J. Hijma, C.C. van Dam, W.A.M. van Schendel & W.L. Valk, Rechtshandeling en
Overeenkomst, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (elfde druk)
G.T. de Jong, H.B. Krans & M.H. Wissink, Verbintenissenrecht algemeen, Deventer:
Wolters Kluwer 2022 (zesde druk).
STUDIE Pre-master Rechtsgeleerdheid Open Universiteit
VAKCODE RS0012-252633S
LEERJAAR: 2025 – 2026
STOF: handboek, kennisclips, hoorcolleges en zelftoetsen
en bijbehorende jurisprudentie
,overeenkomstenrecht
Voorkennis
Het vak Overeenkomstenrecht is een vak in het tweede jaar van de bacheloropleiding
Rechtsgeleerdheid. Dat betekent dat een bepaalde basiskennis van het privaatrecht in het algemeen
en van het overeenkomstenrecht in het bijzonder van de student mag worden verwacht. Enkele
contractenrechtelijke thema’s die passen in een inleidend vak op het niveau van het eerste jaar van
de bacheloropleiding worden daarom bekend verondersteld en behoren niet tot de directe
tentamenstof.Deze leereenheid biedt de mogelijkheid om deze thema’s alsnog te bestuderen. Het
betreft de volgende thema’s:
- Totstandkoming rechtshandelingen algemeen: wilsvertrouwensleer (artikelt. 3:33, 3:34 en
3:35 BW);
- Totstandkoming overeenkomsten algemeen: aanbod en aanvaarding (artikel. 6:217 BW e.v.),
verschil herroeping/intrekking (artikel. 6:219/3:37 BW) et cetera;
- Handelings(on)bekwaamheid (3:32 BW) en handelingsonbevoegdheid (artikel. 3:43 BW);
- Wilsgebreken: bedrog, bedreiging, misbruik van omstandigheden en dwaling (artikel. 3:44 en
6:228 BW)
Het relevante materiaal dat correspondeert met deze thema’s treft u aan in het studieboek
Rechtshandeling en Overeenkomst in de Studiereeks Burgerlijk Recht (zie hieronder de Aanbevolen
literatuur).
De hoofdstukken en nummers die bij deze thema’s horen hoeft u echter voor het tentamen niet
direct te bestuderen. Dat betekent ook bijvoorbeeld dat u op het tentamen geen casusposities zult
aantreffen waarin u wordt gevraagd bijvoorbeeld de dwalingsregeling uit artikel. 6:228 BW toe te
passen. Tot dit vak behoort ook geen verplichte jurisprudentie op het terrein van dwaling of andere
wilsgebreken. Twee nuanceringen zijn wel noodzakelijk. Het kan zijn dat in de leereenheden 1t/m 9
enkele onderdelen die in deze leereenheid onder de aanbevolen literatuur genoemd zijn,
terugkomen. Díe stof behoort dan wél tot de verplichte literatuur en tot de tentamenstof. Daarmee
hangt sterkt samen dat de thematiek uit dit vak in ieder geval deels natuurlijk voortbouwt op de
bekend veronderstelde basiskennis en daarvan niet altijd strikt kan worden onderscheiden. Zo speelt
de wilsvertrouwensleer – die ten grondslag ligt aan de totstandkoming van rechtshandelingen in het
algemeen – ook een rol bij de leerstukken van precontractuele aansprakelijkheid (leereenheid 1) en
vertegenwoordiging/volmacht (leereenheid 2).
Zelftoets - voorkennis
Vraag 1 Mevrouw B is reeds enkele jaren opgenomen in verpleeghuis De Horizon in verband met
dementie. Fysiek is zij zeer vitaal, waardoor haar geestelijke toestand bij oppervlakkige contacten
niet bij iedereen onmiddellijk opvalt. Haar ziekte verhindert niet dat zij ook heldere momenten
heeft. Tijdens een kort bezoek koopt de plaatselijke antiquair A de klok van B voor € 3500. A
meent hiermee een voordelige transactie te hebben gesloten. Hij schat de marktwaarde van de
klok op € 6000.
a. Is er tussen A en B een geldige koopovereenkomst tot stand gekomen?
b. Naderhand heeft B spijt van de verkoop. Kan zij van de overeenkomst af?
