Werkcollege 5 september 2024: Inleiding & Personen- en familierecht I
Voorwoord:
- Schone wettenbundel en jurisprudentiebundel, alleen tabjes met de namen van de wetten en arresten.
- Preambules en concordantietabellen niet geheel uitprinten, alleen wat je nodig hebt (mag wel, maar
niet heel handig voor jezelf).
Wat mag mee? Wetseditie en jurisprudentiebundel mag mee. Dus niet juncto’en!!
Opdrachten
Opdracht A
Lees de onderstaande uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar.
Rb. Noord-Holland, locatie Alkmaar 15 mei 2024 (fictief)
Duits/Nederlandse echtscheiding
Echtscheidingsprocedure tussen een Duitse vrouw en een Nederlandse man, die op 1 augustus 1992 in
Duitsland zijn gehuwd. Zij woonden tot 1998 in Duitsland en verhuisden in dat jaar naar Nederland,
waar beide echtgenoten nog steeds zijn gevestigd. De vrouw verzoekt primair echtscheiding,
subsidiair scheiding van tafel en bed, voorts verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap
van goederen, alsmede toekenning van een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man.
Rechtbank:
‘1. Door de omstandigheid dat verzoekster de Duitse nationaliteit bezit (verweerder is
Nederlander) draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te
worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Op grond van art. 3
sub a (i) van de Verordening Brussel II-ter kan deze vraag ten aanzien van het verzoek tot
echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed bevestigend worden beantwoord, nu – naar de
rechtbank als vaststaand aanneemt – beide partijen ten tijde van het indienen van het verzoekschrift
hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Ten aanzien van de nevenverzoeken komt op grond
van art. 5 lid 1 Verordening Huwelijksvermogensstelsels respectievelijk art. 3 sub a
Alimentatieverordening aan de rechtbank eveneens rechtsmacht toe.
2. Vervolgens komt aan de orde de vraag welk rechtsstelsel op hoofd- en nevenverzoeken van
toepassing is. Op het primaire verzoek tot echtscheiding is op grond van art. 10:56 lid 1 BW
Nederlands recht van toepassing, aangezien partijen geen rechtskeuze hebben gedaan en daartoe ook
niet – gezien het feit dat zij geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben – de mogelijkheid hebben
(vgl art. 10:56 lid 2 BW).
3. Nu partijen vóór 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden, dient de vraag naar het
toepasselijk recht op het nevenverzoek tot boedelverdeling te worden beantwoord naar ongeschreven
regels van Nederlands internationaal privaatrecht (vgl. art. 21 Haags Huwelijksvermogensverdrag
1978). Op grond van HR 10 december 1976, NJ 1977, 275 (Chelouche v. Van Leer) is het Duitse recht
van toepassing, aangezien partijen ten tijde van de huwelijkssluiting van nationaliteit verschilden,
maar hun eerste huwelijksdomicilie in Duitsland vestigden. Aangezien het Duitse recht niet de
1
, algehele gemeenschap van goederen, maar een beperkte gemeenschap (de zogenaamde
Zugewinngemeinschaft) kent, begrijpt de rechtbank het nevenverzoek tot boedelverdeling als een
verzoek tot verrekening van de Zugewinngemeinschaft naar Duits recht.
4. Het toepasselijk recht op het verzoek tot toekenning van alimentatie ten behoeve van de
vrouw dient op grond van artikel 15 Alimentatieverordening bepaald te worden aan de hand van het
Haags Alimentatieprotocol 2007. Het Haags Alimentatieprotocol is zowel materieel (art: 1
onderhoudsverplichtingen uit huwelijk), formeel (art. 2: universeel) als temporeel (de regels van het
protocol worden na 18 juni 2011 toegepast door rechters van EU lidstaten) van toepassing. Op grond
van art. 3 is het recht van de gewone verblijfplaats van de schuldeiser (de vrouw) van toepassing:
Nederlands recht.
5. Het primaire verzoek tot echtscheiding kan, gelet op het toepasselijke recht, waar ten processe
als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en
tegen dit verzoek geen verweer is gevoerd, worden toegewezen.
6. Ook de nevenverzoeken kunnen gezien het daarop toe te passen rechtsstelsel - met
inachtneming van het vorenstaande - als gegrond en onbestreden worden toegewezen, met dien
verstande dat het nevenverzoek tot boedelverdeling zal worden verstaan als een verzoek tot
verrekening van de Zugewinngemeinschaft naar Duits recht.’
Vraag 1
a. Waarom is hier sprake van een IPR-geval?
Antwoord:
Voor een IPR-geval moet sprake zijn van een privaatrechtelijke casus met grensoverschrijdende
aspecten. In casu gaat het om een echtscheidingsverzoek, de toekenning van een uitkering en de
verdeling van de gemeenschap. Dit zijn privaatrechtelijke vraagstukken.
Het is daarnaast ook grensoverschrijdend. De vrouw heeft de Duitse nationaliteit en de Man de
Nederlandse. Ze zijn gehuwd in Duitsland, hebben daar gewoond en daarna verhuisd naar
Nederland. Er spelen dus mogelijk twee rechtssystemen.
Kortom: aan beide vereisten voor een IPR-geval is voldaan.
b. Op welk onderdeel van het IPR hebben de overwegingen 1 t/m 6 betrekking?
Welk recht is van toepassing, welke rechter, erkenning, tenuitvoerlegging
Antwoord:
Overweging 1 heeft betrekking op het internationaal bevoegdheidsrecht. Het bevoegdheidsrecht
gaat over de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om hierover te oordelen. Het gaat om
rechtsmacht, dat is een andere woord voor internationale bevoegdheid.
Overwegingen 2 t/m 4 hebben betrekking op het conflictenrecht. Het conflictenrecht gaat
namelijk over de vraag welk recht moet worden toegepast op rechtsverhoudingen met een
internationaal karakter, het eigen recht of een buitenlands recht. Het door de conflictregel als
toepasselijk aangewezen recht pleegt men aan te duiden als de lex causae.
Bij par. 4 stoppen wij in dit vak. Par. 5 en 6 zijn géén IPR meer. Of die echtscheiding
uitgesproken kan worden, dat is een vervolgvraag, maar dat is een vraag van materieel recht. IPR
houdt op bij 4 want, wij doen procesrechtelijke kant van het vak.
2