Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (I)
- Twee soorten regelingen in SW:
, o Voorwaardelijke vrijstellingen van 100%/75% (artt. 35b e.v.
SW)
o Uitstel van betaling (art. 25 lid 13 Invorderingswet)
- Tevens faciliteiten in inkomstenbelasting (doorschuiving
belastingclaim) en overdrachtsbelasting (i.g.v. schenking)
- I.b. mogelijk voor fictieve verkrijgingen, maar bezitstermijn kan
probleem zijn (bv. art. 12 SW)
Faciliteiten in beginsel ook mogelijk bij fictieve verkrijging (besluit op
canvas). Daar wordt het toegepast bij een fictieve verkrijging op grond
van art. 11 (lid 5 jo lid 1) Sw. Als BOR dan niet gebruikt kan worden, word
je benadeeld dus ter zake van de fictieve verkrijging is de BOR ook van
toepassing. Conceptueel ook voor andere fictieve verkrijging. Maar hier
staat vaak bezitstermijn aan in de weg. Bij overnamebeding in
vennootschapscontract dan is contract tot dag van verkrijging in handen
van vervreemding. Maar bij fictie van art. 10 Sw, dan is een deel van het
belang al overgedragen. De hoofdgerechtigdheid is niet meer in bezit. Dit
geldt ook bij art. 12 Sw; als je onderneming schenkt met toepassing van
de BOR, en je gaat binnen 180 dagen dood dan fictieve verkrijging op
grond van art. 12 Sw. Je kunt niet meer aan bezitstermijn voldoen want je
hebt de onderneming niet meer. Er zitten dus wat onredelijkheden in het
systeem, hiermee moet je in de planning rekening houden.
Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (II)
- Vereisten aan toepassing faciliteit:
o Ondernemingsvermogen
o Eis aan de schenker/erflater: bezitstermijn
o Eis aan de verkrijger: voortzettingstermijn
- Art. 35f SW: wijzigingen in gerechtigdheid door verdeling
nalatenschap of huwelijksgemeenschap binnen 2 jaar worden op
verzoek gevolgd (vgl. 4.17 lid 15 Wet IB 2001).
o Verzoek op BOR toe te passen op het geheel.
o Werkt dus niet voor de ll echtgenoot
Ad. art. 35f Sw; stel echtgenoten in gvg en zit een BV in, een gaat dood
dan behoort in beginsel de helft tot de nalatenschap. Op die helft zou je
dan de BOR kunnen toepassen. Wat art. 35f regelt; als je huw. Gvg
zodanig verdeeld en alles toedeelt aan nls van overleden echtgenoot dan
kun je voor geheel BOR krijgen. Want niet kan is dat je alles toedeelt aan
nls en dan alles naar echtgenoot over laat gaan.
Ondernemingsvermogen (I)
- Categorieën ondernemingsvermogen (art. 35c lid 1 SW):
o IB-onderneming (art. 3.2 Wet IB 2001) – eenmanszaak,
maatschap en vof
o Kwalificerende medegerechtigdheid (art. 3.3 Wet IB 2001) >
moet voortzetting zijn rechtstreeks gedreven IB-onderneming
, cv – commandiet die voorheen wel beherend vennoot was.
Je neemt afstand (geen risico meer)
o Aanmerkelijkbelangaandelen > niet: meegetrokken AB (art.
4.10 Wet IB 2001)
NB: Nu nog wel artt. 4.9 en 4.11 Wet IB 2001, dus ook
een zeer klein belang kan kwalificeren.
Echter voorstel tot beperking tot gewone aandelen
en belangen van 5% of meer
Fictief belang ook niet meer.
o TBS-onroerende zaken (mits (i) dienstbaar aan onderneming
en (ii) verkrijger ook aandelen krijgt)
Tracking stock: aandeel die bijzondere gerechtigdheid heeft tot BV. Als je
begint met BV en een aandeel hebt en de andere 99 geen trakcing is, dan
is alles tracking stock. Dit moet je dus voorkomen. Want dan geldt zowel
in IB als in de Sw de faciliteit niet meer.
Bij TBS twee situatie onderscheiden: AB-onderneming waarin jij of
verbonden persoon pand terbeschikking stelt of IB-onderneming waarin
ondernemer pand ter beschikking stelt aan onderneming. Bij IB-
onderneming wordt het automatisch ondernemingsvermogen. Heeft te
maken met lid 1 en 2 art. 7 Uitv. besl. Met IB-onderneming is automatisch
geregeld omdat het tot ondernemingsvermogen hoort, hier is geen aparte
regeling voor.
Ondernemingsvermogen (II)
- In geval van een aanmerkelijk belang wordt tot de onderneming
gerekend:
o Onderneming of medegerechtigdheid van de vennootschap
Medegerechtigdheid kwalificeert slechts als (i)
voortzetting van door vennootschap gedreven
onderneming en (ii) verkrijging door beherend vennoot
(direct of via 100% vennootschap) (art. 35c lid 3 SW)
o T/m 2024: Beleggingsvermogen van de vennootschap met een
maximum van 5% van het ondernemingsvermogen
(behoudens v.z.v. gedurende bezitstermijn gestort)
o Niet: belangen in een ander lichaam (lid 6)
Doelmatigheidsmarge in Sw vervallen maar voor IB nog niet vervallen.
Ondernemingsvermogen (III)
- Uitzonderingen op ondernemingsvermogen:
o Belangen < 5% (lid 6) (kleiner dan)
‘Belangen in een ander lichaam’