Casus 1
Rinia heeft een aantal jaren geleden een woning gekocht. De koopsom is voor € 100.000 gefinancierd
met een schenking door haar ouders (onder uitsluitingsclausule) en voor € 300.000 met een
hypothecaire geldlening van de bank.
Na enkele jaren leert zij Johan kennen en op enig moment gaan zij samenwonen in de woning van
Rinia. Er wordt geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
Nu heeft Johan Rinia ten huwelijk gevraagd en zij vragen zich af wat zij kunnen regelen met
betrekking tot de woning.
a) Stel dat zij niets regelen en zonder huwelijkse voorwaarden trouwen. Wat is dan het gevolg indien
Johan € 50.000 investeert in een nieuwe dakkapel van de woning?
De woning van Rinia is privévermogen en blijft buiten de gemeenschap van goederen, omdat
deze vóór het huwelijk is verkregen en deels is gefinancierd met een schenking onder
uitsluitingsclausule.
Als Johan € 50.000 investeert in de dakkapel vanuit zijn privévermogen, ontstaat er
een vergoedingsrecht op grond van art. 1:87 lid 2 sub b BW.
Dit vergoedingsrecht wordt berekend volgens de beleggingsleer: Johan heeft recht op een
evenredig aandeel in de waardestijging van de woning. De investering van € 50.000 wordt
afgezet tegen de totale waarde van de woning na de investering (€ 450.000 + € 50.000 = €
500.000).
Dit betekent dat Johan een vergoedingsrecht verkrijgt van 10%.
De vordering is niet direct opeisbaar, waardoor er in beginsel geen wettelijke rente loopt.
Bovendien kan in huwelijkse voorwaarden worden afgeweken van de beleggingsleer.
b) Stel dat zij wel voorafgaand aan het huwelijk huwelijkse voorwaarden hebben laten maken en een
gemeenschap zijn overeengekomen waarin uitsluitend de woning en de daarmee samenhangende
schulden vallen. Zijn er fiscale gevolgen aan het aangaan van het huwelijk onder deze huwelijkse
voorwaarden?
Het aangaan van huwelijkse voorwaarden kan in beginsel leiden tot schenkbelasting, indien
sprake is van een vermogensverschuiving tussen echtgenoten.
In dit geval is daarvan echter geen sprake. Op grond van HR 27 mei 2021 leidt het inbrengen
van vermogen in een huwelijksgemeenschap (boedelmenging) niet tot heffing van
schenkbelasting.
De Hoge Raad geeft hiervoor onder andere de volgende argumenten:
De huwelijksgemeenschap is een onverdeeldheid, waardoor niet direct kan worden
vastgesteld welk deel aan wie toebehoort.
, De gemeenschap heeft een aanzuigende werking, omdat er gedurende het huwelijk
nog vermogensbestanddelen kunnen worden toegevoegd.
Daarom heeft het aangaan van deze beperkte gemeenschap (waarin alleen de woning en
schulden vallen) geen fiscale gevolgen in de vorm van schenkbelasting.
c) Zijn er naast een gemeenschap van de woning nog andere mogelijkheden om Johan te laten
meedelen in de waardestijging van de woning?
Ja, er zijn alternatieven om Johan te laten meedelen in de waardestijging van de woning
zonder dat deze in een gemeenschap valt.
1. Finaal verrekenbeding
Partijen kunnen in huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding opnemen. De woning
blijft dan privévermogen van Rinia, maar bij echtscheiding of overlijden wordt de
waardestijging (geheel of gedeeltelijk) alsnog tussen partijen verrekend. Dit kan economisch
vergelijkbaar zijn met een (beperkte) gemeenschap, maar kan andere fiscale gevolgen hebben
dan een algehele gemeenschap van goederen.
2. Aflossing van de hypothecaire schuld
Johan kan (een deel van) de hypothecaire lening aflossen met zijn privévermogen. In dat
geval ontstaat een vergoedingsrecht op grond van art. 1:87 BW.
Dit vergoedingsrecht wordt berekend volgens de beleggingsleer, waardoor Johan meedeelt in
zowel de waardestijging als een eventuele waardedaling van de woning. Daarbij wordt
gekeken naar de verhouding tussen zijn bijdrage en de waarde van de woning ten tijde van het
aangaan van de schuld. Ze kunnen ook afwijken van de beleggingsleer en kiezen voor de
nominale leer die voor 2012 een standaard was.
Bijvoorbeeld: als Johan € 100.000 aflost op een hypotheek die is aangegaan bij een
woningwaarde van € 450.000, dan verkrijgt hij een aandeel van 2/9 in de waardeontwikkeling
van de woning.
d) Stel dat nog geen sprake was van een woning, maar Rinia en Johan die gedurende hun periode
van samenwonen samen hebben gekocht. De koopsom van € 400.000 is voor € 100.000 gefinancierd
met de schenking die Rinia van haar ouders heeft ontvangen en voor het overige met een
hypothecaire geldlening. De woning komt op beider naam, met elk een aandeel van 50%, en
aangezien Rinia een groter deel van de koopsom heeft betaald, komen zij overeen dat zij een
vordering op Johan heeft van € 50.000.
Vervolgens huwen zij, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. Daarna heeft Johan vanuit zijn
privévermogen € 50.000 in de woning heeft geïnvesteerd (de woning had op dat moment een
waarde van € 450.000 en de hypotheekschuld bedroeg € 200.000).
Enkele jaren later loopt de relatie toch stuk en zij gaan scheiden. Uitgaande van een waarde van de
woning van € 800.000 en een resterende hypotheekschuld van € 100.000, wie heeft recht op welke
waarde bij afwikkeling van de huwelijksgemeenschap?
Herschreven volledige tekst: