tegelijkertijd) zijn namelijk in strijd met de Nederlandse openbare orde. Dat leidt er
dus ook toe dat het kind niet de Nederlandse nationaliteit kan krijgen via de
Nederlandse vader omdat het kind ten tijde van de geboorte juridisch beschouwd
niet het kind is van een Nederlander. De familierechtelijke relatie kan wel worden
erkend vanaf het moment dat de polygame situatie is geëindigd. Maar dat heeft
weer geen invloed op het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit omdat deze
erkenning niet terugwerkt tot het moment van de geboorte van het kind. Wat is de
oplossing? De Hoge Raad, en dit was al jaren ook praktijk, erkent in de uitspraak
van 19 mei 2017 dat het kind wel erkend kan worden door de vader net zoals een
vader zijn kind kan erkennen als er helemaal geen huwelijk of geregistreerd
partnerschap zou zijn met de moeder. Die erkenning heeft wel tot gevolg dat het
kind alsnog de Nederlandse nationaliteit verkrijgt.
Ouderlijke verantwoordelijkheid
Mercredi – F4
o De criteria aan de hand waarvan het nationale gerecht de gewone verblijfplaats
van een kind moet vaststellen, omvatten met name de omstandigheden en de
redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van een lidstaat en zijn
nationaliteit.