Antwoord:
a. De overeenkomst tussen A en B is geldig maar vernietigbaar. In afwijking van de uit artikel 3:33
BW af te leiden hoofdregel dat in geval van een discrepantie tussen wil en verklaring de
desbetreffende rechtshandeling in beginsel van rechtswege nietig is, bepaalt artikel 3:34, tweede
lid, BW dat een door een geestelijk gestoorde verrichte rechtshandeling die tot een bepaalde
,overeenkomstenrecht
persoon is gericht, vernietigbaar is.
Conclusie: de overeenkomst is geldig (maar ex artikel 3:34 BW vernietigbaar).
b. Kan B de overeenkomst met succes vernietigen op grond van artikel 3:34, tweede lid, BW?
Degene die zich beroept op geestelijke stoornis, zal dit moeten aantonen. In casu is aantoonbare
dementie daarvoor niet zonder meer voldoende. Niet uitgesloten is dat B op het moment van
het sluiten van de koopovereenkomst een helder moment had. B zal moeten bewijzen dat de
dementie een redelijke waardering van de bij de overeenkomst betrokken belangen belette of
dat de verklaring onder invloed van die dementie is gedaan (eerste zin van artikel. 3:34, eerste
lid, BW).
Teneinde de lastige bewijspositie van de geestelijk gestoorde op dit punt te vergemakkelijken is
in artikel 34, eerste lid, BW, tweede zin, een wettelijk vermoeden opgenomen: een verklaring
wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de
geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling
redelijkerwijze niet was te voorzien. Het wettelijk vermoeden heeft dus in casu betrekking op het
bewijs van het causaal verband tussen de door B afgelegde verklaring en haar dementie. Gezien
het grote verschil tussen koopprijs en marktwaarde van de klok (€ 2500) lijkt het niet moeilijk om
het nadeel te bewijzen.
Een gerechtvaardigd beroep door A op artikel 3:35 BW brengt echter mede dat mevrouw B geen
beroep kan doen op de vernietigingsgrond van artikel 3:34, tweede lid, BW. Een succesvol
beroep op artikel 3:35 BW vereist dat A te goeder trouw is, dat wil zeggen dat er aan zijn zijde
sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. In casu is A niet te goeder trouw. Hij weet immers dat
B in het verpleeghuis woont en de koopsom ver beneden de marktwaarde ligt. A had moeten
onderzoeken of B deze overeenkomst ook werkelijk wilde (zie artikel. 3:11 BW). Zonder nader
onderzoek had A niet zonder meer mogen vertrouwen dat B de Friese staartikelklok ook
werkelijk wilde verkopen voor € 3500.
Conclusie: B kan de overeenkomst met succes op grond van geestelijke stoornis (artikel. 3:34,
tweede lid, BW) vernietigen.
Vraag 2 C, een goed Nederlands sprekende chauffeur in dienst bij een transportonderneming,
verkeerde in de veronderstelling dat hij na een rit van Zagreb naar Keulen, in Keulen zou worden
opgehaald door iemand van de zaak. Bij aankomst in Keulen blijkt er echter niemand te zijn om
hem op te halen. Woedend schreeuwt hij bij terugkomst op het bedrijf tegen zijn baas: ‘Je bekijkt
het maar, mij zie je hier niet meer terug’.
a. Hoe moet deze verklaring juridisch worden gekwalificeerd?
b. Nadat de werkgever C na twee dagen vergeefs heeft gevraagd of hij bij zijn verklaring blijft en
uiteindelijk, na geen antwoord te hebben gekregen, de verklaring heeft geaccepteerd, wil C op
zijn verklaring terugkomen. Kan chauffeur C zijn verklaring intrekken?
c. Gesteld dat C zijn verklaring niet meer met succes kan intrekken. Kan C de gevolgen van zijn
verklaring op andere wijze ongedaan maken?
