Meten en Diagnostiek 2
(Hoofdstukken die niet hoeven: 5,6,7,12 en 13)
Hoorcollege 1 (week 1)
Wat is psychometrie?
Meten in de psychologie
Meten: volgens regels toekennen van symbolen aan individuen zodat
de symbolen de psychologische eigenschap van het individu
weergeeft.
o Bijvoorbeeld: “Ik ga naar feestjes”: nee= score 0, en ja= score
1.
o Toekenning gaat aan de hand van een test procedure
(bijvoorbeeld het afnemen van een vragenlijst).
Psychometrie is de wetenschap van de eigenschappen van
psychologische tests.
Psychometrie is niet beperkt tot zelf-rapportage tests/vragenlijsten;
het kan ook een taak zijn. Psychometrie gaat over individuele
verschillen.
Voorbeelden:
Eigenschap: gewicht.
o Procedure: staan op een weegschaal.
o Uitkomst: gewicht in Kg.
Eigenschap: extraversie.
o Procedure: vragenlijst items beantwoorden. “Ik ga graag naar
feestjes” (ja: 1/ nee: 0).
o Uitkomst: 0/1 score op de items, en totaal scores op de test.
Verschil tussen meten gewicht en extraversie:
- Psychologische variabelen zijn “latente variabelen”:
niet observeerbaar.
- Psychologische variabelen meten aan de hand van de
meting van observeerbaar gedrag; we moeten vragen
stellen die wel direct observeerbaar zijn.
Hoe leggen we de link tussen het observeerbaar gedrag en
psychologische variabelen:
Psychologische theorie.
Causaliteit.
Statistiek.
, Een grafische weergave van de relatie tussen observeerbare
variabelen en de latente psychologische variabelen (pad diagram):
Pad diagram:
1. Een cirkel is een latente variabelen: niet direct observeerbaar.
2. De bovenste cirkel is de variabele waarin je geïnteresseerd bent en
die je wilt onderzoeken: je psychologische construct.
Bijvoorbeeld: psychopathologie, persoonlijkheid, cognitie en/of
ontwikkeling.
3. Rechthoeken: geobserveerde variabelen.
Items responses: self-report, gedragsmaten, beoordelingen
Bijvoorbeeld: “ik drink dagelijks (waar= 1/ niet waar=0).
4. Item responses zijn gerelateerd aan latente variabele. De pijl geeft
de richting van de relatie aan.
5. Onder de rechthoeken zijn de meetfouten: item responses zijn
gerelateerd aan de latente variabelen, maar er is altijd error.
Theorie en Statistiek
Rol van de theorie
- Startpunt van een vragenlijst: om te weten wat je wilt
meten met het oog op de validiteit:
o Wat wil ik wel/niet meten?
o Vind ik de beoogde structuur terug in mijn vragenlijst
(factoranalyse)?
o Laat mijn vragenlijst logische relaties zien met andere
vragenlijsten?
Statistiek
, Psychometrie gaat over individuele verschillen; die verschillen (in
item responses) kunnen we uitdrukken door middel van een
psychometrische analyse met…
o Latente variabele: gemiddelde, variantie, standaard
deviatie.
o Geobserveerde variabelen: variantie, standaarddeviatie,
gemiddelde, kans.
We hebben ook statistiek nodig om een link te maken met latente
en geobserveerde variabelen: door een regressiemodel en
correlatie.
Statistiek kan de samenhang tussen variabelen berekenen en
weergeven: Pearson product moment correlatiecoëfficiënt=
lineaire relatie tussen variabelen. Weergegeven aan de hand van
een correlatie matrix.
o Correlatie is geen causatie.
o Een correlatie vertelt niet alles.
o Items binnen een vragenlijst moeten met elkaar
correleren; ze meten dezelfde latente variabele.
Psychologische theorie en statistiek
Eigenschappen en meetniveaus:
Hangen samen met de theorie;
Bepalen welke statistische methoden je kunt gebruiken.
Dus is belangrijk bij de ontwikkeling van een vragenlijst.
Eigenschappen van symbolen
1. Identiteit: we kennen het symbool MD (major depression) of N
(Normaal) toe op grond van een item of items. De symbolen zijn
arbitrair; twee individuen met hetzelfde symbool zijn identiek, twee
individuen met een ander symbool zijn niet identiek. Over tijd kan de
toewijzing veranderen en de toewijzing kan fout zijn.
2. Rangorde: symbolen met rangorde geven informatie over de
ordening van individuen op één dimensie. Bijvoorbeeld van N (0),
naar D (1) naar MD (2). Rangorde op een dimensie impliceert
transitiviteit: 0<1 en 1<2, dan weten we 0<2.
3. Kwantiteit: rangordening met hoeveelheid of kwantiteit, uitgedrukt
in meeteenheden, afstand tussen de metingen zijn interpreteerbaar
in termen van meetheden. Bijvoorbeeld lengte uitgedrukt in
centimeters. Dit impliceert ook transitiviteit. De meeteenheden zijn
deelbaar.
, 4. Absoluut nulpunten. Meeteenheden drukken verschillen in kwantiteit
uit en zijn deelbaar een definiëren de meetschaal met een absoluut
nulpunt of een relatief nulpunt (bij temperatuur is 0 graden geen
afwezigheid van temperatuur).
(Hoofdstukken die niet hoeven: 5,6,7,12 en 13)
Hoorcollege 1 (week 1)
Wat is psychometrie?
Meten in de psychologie
Meten: volgens regels toekennen van symbolen aan individuen zodat
de symbolen de psychologische eigenschap van het individu
weergeeft.
o Bijvoorbeeld: “Ik ga naar feestjes”: nee= score 0, en ja= score
1.
o Toekenning gaat aan de hand van een test procedure
(bijvoorbeeld het afnemen van een vragenlijst).
Psychometrie is de wetenschap van de eigenschappen van
psychologische tests.
Psychometrie is niet beperkt tot zelf-rapportage tests/vragenlijsten;
het kan ook een taak zijn. Psychometrie gaat over individuele
verschillen.
Voorbeelden:
Eigenschap: gewicht.
o Procedure: staan op een weegschaal.
o Uitkomst: gewicht in Kg.
Eigenschap: extraversie.
o Procedure: vragenlijst items beantwoorden. “Ik ga graag naar
feestjes” (ja: 1/ nee: 0).
o Uitkomst: 0/1 score op de items, en totaal scores op de test.
Verschil tussen meten gewicht en extraversie:
- Psychologische variabelen zijn “latente variabelen”:
niet observeerbaar.
- Psychologische variabelen meten aan de hand van de
meting van observeerbaar gedrag; we moeten vragen
stellen die wel direct observeerbaar zijn.
Hoe leggen we de link tussen het observeerbaar gedrag en
psychologische variabelen:
Psychologische theorie.
Causaliteit.
Statistiek.
, Een grafische weergave van de relatie tussen observeerbare
variabelen en de latente psychologische variabelen (pad diagram):
Pad diagram:
1. Een cirkel is een latente variabelen: niet direct observeerbaar.
2. De bovenste cirkel is de variabele waarin je geïnteresseerd bent en
die je wilt onderzoeken: je psychologische construct.
Bijvoorbeeld: psychopathologie, persoonlijkheid, cognitie en/of
ontwikkeling.
3. Rechthoeken: geobserveerde variabelen.
Items responses: self-report, gedragsmaten, beoordelingen
Bijvoorbeeld: “ik drink dagelijks (waar= 1/ niet waar=0).
4. Item responses zijn gerelateerd aan latente variabele. De pijl geeft
de richting van de relatie aan.
5. Onder de rechthoeken zijn de meetfouten: item responses zijn
gerelateerd aan de latente variabelen, maar er is altijd error.
Theorie en Statistiek
Rol van de theorie
- Startpunt van een vragenlijst: om te weten wat je wilt
meten met het oog op de validiteit:
o Wat wil ik wel/niet meten?
o Vind ik de beoogde structuur terug in mijn vragenlijst
(factoranalyse)?
o Laat mijn vragenlijst logische relaties zien met andere
vragenlijsten?
Statistiek
, Psychometrie gaat over individuele verschillen; die verschillen (in
item responses) kunnen we uitdrukken door middel van een
psychometrische analyse met…
o Latente variabele: gemiddelde, variantie, standaard
deviatie.
o Geobserveerde variabelen: variantie, standaarddeviatie,
gemiddelde, kans.
We hebben ook statistiek nodig om een link te maken met latente
en geobserveerde variabelen: door een regressiemodel en
correlatie.
Statistiek kan de samenhang tussen variabelen berekenen en
weergeven: Pearson product moment correlatiecoëfficiënt=
lineaire relatie tussen variabelen. Weergegeven aan de hand van
een correlatie matrix.
o Correlatie is geen causatie.
o Een correlatie vertelt niet alles.
o Items binnen een vragenlijst moeten met elkaar
correleren; ze meten dezelfde latente variabele.
Psychologische theorie en statistiek
Eigenschappen en meetniveaus:
Hangen samen met de theorie;
Bepalen welke statistische methoden je kunt gebruiken.
Dus is belangrijk bij de ontwikkeling van een vragenlijst.
Eigenschappen van symbolen
1. Identiteit: we kennen het symbool MD (major depression) of N
(Normaal) toe op grond van een item of items. De symbolen zijn
arbitrair; twee individuen met hetzelfde symbool zijn identiek, twee
individuen met een ander symbool zijn niet identiek. Over tijd kan de
toewijzing veranderen en de toewijzing kan fout zijn.
2. Rangorde: symbolen met rangorde geven informatie over de
ordening van individuen op één dimensie. Bijvoorbeeld van N (0),
naar D (1) naar MD (2). Rangorde op een dimensie impliceert
transitiviteit: 0<1 en 1<2, dan weten we 0<2.
3. Kwantiteit: rangordening met hoeveelheid of kwantiteit, uitgedrukt
in meeteenheden, afstand tussen de metingen zijn interpreteerbaar
in termen van meetheden. Bijvoorbeeld lengte uitgedrukt in
centimeters. Dit impliceert ook transitiviteit. De meeteenheden zijn
deelbaar.
, 4. Absoluut nulpunten. Meeteenheden drukken verschillen in kwantiteit
uit en zijn deelbaar een definiëren de meetschaal met een absoluut
nulpunt of een relatief nulpunt (bij temperatuur is 0 graden geen
afwezigheid van temperatuur).