1.1
Het internationaal publiekrecht is een omvangrijk rechtsgebied en zijn wereldwijd van toepassing. Het
is ook van belang voor het nationaal recht binnen staten. Internationale afspraken over bijvoorbeeld
pandemieën, klimaatverandering en gewapende conflicten hebben pas e@ect als staten hieraan
binnen hun nationale recht toepassing geven. Het internationale recht bepaalt dus grotendeels het
nationaal recht. Ook voor Nederland is het internationale recht van groot belang, omdat het stabiliteit
biedt en relatief zwakke staten zoals Nederland beschermt.
De Grondwet maakt het zelfs mogelijk dat de Nederlandse rechter bepaalde internationale rechten en
verplichtingen rechtstreeks toepast en, in geval van botsing met nationaal recht, zelfs voorrang geeft
boven formele wetgeving en zelfs boven de Grondwet.
1.3
1.3.1
Algemene omschrijving
Het internationaal publiekrecht regelt de uitoefening van publiek gezag in de internationale
gemeenschap. Het kent bevoegdheden toe aan entiteiten die publiek gezag uitoefenen en biedt een
juridisch kader waarbinnen zij deze bevoegdheden uitoefenen. Dit boek gebruikt 2 termen die verwant
zijn met het begrip ‘internationaal publiekrecht’” volkenrecht en internationaal recht.
Volkenrecht = het recht dat op alle burgers van toepassing is, werd vooral gebruikt in het Romeinse
Rijk. Het internationaal recht is breder dan het internationaal publiekrecht. In de praktijk wordt de
term internationaal recht vooral gebruikt als synoniem voor de term internationaal publiekrecht. De
betekenis van het begrip internationaal publiekrecht kan worden onderverdeeld in 3 termen:
internationaal, publiek en recht.
1.3.2
‘Internationaal’
Het internationale element onderscheidt zich van nationaal recht. De internationale rechtsorde kent 4
bronnen: gewoonterecht, verdragen, besluiten van internationale organisaties en algemene
rechtsbeginselen. Het recht dat uit deze bronnen voortvloeit, wordt internationaal recht genoemd.
Over de vraag of de internationale rechtsorde en de nationale rechtsorde werkelijk gescheiden zijn,
wordt verschillend gedacht. 2 opvattingen kunnen worden onderscheiden:
1. De dualistische leer: deze stelt dat de internationale en nationale rechtsordes geheel
gescheiden rechtssystemen zijn. De dualistische leer beschermt de nationale rechtsorde
tegen de invloed van internationaal recht.
2. De monistische leer: deze gaat ervan uit dat er 1 rechtsorde bestaat, waar zowel internationaal
recht als nationaal recht deel van uitmaakt.
1.3.3
‘Publiek’
Het publieke element onderscheidt het internationaal publiekrecht van het internationaal
privaatrecht. Het internationaal publiekrecht legitimeert en reguleert de uitoefening van publiek
gezag, vooral van staten en internationale organisaties. Ook beschermt het internationaal
publiekrecht de publieke belangen, zoals veiligheid, welzijn en bescherming van milieu en natuur.
,1.4
Organisatie
De organisatie van de internationale rechtsorde verschilt fundamenteel van de nationale rechtsorde.
De nationale orde is gecentraliseerd, publiek gezag wordt uitgeoefend door de overheid namens en
ten behoeve van de gemeenschap.
In de internationale rechtsorde wordt publiek gezag niet zozeer uitgeoefend door boven de partijen
staande instituties, maar door de staten zelf die de belangrijkste ‘leden’ vormen.
Het internationaal recht wordt ook wel aangeduid als het ‘recht van co-existentie’, omdat het de
soevereiniteit van staten binnen hun grondgebied en daarmee ook het vreedzaam naast elkaar
bestaan van onafhankelijke staten beschermt.
Hiernaast bestaat ook het recht van samenwerking, dat zich kenmerkt door een actieve
samenwerking van staten, bijvoorbeeld op het gebied van terrorisme. Staten richten internationale
organisaties op, waaraan zij bevoegdheden voor publieke taken overdragen. Vooral voor kleine en
zwakke staten, zoals Nederland, zijn deze organisaties van belang.
Ook het recht van integratie is belangrijk en vooral van toepassing in Europa. Vooral de VN is van
belang, die enige ordening brengt in de verbrokkelde internationale rechtsorde.
1.5
Onderdelen
1.5.1
Het algemene deel
Het internationaal publiekrecht kent een algemeen deel en bijzondere delen. Het algemene deel
bestaat uit overkoepelende beginselen en leerstukken die op alle deelgebieden van internationaal
publiekrecht van toepassing zijn. Voorbeelden zijn het beginsel van goede trouw, het beginsel dat
verdragen moeten worden nageleefd en het beginsel dat schending van een rechtsplicht leidt tot
aansprakelijkheid.
1.5.2
Bijzondere delen
Daarnaast kent het internationaal publiekrecht een aantal bijzondere delen, waarover staten binnen
het algemene kader specifieke afspraken hebben gemaakt. Voorbeelden zijn het internationaal
strafrecht, het internationaal belastingrecht, het internationale milieurecht enzovoorts.
1.5.3
Het recht van de EU
Het recht van de EU is onderdeel van het internationaal publiekrecht. Het is immers gebaseerd op
internationale rechtsbronnen, zoals de VEU, VWEU en het beheerst de uitoefening van publiek gezag.
2.1
Ook het internationaal recht kent zijn eigen rechtssubjecten. Dit zijn de personen of entiteiten die de
bekwaamheid bezitten om deel te nemen aan het rechtsverkeer in de internationale rechtsorde. Het is
dus een status die het mogelijk maakt dat personen deelnemen aan het rechtsverkeer.
2.2
Personen kunnen worden aangeduid als internationaal rechtssubject als ze de juridische
bekwaamheid hebben om binnen de internationale rechtsorde deel te nemen aan het rechtsverkeer.
Deze bekwaamheid kan zich op een aantal manieren manifesteren. Een persoon die naar
internationaal recht rechtssubjectiviteit bezit, kan:
- Internationale rechtshandelingen verrichten, zoals het sluiten van verdragen;
, - Internationale rechten bezitten;
- Rechten op internationaal niveau afdwingen, bijvoorbeeld in een procedure voor een
internationaal tribunaal;
- Internationale verplichtingen hebben;
- Op internationaal niveau aansprakelijk worden gesteld voor schending van verplichtingen.
Rechtssubjectiviteit is een status die het mogelijk maakt dat personen op 1 of meer van deze
manieren deelnemen aan het rechtsverkeer. Maar niet alle internationale rechtssubjecten kunnen op
gelijke wijze aan het rechtsverkeer deelnemen. Hun bevoegdheden, rechten en plichten lopen uiteen.
Er bestaat ook nog een verschil tussen personen met volledige en beperkte rechtssubjectiviteit. Alleen
aan de staat komt volledige rechtssubjectiviteit toe.
2.3
Criteria voor rechtssubjectiviteit
De internationale rechtsorde bepaalt zelf wie haar rechtssubjecten zijn. Nationaal recht is hierbij in
beginsel niet van belang. Het feit dat bijvoorbeeld de gemeente naar Nederlands recht
rechtspersoonlijkheid bezit, leidt niet tot de status van internationaal rechtssubject.
Personen bezitten rechtssubjectiviteit indien zij internationale bevoegdheden, rechten of plichten
bezitten. Welke personen dit zijn, wordt in belangrijke mate bepaald door politieke overwegingen. Een
rechtspolitieke overweging die hierbij een rol speelt, is dat rechtssubjectiviteit personen vatbaar
maakt voor regulering door internationaal recht. Zolang personen geen rechtssubject zijn, kunnen zij
geen internationale rechten of plichten hebben en kunnen zij niet aansprakelijk worden gesteld.
De vraag aan welke personen rechtssubjectiviteit toekomt, is echter niet alleen een politieke vraag.
Internationaal recht biedt zelfstandige gronden die relevant zijn bij de beoordeling van de status van
bepaalde personen. Het e8ectiviteitsbeginsel is hierbij van groot belang. E@ectiviteit is een
dominant beginsel in de internationale rechtsorde. Het recht erkent de feitelijke uitoefening van
macht en gezag als grondslag voor rechtsposities.
Of een staat, organisatie of andere persoon voldoet aan de relevante criteria, is niet altijd eenduidig
vast te stellen. Daarom komt veel gewicht toe aan het oordeel van andere staten. Elk voor zich kunnen
zij bepalen of zij een bepaalde persoon als rechtssubject willen beschouwen. Hierbij speelt het begrip
erkenning een belangrijke rol.