Antwoord:
a. Als een opzegging van een arbeidsovereenkomst (een gerichte eenzijdige rechtshandeling).
b. C kan zijn verklaring niet meer intrekken, nu de verklaring de werkgever al heeft bereikt.
Intrekking kan alleen indien de verklaring daartikeloe de werkgever eerder dan of gelijktijdig met
,overeenkomstenrecht
de ingetrokken verklaring bereikt (artikel. 3:37, vijfde lid, BW).
c. C kan zich op artikel 3:33 BW beroepen, stellende dat er geen opzeggingsverklaring tot stand is
gekomen, nu zijn wil niet gericht was op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst dan wel op
artikel 3:34 BW (geestelijke stoornis, bijvoorbeeld hevige emotie) de opzegging vernietigen.
Zijn werkgever kan zich daarentegen op de bescherming van zijn gerechtvaardigd vertrouwen
(artikel. 3:35 BW) beroepen. Mocht de werkgever de verklaring van C als een vrijwillige
beëindiging van de arbeidsovereenkomst opvatten? Is hier sprake van goede trouw van de
werkgever ex artikel 3:35 j° 3:11 BW?
In o.a. Westhoff-Spronsen oordeelde de Hoge Raad dat in een dergelijk geval de werkgever voor
een geldig beroep op artikel 3:35 BW een onderzoeksplicht heeft. Naarmate de verklaring voor
de handelende nadeliger is, zal eerder een onderzoeksplicht worden aangenomen. Opzegging
van een arbeidsovereenkomst kan ernstige rechtsgevolgen met zich brengen. In casu is de
werknemer de Nederlandse taal machtig en kan gezien zijn functie geacht worden over
voldoende vaardigheden te beschikken om de draagwijdte van zijn verklaringen en gedragingen
te overzien. Bovendien is C enige tijd gelaten om op zijn verklaring terug te komen. Hier kan dus
worden geoordeeld dat de werkgever niet in zijn onderzoeksplicht is te kort geschoten en dus
met succes een beroep op artikel 3:35 BW kan doen.
Ook als op zichzelf aan alle eisen van artikel 3:35 BW is voldaan, kan een beroep op dat artikel in
strijd komen met de redelijkheid en billijkheid (derogerende werking, artikelt. 6:2, tweede lid, j°
6:248, tweede lid, BW, Westhoff/Spronsen). Nadeel voor de chauffeur is daarbij een belangrijk
gezichtspunt, met name als de wederpartij bij het uitblijven van bescherming ex artikel 3:35 BW
geen nadeel zou ondervinden. Uit de casus blijkt niets van nadeel (bijvoorbeeld dat er al een
vervanger is aangenomen) voor de werkgever.
Conclusie: C kan zijn opzegging ongedaan maken. Een beroep van de werkgever op artikel 3:35
BW is in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
Vraag 3 Nadia is geïnteresseerd in de aankoop van een jaren 30-woning van Dirk. Tijdens de
bezichtiging vraagt Nadia expliciet naar de staat van de fundering van het huis, omdat zij heeft
gehoord dat oudere huizen soms funderingsproblemen kunnen hebben. Ze vertelt Dirk dat het
voor haar essentieel is dat de woning helemaal 'af' is, omdat zij weinig ervaring heeft met klussen.
Gezien de hoge vraagprijs van de woning verwacht ze ook geen budget meer over te hebben voor
grote renovatieprojecten. Dirk verzekert haar dat de fundering in orde is en dat de muren nergens
scheuren vertonen. Hij verwijst daarbij naar een bouwtechnisch rapport dat de vorige eigenaar
tien jaar geleden heeft laten opstellen, waarin geen funderingsproblemen werden vermeld. Op
basis van deze informatie besluit Nadia het huis te kopen zonder zelf een bouwkundig onderzoek
te laten uitvoeren.Na de overdracht ontdekt Nadia ernstige funderingsproblemen. Het huis blijkt
toch scheuren in de muren te vertonen en er is sprake van verzakking. Een deskundige schat de
kosten voor het herstel op € 50.000. Uit nader onderzoek blijkt dat de fundering in de afgelopen
jaren is verslechterd en dat dit al enkele jaren zichtbaar had kunnen zijn door kleine scheuren en
verzakkingen, die Dirk mogelijk hadden moeten opvallen. Nadia wil de overeenkomst vernietigen.
