Overdrachts- en omzetbelasting | jaargang 2025/2026
1. Ondernemingsfaciliteiten besluit
2. Samenloop besluit
Mag je meenemen!
Werkgroep-opdrachten week 5
Onderwerpen: art. 15 lid 1, letters b, e & f WBR
Nb. licht uw antwoorden steeds toe en geef daarbij aan welke wettelijke bepalingen en eventuele
beleidsbesluiten van toepassing zijn. Tip: bij de beantwoording van de vragen is het raadzaam om
aan te sluiten bij het behandelde stappenplan:
• WAT voor belastbare handeling wordt verricht?
• WIE is de verkrijger?
• WAAROVER dient de overdrachtsbelasting te worden voldaan (indien geen vrijstelling)?
• WELKE vrijstelling(en) geldt voor deze belastbare handeling?
Opgave 1
Dora heeft een geregistreerd partnerschap met Diego. Dora heeft een zoon, Finn, uit een eerder
huwelijk; Diego heeft een dochter, Coco, uit een eerder huwelijk. Dora drijft een agrarische
onderneming. Tot deze onderneming behoren een boerderij (WEV: EUR 400.000,00), twee stallen
(gezamenlijk WEV: EUR 180.000,00), 10 ha tuingrond (WEV: EUR 280.000,00), alsmede werktuigen
& inventaris (gezamenlijk WEV: 20.000). Inmiddels wenst Dora het wat rustiger aan te doen en
langzaamaan haar onderneming over te dragen aan Finn en Coco.
Dora overweegt om ineens de gehele onderneming met de daartoe behorende bezittingen over te
dragen aan Finn en Coco.
a. Zou deze overdracht tot heffing van overdrachtsbelasting leiden?
Dora (finn) diego (coco)
Boederij 400.000 stallen 180.000 grond 280.000 werktuigen 20.000
Antwoord:
Het gaat hier om bedrijfsopvolging in de familiesfeer (art. 15 lid 1 onderdeel b WBR). Voor de
toepassing van de deze vrijstelling gelden een aantal eisen:
1. Het moet gaan om de verkrijging door kinderen, kleinkinderen, zusters of hun
echtgenoten. Waarbij een kind wordt gelijkgesteld met een pleegkind en een broer of zus
met een halfbroer, halfzuster, pleegbroer of pleegzuster.
Onder term ‘kinderen’ moet op grond van art. 2 lid 1 onderdeel i AWR worden verstaan
‘eerstegraads bloedverwanten en aanverwanten in rechte lijn’. Op grond van art. 1:3 lid 2 BW
vallen hier ook stiefkinderen onder.
In casu gaat het om een kind en een stiefkind. Dus zowel Finn als Coco vallen hieronder.
2. De goederen moeten dienstbaar zijn aan de onderneming.
De boerderij, stallen en tuingrond zijn dienstbaar aan de onderneming. Meestal wonen ze
ook op de boerderij. Zelfstandig deel heeft de woonplek. Je moet het laten waarderen dat
deel waar wordt gewoond.
3. De verkrijgers moeten het bedrijf in haar geheel (al dan niet in fasen) verkrijgen;
Aan voldaan. Uit feiten blijkt dat de onderneming zal worden overgedragen in zijn geheel.
4. De verkrijger moet het bedrijf voortzetten.
Kortom, als voldaan wordt aan het voorzettingsvereiste dan is géén overdrachtsbelasting
verschuldigd.
*Als er ook nog een woongedeelte is in de boerderij is dat niet vrijgesteld.
Onroerende zaken zijn belastbare feiten, noem de onroerende zaken waar belasting over
verschuldigd zou zijn.
Waarover betaal je? Je betaalt over de waarde economisch verkeer van de onroerende zaken.
, Vrije Universiteit – Amsterdam
Het moet gaan om de verkrijging door kinderen, kleinkinderen, zusters of hun echtgenoten.
Waarbij een kind wordt gelijkgesteld met een pleegkind en een broer of zus met een halfbroer,
halfzuster, pleegbroer of pleegzuster.
Onder term ‘kinderen’ moet op grond van art. 2 lid 1 onderdeel i AWR worden verstaan ‘eerstegraads
bloedverwanten en aanverwanten in rechte lijn’. Op grond van art. 1:3 lid 2 BW vallen hier ook
stiefkinderen onder.
Stel dat Finn en Coco vervolgens de gehele onderneming inbrengen in een besloten vennootschap
waarvan zij elk 50% van de aandelen houdt.
b. Heeft deze inbreng gevolgen voor de overdrachtsbelasting?
Belastbaar feit: onroerende zaken worden ingebracht
Waarover moet je betalen: waarde economische verkeer van de onroerende zaken
De bv is de verkrijger, die is dan ovb verschuldigd.
Artikel 5 UB WBR:
- Inbreng /omzetting
- Tegen toekenning aandelen
- Oprichters in aandelenkapitaal zelfde verhouding gerechtigd
- Voortzettingseis
- Aanhoudingseis
Antwoord:
Het gaat hier om inbreng in een vennootschap (art. 15 lid 1 onderdeel e onder 2 WBR). Dit artikel
bevat twee vrijstellingen, zowel voor inbreng in een personenvennootschap als in een NV of BV. In
casu gaat het om een BV. Voor de toepassing van deze vrijstelling voor de NV/BV staan de vereisten
in art. 5 Uitv.besl. BR. zijn een aantal vereisten:
1. Het moet gaan om inbreng (of omzetting) van de gehele onderneming;
Aan voldaan.
2. Tegen toekenning aandelen (max bijbetaling = 10% van hetgeen op aandelen is gestort);
3. Oprichters in aandelenkapitaal voor 90% in zelfde verhouding gerechtigd
Aan voldaan, want opnieuw 50/50 gerechtigd.
4. Voorzettingseis 3 jaar (art. 5 lid 3 Uitv.besl. BR).
5. Aanhoudingseis: 3 jaar (art. 5 lid 4 Uitv.besl. BR).
Heeft het nog gevolgen voor de vrijstelling van vraag a? Op grond van het besluit
ondernemingsfaciliteiten 2018 (2.1.). In beginsel staat deze inbreng de toepassing van de vrijstelling
van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR bij de voorafgaande overdracht in de weg.
Echter keurt de staatssecretaris goed dat onder voorwaarden goed dat de vrijstelling van artikel 15,
eerste lid, onderdeel b, WBR van toepassing is bij een verkrijging van een onderneming door een
familielid, die wordt gevolgd door de inbreng van die onderneming in een BV, waarvan dit familielid
alle aandelen houdt. De voorwaarden zijn dat:
a. De inbreng van de onderneming in de BV vindt plaats met toepassing van de vrijstelling van
artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, WBR. Daarbij moet aan alle vereisten van artikel
5 UBBR worden voldaan.
b. Aan de overige voorwaarden van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR wordt voldaan.
Kortom, in casu gaat het goed.
Dora voelt zich fit genoeg om voorlopig in belangrijke mate betrokken te blijven bij de onderneming.
Ze overweegt om nu slechts de helft van de tuingrond over te dragen aan Finn en Coco en pas later
de rest van de onderneming.
c. Leidt deze overdracht tot heffing van overdrachtsbelasting?
Antwoord: