Overdrachts- en omzetbelasting | jaargang 2024/2025
Werkgroepopdrachten week 6
Nb. licht uw antwoorden steeds toe en geef daarbij aan welke wettelijke bepalingen en eventuele
beleidsbesluiten van toepassing zijn. Tip: bij de beantwoording van de vragen is het raadzaam om
aan te sluiten bij het behandelde stappenplan:
WAT voor belastbare handeling wordt verricht?
WIE is de verkrijger?
WAAROVER dient de overdrachtsbelasting te worden voldaan (indien geen vrijstelling)?
WELKE vrijstelling(en) geldt voor deze belastbare handeling?
Onderwerpen: art. 15 lid 1 onderdeel h WBR
Opgave 1
Een concern is als volgt opgebouwd. A BV houdt alle aandelen in B BV resp. C BV. B BV houdt alle
aandelen in P BV resp. Q BV. C BV houdt alle aandelen in X BV resp. Y BV.
Achtereenvolgens doen zich telkens een half jaar na elkaar de volgende feiten voor:
a) B BV draagt een onroerende zaak over aan P BV;
b) P BV draagt de recent van B BV verkregen onroerende zaak over aan X BV;
c) A BV draagt alle aandelen in B BV over aan C BV.
Geef telkens gemotiveerd aan of de genoemde feiten heffing van overdrachtsbelasting (al dan niet als
gevolg van het “vervallen” van een vrijstelling) tot gevolg hebben. Vul ontbrekende gegevens zo nodig
aan.
In deze casus is sprake van een concernstructuur waarbij A BV alle aandelen houdt in B BV en C BV. B
BV houdt alle aandelen in P BV en Q BV, en C BV houdt alle aandelen in X BV en Y BV. Daarmee is
sprake van één concern in de zin van art. 5b UBWBR.
Op grond van art. 15 lid 1 onderdeel h WBR jo. art. 5b UBWBR kan een overdracht van onroerende
zaken binnen een concern vrijgesteld plaatsvinden, mits aan de voorwaarden wordt voldaan.
Bij de overdracht van de onroerende zaak door B BV aan P BV is sprake van een interne reorganisatie.
Deze overdracht is in beginsel vrijgesteld. Op grond van art. 5b lid 3 onderdeel a UBWBR moet worden
bepaald wie de eerste vennootschap is. Dat is A BV, omdat zij als eerste een geheel belang heeft in
zowel B BV als P BV. Dit betekent dat A BV gedurende drie jaar een belang van ten minste 90% moet
behouden in P BV.
Vervolgens draagt P BV dezelfde onroerende zaak over aan X BV. Ook dit is een interne reorganisatie
die onder de vrijstelling kan vallen. Door deze opvolgende overdracht treedt art. 5b lid 6 UBWBR in
werking. Dit houdt in dat de eerdere driejaarstermijn tussen A BV en P BV vervalt, omdat P BV het
vastgoed niet meer houdt. In plaats daarvan gaat een nieuwe driejaarstermijn lopen tussen A BV en X
BV. A BV moet dus gedurende drie jaar een belang van ten minste 90% behouden in X BV.
Tot slot draagt A BV alle aandelen in B BV over aan C BV. Hierbij is geen sprake van een overdracht
van onroerende zaken, maar van aandelen. Dit leidt in beginsel niet tot heffing van
overdrachtsbelasting, tenzij sprake is van een onroerendezaakrechtspersoon. Daarvan blijkt niet uit de
casus, zodat ervan wordt uitgegaan dat dit niet het geval is. Deze aandelenoverdracht heeft ook geen
gevolgen voor de eerder toegepaste vrijstellingen, omdat de relevante driejaarstermijn inmiddels loopt
tussen A BV en X BV en deze verhouding intact blijft.
De conclusie is dat in alle drie de stappen geen overdrachtsbelasting verschuldigd is en ook geen
vrijstelling vervalt.
, Vrije Universiteit – Amsterdam
Aanvullend moet worden opgemerkt dat de aandelenoverdracht in onderdeel c wél tot heffing van
overdrachtsbelasting kan leiden indien B BV kwalificeert als een onroerendezaakrechtspersoon in de zin
van art. 4 WBR. Daarvan is sprake als de bezittingen van B BV grotendeels uit onroerende zaken
bestaan en deze onroerende zaken hoofdzakelijk dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of
exploiteren daarvan (bijvoorbeeld verhuur of projectontwikkeling).
Indien B BV een OZR is, worden de aandelen fiscaal aangemerkt als onroerende zaken. De overdracht
van de aandelen kan dan belast zijn met overdrachtsbelasting, mits sprake is van een kwalificerende
verkrijging (zoals het verkrijgen van een belang van ten minste 1/3). In dat geval moet opnieuw worden
beoordeeld of een vrijstelling, zoals de interne reorganisatievrijstelling, van toepassing is.
Indien geen sprake is van een OZR, blijft de aandelenoverdracht buiten de heffing van
overdrachtsbelasting.
Opgave 2
Gesteld dat de overdracht door P BV aan X BV in de vorige casus leidde tot een wegens interne
reorganisatie vrijgestelde verkrijging door X BV. X BV vervreemdt een jaar later de vrijgesteld
verkregen onroerende zaak aan een natuurlijk persoon.
Leidt die tot een “vervallen” van de door X BV genoten vrijstelling?
Antwoord:
Bij de eerste overdracht kreeg X BV een vrijstelling van overdrachtsbelasting omdat er sprake
was van een interne reorganisatie. Deze vrijstelling staat in artikel 15 lid 1 onderdeel h van de
Wet op belastingen van rechtsverkeer.
Bij deze vrijstelling is het belangrijkste dat A en X binnen hetzelfde concern blijven. Het gaat
dus om de aandelenverhouding tussen de vennootschappen en niet om het bezit van de
onroerende zaak. De wet zegt nergens dat de onroerende zaak binnen het concern moet blijven
of dat X BV de onroerende zaak moet blijven houden. In lid 3 staat ook niet dat vervreemding
van de onroerende zaak niet mag.
Een jaar later verkoopt X BV de onroerende zaak aan een natuurlijk persoon. Deze overdracht
is gewoon belast met overdrachtsbelasting. De vraag is dan wat dit betekent voor de eerder
genoten vrijstelling. Dat heeft geen gevolgen voor die vrijstelling.
In artikel 15 lid 6 WBR staat wanneer de vrijstelling kan vervallen. Dat kan bijvoorbeeld als de
concernband tussen de vennootschappen wordt verbroken. In deze situatie gebeurt dat niet,
omdat alleen de onroerende zaak wordt verkocht en A en X nog steeds bij elkaar blijven in het
concern.
Als X de onroerende zaak niet meer heeft, maakt dat dus niet uit voor de vrijstelling. Er is geen
sanctie en er loopt ook geen termijn die ervoor zorgt dat de vrijstelling vervalt. X moet alleen
binnen het concern blijven; nergens staat dat je de onroerende zaak niet later mag vervreemden
om de vrijstelling te behouden.
De vragen die je dus altijd moet stellen zijn: is de overdracht door X belast met
overdrachtsbelasting? Ja. Wat doet dat met de eerder genoten vrijstelling? Niets, die blijft
bestaan. Blijven er nog termijnen lopen? Nee.
Opgave 3
Gesteld dat kort na de overdracht door B BV aan P BV, welke overdracht tot een wegens interne
reorganisatie vrijgestelde verkrijging door P BV heeft geleid, de aandelen van B BV worden
gecertificeerd.
Leidt de certificering tot een “vervallen” van de door P BV genoten vrijstelling?