2.4
Staten zijn de belangrijkste rechtssubjecten in het internationaal publiekrecht. Zij oefenen namelijk
gezag uit over een grondgebied en de daar levende bevolking.
2.5
Internationale organisaties
Internationale organisaties zijn meestal opgericht door staten teneinde publieke taken uit te voeren.
Voorbeelden zijn de VN, de EU en de Raad van Europa. Ze bezitten internationale
rechtspersoonlijkheid en nemen als zelfstandige entiteiten deel aan het internationale rechtsverkeer.
Ze bezitten eigen bevoegdheden, rechten en verplichtingen. Maar ze zijn in de praktijk ook afhankelijk
van staten. Anders dan staten hebben internationale organisaties geen algemene rechten, plichten en
bevoegdheden om rechtshandelingen in de internationale rechtsorde te verrichten. Deze hebben zij
alleen, als die staten uitdrukkelijk dan wel impliciet aan hen hebben toegekend.
, 2.6
De facto-regimes
Tientallen staten hebben slechts beperkte controle over (delen van) hun grondgebied. In de
afwezigheid van e@ectief gezag wordt daar de dienst uitgemaakt door nietstatelijke entiteiten,
zogenoemde facto-regimes. Dat zijn georganiseerde groepen die feitelijk (facto) e@ectief gezag
uitoefenen over een deel van hun grondgebied van een bestaande staat en de daar levende bevolking.
Het betreft meestal groepen die tegen de staat in opstand komen om autonomie te krijgen binnen de
staat, of om zichzelf af te scheiden en een zelfstandige staat te vormen.
Vergeleken met staten is de juridische status van de facto-regimes zwak. De internationale rechtsorde
gaat ervan uit dat dergelijke entiteiten tijdelijk van aard zijn en dus uiteindelijk weer opgaan in een
staat. Het toekennen van internationale rechtssubjectiviteit zou hun positie kunnen versterken en de
bestaande positie van de staten kunnen bedreigen.
Maar, de internationale rechtsorde kan de juridische betekenis van de facto-regimes niet geheel
ontkennen. Staten en internationale organisaties kunnen gedwongen zijn een beperkte
rechtssubjectiviteit van de facto-regimes te erkennen teneinde ze te onderwerpen aan internationale
verplichtingen. Als er namelijk geen verplichtingen aan hen worden opgelegd, zou de bevolking in het
desbetre@ende gebied verstoken zijn van internationale juridische bescherming.
In het algemeen wordt aangenomen dat overeenkomsten die de facto-regimes sluiten met staten,
geen internationaal publiekrechtelijke status hebben.
2.7
Bevrijdingsbewegingen
Bevrijdingsbewegingen zijn groeperingen die vechten tegen een koloniale mogendheid of bezettende
macht. Zij speelden een grote rol in de dekolonisatie na de Tweede Wereldoorlog. Een modern
voorbeeld is de PLO, die streeft naar de vorming van een internationaal breed erkende Palestijnse
staat op een grondgebied dat ten dele door Israël is bezet.
2.8
Internationale non-gouvermentele organisaties
NGO’s zijn private organisaties die grensoverschrijdend opereren. Zij kunnen ideële doelstellingen
hebben, zoals Greenpeace, Amnesty International of Artsen zonder grenzen. NGO’s kunnen
belangrijke invloed uitoefenen op de totstandkoming en naleving van internationaal recht. NGO’s
hebben echter geen internationale rechtssubjectiviteit en dus ook geen rechten of verplichtingen.
NGO’s worden beheerst door het nationale recht van de staat waar zij zijn gevestigd.
2.9
Multinationale ondernemingen
Multinationale (ofwel transnationale) ondernemingen zijn ondernemingen die in meer dan 1 staat
economisch actief zijn, bijvoorbeeld Apple, Heineken en Toyota. Zij genieten in beginsel alleen
rechtssubjectiviteit in de nationale rechtsorde, in het bijzonder de staat waarin zij geregistreerd zijn.
Maar de laatste jaren hebben multinationale ondernemingen een zekere status in de internationale
rechtsorde verkregen, omdat staten er belang bij hebben dat deze ondernemingen die in hun
rechtsorde geregistreerd staan, worden beschermd tegen onteigening of andere maatregelen die de
waarde van hun investeringen zouden bedreigen. Veel staten hebben dus
investeringsbeschermingsovereenkomsten gesloten die bepalen dat de staat waar wordt
geïnvesteerd, verplicht is bescherming te bieden aan buitenlandse ondernemingen.