Zij stelt dat ze de woning nooit zou hebben gekocht als ze van de funderingsproblemen op de
hoogte was geweest. Dirk verweert zich door aan te geven dat:
• Verweer 1) hij geen bouwkundige is van beroep en dat hij ook niet op de hoogte was van de
verslechterde staat van de fundering. Hij heeft te goeder trouw de informatie van het oude
bouwrapport gedeeld.
,overeenkomstenrecht
• Verweer 2) Nadia maar een bouwkundig onderzoek had moeten laten uitvoeren als ze
zekerheid wilde over de fundering.
Op welke rechtsgrond kan Nadia een beroep doen als zij de overeenkomst wenst te vernietigen
en heeft dit beroep volgens u kans van slagen? Bespreek de meest voor de hand liggende
rechtsgrond en ga bij uw beantwoording in op beide verweren van Dirk.
Antwoord: In casu dient de mogelijkheid te worden onderzocht of met succes een beroep kan
worden gedaan op dwaling, artikel. 6:228 BW.
Daarvoor dient er allereerst sprake te zijn van een onjuiste voorstelling van zaken. Hier wordt in
casu aan voldaan. Nadia kocht de woning in de veronderstelling dat er geen funderingsproblemen
waren, terwijl deze problemen wel degelijk aanwezig zijn.
Daarnaast dient er sprake te zijn van een causaal verband tussen de onjuiste voorstelling van
zaken en het sluiten van de overeenkomst. Ook hier wordt aan voldaan. Indien Nadia had
geweten van de funderingsproblemen, had zij de woning niet (onder dezelfde voorwaarden)
gekocht. Het causale verband is dus aanwezig.
Er is in casu sprake van een situatie zoals vermeld in artikel. 6:228 lid 1 onder a BW. De dwaling is
te wijten aan een mededeling van de wederpartij. Dirk heeft een onjuiste mededeling gedaan ten
aanzien van de staat van de woning en op basis van die inlichting heeft Nadia de woning gekocht.
Het tenzij-gedeelte onder sub a (“kenbaarheidsvereiste”) is in casu niet van toepassing, aangezien
Dirk er niet vanuit mocht gaan dat Nadia onder dezelfde voorwaarden de woning zou hebben
gekocht. Zij heeft immers expliciet bij Dirk aangegeven dat het essentieel voor haar was dat de
woning "af" was en dat zij geen renovaties kon uitvoeren.
Ten aanzien van verweer 1:
Dirk kan zich niet met succes beroepen op het verweer dat hij geen bouwkundige is en ook niet
wist dat de woning geen funderingsproblemen had. Voor een beroep op dwaling krachtens
artikel. 6:228 lid 1 onder a BW is immers niet relevant of de wederpartij (Dirk) de inlichting te
goeder trouw of te kwader trouw heeft verstrekt.
NB. Bovendien geldt dat indien Dirk van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken als Nadia was
uitgegaan, dat er sprake zou kunnen zijn van een wederzijdse dwaling, artikel. 6:228 sub c BW. In
dat geval dienen beide partijen uit te gaan van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken. Dit
verweer kan Dirk bij wederzijdse dwaling alleen baten indien hij aantoont dat hij bij een juiste
voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat Nadia daardoor van het sluiten van de
koopovereenkomst zou zijn afgehouden (tenzij gedeelte, artikel. 6:228 sub c BW). Dat is hier niet
aannemelijk, omdat Nadia duidelijk heeft aangegeven dat ze de woning kocht vanwege de
veronderstelde goede staat.
