Overdrachts- en omzetbelasting | jaargang 2025/2026
Werkgroep-opdrachten week 7
Onderwerpen: Vrijstellingen
Nb. licht uw antwoorden steeds toe en geef daarbij aan welke wettelijke bepalingen en eventuele
beleidsbesluiten van toepassing zijn. Tip: bij de beantwoording van de vragen is het raadzaam om
aan te sluiten bij het behandelde stappenplan:
WAT voor belastbare handeling wordt verricht?
WIE is de verkrijger?
WAAROVER dient de overdrachtsbelasting te worden voldaan (indien geen vrijstelling)?
WELKE vrijstelling(en) geldt voor deze belastbare handeling?
Aantekeningen docent (week 7 – overdrachtsbelasting / OB):
Morgen is er een extra college voor extra uitleg.
Focus op het begrijpen van het systeem van de wet:
o belastbaar feit
o ficties
o maatstaf van heffing
Belangrijke artikelen (OB):
Artikel 7
Artikel 11
Artikel 15
Artikel 37d
o regels uit de Uitvoeringsbeschikking (o.a. optieregeling)
Uitvoeringsbeschikking:
Artikel 12 en 13
Onderwerpen zoals:
o herziening
o recht op aftrek
, Opgave 1
a. Maartje (26 jr) en Maarten (26 jr) gaan samen hun eerste appartement in Scheveningen
kopen om te wonen. Het appartement heeft een waarde van 320.000 euro, ze verkrijgen
ieder de helft van de onverdeelde eigendom. De verkrijging vindt plaats op 1 februari 2021.
Ze vervangen de keuken en badkamer en leggen een nieuwe vloer. Op 1 januari 2023 gaan
ze uit elkaar, Maartje koopt Maarten uit. De woning heeft een waarde van 360.000, Maartje
betaalt aan Maarten
170.000 (hij heeft minder bijgedragen aan de kosten voor de verbouwing). Op 5 juni 2023
draagt Maartje het appartement over aan Niek (33 jr) en Nora (36 jr), gehuwd in
gemeenschap van goederen met een dochter, die het appartement als vakantieappartement
willen gebruiken. De koopsom is 375.000. Hoe verloopt de heffing van overdrachtsbelasting?
Bij de eerste verkrijging op 1 februari 2021 kopen Maartje en Maarten gezamenlijk een
appartement voor €320.000, waarbij zij ieder voor de helft eigenaar worden. Op deze
verkrijging is de startersvrijstelling van art. 15 lid 1 sub p WBR van toepassing. Beide
verkrijgers zijn tussen de 18 en 34 jaar, het betreft hun eerste woning, de woning zal als
hoofdverblijf dienen en de waarde blijft onder de geldende grens. Dit betekent dat over deze
verkrijging geen overdrachtsbelasting verschuldigd is.
Op 1 januari 2023 gaan partijen uit elkaar en verkrijgt Maartje de volledige eigendom van de
woning. Op grond van art. 7 WBR wordt zij geacht de gehele woning te verkrijgen, maar via
art. 12 WBR wordt rekening gehouden met het feit dat zij reeds voor de helft gerechtigd was.
Voor de verkrijging van de andere helft (€180.000) kan echter de vrijstelling van art. 15 lid 1
sub g WBR worden toegepast. Er is sprake van een verdeling van een gemeenschappelijk
verkregen woning tussen samenwoners, waarbij aan alle voorwaarden is voldaan. Dat Maartje
€170.000 betaalt, doet hier niet aan af, aangezien de heffing gebaseerd is op de gerechtigdheid
en niet op de feitelijke betalingen. Hierdoor is ook over deze verkrijging geen
overdrachtsbelasting verschuldigd.
Op 5 juni 2023 verkoopt Maartje de woning aan Niek en Nora voor €375.000. Zij verkrijgen
ieder de helft. De startersvrijstelling is hier niet van toepassing, omdat Nora ouder is dan 34
jaar en de woning bovendien niet als hoofdverblijf maar als vakantieappartement zal worden
gebruikt. De zesmaandentermijn van art. 13 WBR is in beginsel van toepassing, maar leidt
niet tot vermindering, omdat bij de vorige verkrijging door Maartje geen overdrachtsbelasting
is betaald vanwege de vrijstelling. Daarom is over de volledige koopsom overdrachtsbelasting
verschuldigd tegen het tarief van 8% voor woningen die niet als hoofdverblijf dienen, waarbij
Niek en Nora ieder voor hun helft worden belast.
b. Niek komt te overlijden. De wettelijke verdeling is van toepassing. Na enkele jaren vindt Nora
(46 jr) een nieuwe partner waarmee ze gaat trouwen. De dochter van Niek en Nora maakt
aanspraak op haar wilsrecht ex 4:19 BW. Ze heeft een vordering ex artikel 4:13 BW van
180.000 euro. Het appartement heeft een waarde van 530.000. Nora maakt gebruik van haar
recht op vruchtgebruik (beloopt 13 * 6% = 78% van de volle eigendomswaarde). Hoe verloopt
de heffing van overdrachtsbelasting?
Bij het overlijden van Niek vindt in eerste instantie een verkrijging krachtens erfrecht plaats.
Deze verkrijging is op grond van art. 3 lid 1 sub a WBR uitgezonderd van
overdrachtsbelasting. Ook de verdeling van de nalatenschap valt onder de uitzondering van
art. 3 lid 1 sub b WBR en leidt dus niet tot heffing.
Dit verandert wanneer de dochter haar wilsrecht ex art. 4:19 BW uitoefent. Op grond van art.
3 lid 2 WBR wordt deze verkrijging wél aangemerkt als een belastbare verkrijging.
Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre een vrijstelling van toepassing is. Art. 15 lid