Bij opzegging, afstand, wijziging of verkrijging door beëindiging van een recht kan
sprake zijn van een belastbare verkrijging op grond van artikel 6 van de Wet op
belastingen van rechtsverkeer. Dit is een fictieve verkrijging. Volgens art. 6 lid 3 kan
bijvoorbeeld een situatie ontstaan waarin een blooteigenaar al juridisch gerechtigde was,
maar door beëindiging van een recht ook de economische eigendom verkrijgt. Dat
moment wordt fiscaal gezien als een belastbare verkrijging.
Bij een gemeenschap met meerdere onroerende zaken speelt artikel 7 WBR. Stel dat A,
B en C een gemeenschap hebben met drie onroerende zaken met waarden 100, 200 en
300. Bij de verdeling wordt men op grond van artikel 7 geacht het gehele verkregen te
hebben verkregen.
De vraag is vervolgens hoe de vermindering moet worden berekend:
moet je verminderen met het gedeelte waartoe iemand al gerechtigd was, of moet je
uitgaan van de totale waarde van de gemeenschap en dat naar rato verdelen
(bijvoorbeeld totaal )?
In de literatuur wordt verdedigd dat de vermindering plaatsvindt over het deel waartoe men
al gerechtigd was in het specifieke goed. In het voorbeeld waarbij A, B en C ieder
onverdeeld eigenaar zijn van de drie zaken, kan men dus in vermindering brengen wat men
al had (bijvoorbeeld 1/3 van de betreffende waarde). Dan kan worden bepleit dat
uiteindelijk alleen bij het object met waarde 300 nog overdrachtsbelasting verschuldigd
is.
Daarnaast bestaan antimisbruikbepalingen in artikel 7 en artikel 12 WBR. Denk aan een
situatie waarin een koper al 99% gerechtigd is en de verkoper nog 1%. Zonder beperking
zou de koper bij de uiteindelijke verkrijging slechts 1% overdrachtsbelasting betalen,
omdat hij al 99% gerechtigd was en dat in mindering zou brengen. Om dit te voorkomen
bevat artikel 12 lid 1 (en lid 3) WBR regels die beperken in hoeverre het reeds gerechtigde
deel in mindering kan worden gebracht. Hierdoor wordt misbruik van de vermindering
tegengegaan.
, Werkgroep-opdrachten
Na bestudering van de stof zou u de volgende basisvragen moeten kunnen beantwoorden:
1. Ter zake waarvan is overdrachtsbelasting verschuldigd?
Verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of beperkte rechten erop (art. 2)
Juridisch en economisch eigendom
2. Van wie wordt de overdrachtsbelasting geheven?
Natuurlijk persoon of rechtspersoon een personenvennootschap niet (achterliggende
eigenaar verkrijgt)
Bij een CV dus doorheen kijken:
- Alle participanten juridisch en economisch
o Overdracht aandelen makkelijk als niet zo is: niet naar notaris
- Afscheiden juridisch en economisch eigendom
o Ergens in dode hand vastgoed
3. Is er alleen overdrachtsbelasting verschuldigd bij een juridische overdracht van
vastgoed?
Nee, ook bij economische overdracht
- Fictieve verkrijging
o art. 4 (aandelen/ rechten lidmaatschap)
o art. 6 opzegging beperkt recht
o art. 7 verdeling
4. Als een persoon eerst de economische eigendom verkrijgt en later de juridische
eigendom van hetzelfde vastgoed, wordt er dan nogmaals overdrachtsbelasting
geheven over de waarde van het vastgoed?
Ja; twee verkrijging als bedoeld art. 2 maar 9 lid 4 fictie dat je de waarde ervan af mag
trekken.
Vb: 100 mil pand juridisch eigendom dan daarna pas economisch overgaat. Bij juridisch
lagere koopprijs en dan bij economisch eigendom 100 miljoen betaald. Art. 9 lid 1: belasting
berekend over waarde van verkrijging. Dus bij eerste 100 mil en daarna dat ervan af trekken
dus als waarde gelijk is gebleven 0. Als WEV in tussentijd stijgt dan overdrachtsbelasting
over verschil ingevolge art. 9 lid 4.
5. Wanneer is er sprake van een belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting indien een
onroerende zaak onder opschortende dan wel onder ontbindende voorwaarde wordt
overgedragen? Onderwerpen: opfrissing van de kennis van het huwelijksvermogens-,
goederen-, erf- en zakenrecht
Opschortende voorwaarde = art. 8 lid 2
Ontbindende voorwaarde = art. 8 lid 1: wat gebeurt als ontbindende voorwaarden in
vervulling treedt? Terug naar overdragen en is belastbaar feit: nee, art. 15 lid 1 sub r
vrijstelling.