Ten aanzien van verweer 2:
Het tweede verweer van Dirk wijst op een onderzoeksplicht voor Nadia. Dat er op de dwalende
(Nadia) een onderzoeksplicht kan rusten, vloeit voort uit de in artikel. 6:228 lid 2 BW genoemde
verkeersopvattingen. De verkeersopvattingen brengen met zich dat de dwaling voor rekening van
de dwalende behoort te blijven, indien de dwalende niet heeft voldaan aan zijn/haar
onderzoeksplicht. Een onderzoeksplicht wordt eerder aangenomen voor gebreken die eenvoudig
(door eigen onderzoek) te ontdekken zijn. In casu is de vraag of Nadia een onderzoeksplicht heeft
en onderzoek had moeten doen naar eventuele funderingsproblemen, óf dat zij uit mocht gaan
van de mededeling die Dirk heeft gedaan.
,overeenkomstenrecht
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat degene die een (onjuiste) mededeling doet
waarop de wederpartij mag afgaan, zich er in beginsel niet op kan beroepen, dat de dwalende zelf
beter onderzoek had moeten doen. De mededeling van Dirk betreft geen aanprijzing in algemene
bewoordingen; het is een specifieke feitelijke mededeling. Het is daarom goed verdedigbaar dat
ook dit verweer van Dirk niet opgaat. Bovendien is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een
ondeskundige koper niet verplicht is een deskundige in te schakelen. De dwalingsregeling heeft
ook de strekking om onvoorzichtige kopers te beschermen (NB. zie het arrest Van
Geest/Nederlof).
In casu gaat het niet om een uitsluitende toekomstige omstandigheid. De aard van de
overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen (zoals hierboven ten aanzien van de
onderzoeksplicht is besproken) en de omstandigheden van het geval leiden er in deze casus niet
toe dat het aannemelijk is dat de dwaling ex artikel. 6:228 lid 2 BW voor rekening van de
dwalende (Nadia) dient te komen.
Conclusie: het is in casu goed verdedigbaar dat Nadia met succes een beroep kan doen op
dwaling.
Vraag 4 Arno heeft per brief zijn huis aan Bas te koop aangeboden voor € 400.000. In de brief
staat vermeld dat het aanbod een week geldig is. Twee dagen nadat Bas deze brief heeft
ontvangen, krijgt hij een telefoontje van Arno, waarin deze hem meedeelt zijn huis inmiddels voor
€ 410.000 aan een zekere Chris te hebben verkocht. Bas reageert hierop met de mededeling dat
hij daar niets mee te maken heeft en dat hij het aanbod van Arno aanvaardt. Welke van de
volgende beweringen ten aanzien van deze casus is juist?
A. Arno had zijn aanbod reeds herroepen vóór het moment van de mededeling van Bas,
inhoudende zijn aanvaarding van het aanbod. Daardoor is het aanbod van Arno vervallen. De
daaropvolgende aanvaarding door Bas heeft dan ook geen enkel rechtsgevolg.
B. Arno was op het moment van de aanvaarding door Bas niet meer beschikkingsbevoegd met
betrekking tot het huis. Daarom is er geen overeenkomst tussen Arno en Bas tot stand
gekomen.
C. Op het moment van de aanvaarding door Bas was geen wilsovereenstemming meer
aanwezig. Daarom is er tussen Arno en Bas geen overeenkomst tot stand gekomen.
D. Door de aanvaarding door Bas is er een geldige overeenkomst tussen Arno en Bas tot stand
gekomen. Dat Arno het huis inmiddels verkocht heeft aan Chris doet hier niets aan af.
Antwoord: Antwoord D is juist.
Vraag 5 Marlies biedt op 4 maartikel 2017 schriftelijk haar twee jaar oude computer aan Helma te
koop aan voor € 200. In haar brief heeft Marlies vermeld dat haar aanbod tot 11 maartikel 2017
geldig blijft. Op 6 maartikel 2017 hoort Marlies van een winkelier, bij wie zij zich oriënteert voor
de aanschaf van een nieuwe computer, dat deze bereid is € 300 te geven voor de oude computer
van Marlies. Op 7 maartikel 2017 ontvangt Marlies een brief van Helma, waarin deze mededeelt
geen interesse in de computer te hebben. Hierop koopt Marlies een nieuwe computer bij de
eerder genoemde winkelier, waarbij zij haar oude computer tegen de afgesproken prijs inruilt. Op
10 maartikel 2017 krijgt Marlies een telefoontje van Helma, waarin deze haar vertelt alsnog het
aanbod te aanvaarden. Is er door deze aanvaarding van Helma een overeenkomst tussen haar en
Marlies tot stand gekomen?
A. Nee, aangezien het aanbod van Marlies ten gevolge van de eerdere verwerping door Helma
is komen te vervallen.
,overeenkomstenrecht
B. Nee, aangezien Marlies op het moment van de aanvaarding door Helma de computer reeds
aan een ander had verkocht en dus niet meer bevoegd was om over de computer te
beschikken.
C. Ja, aangezien het aanbod onherroepelijk is tot 11 maartikel 2017 en Helma het aanbod
binnen deze termijn heeft aanvaard. Het feit dat de computer inmiddels aan een ander is
verkocht doet hier niets aan af.
D. Ja, aangezien Marlies haar aanbod niet heeft herroepen en Helma het aanbod binnen de
gestelde termijn heeft aanvaard. Het feit dat de computer inmiddels aan een ander is
verkocht doet hier niets aan af.
Antwoord: Antwoord A is juist.
Vraag 6 Welke van de onderstaande beweringen met betrekking tot handelingsonbekwaamheid is
juist?
A. Een door een handelingsonbekwame verrichte eenzijdige rechtshandeling is altijd nietig.
B. Een door een handelingsonbekwame gesloten overeenkomst kan niet vernietigd worden,
indien de wederpartij redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van de
handelingsonbekwaamheid.
C. Een door een handelingsonbekwame gesloten overeenkomst is geldig, zolang de
overeenkomst niet is vernietigd.
D. Alle bovenstaande beweringen zijn juist.
Antwoord: Antwoord C is juist.
Vraag 7 In welk(e) van de onderstaande gevallen is sprake van een nietige rechtshandeling?
1. Aron, die geestelijk gestoord is, verwerpt een nalatenschap
2. Aron, die geestelijk gestoord is, koopt een gazonmaaier.
3. Bartikel, die handelingsonbekwaam is, verwerpt een nalatenschap.
4. Bartikel, die handelingsonbekwaam is, koopt een gazonmaaier.
A. alleen in geval 1
B. alleen in de gevallen 1 en 3
C. alleen in de gevallen 1 en 2
D. alleen in de gevallen 3 en 4
Antwoord: Antwoord B is juist
,overeenkomstenrecht
Leereenheid 1 - Een introductie tot het overeenkomstenrecht en een eerste leerstuk: afgebroken
onderhandelingen
BOEK RECHTSHANDELING EN OVEREENKOMST
HOOFDSTUK 1
1.2 De rechtshandeling
De wetgever heeft aan de rechtshandeling een belangrijke titel van het wetboek gewijd (titel 3.2),
maar heeft van het centrale begrip 'rechtshandeling' geen omschrijving opgenome. Het ontbreken
van een begripsomschrijving neemt niet weg, dat de wet aanwijzingen bevat over wat de wetgever
zich bij het verschijnsel rechtshandeling heeft voorgesteld. Art. 3:33 geeft aan wat voor een
rechtshandeling nodig is: een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil, die zich door
een verklaring heeft geopenbaard. In dit artikel, dat een wilsverklaring als vereiste stelt, komt het
wezenskenmerk van de rechtshandeling aan het licht: haar gerichtheid op een of meer
rechtsgevolgen.
In de literatuur wordt de rechtshandeling dan ook vaak gedefinieerd als een handeling die op
rechtsgevolg is gericht, of sterker naar de wil van de handelende verwijzend als een handeling
waarmee rechtsgevolg wordt beoogd. Daarbij is onder 'rechtsgevolg' te verstaan het ontstaan,
gewijzigd raken of tenietgaan van een bepaalde juridische relatie.
Het gegeven dat zij op het intreden van rechtsgevolg moet zijn gericht, onderscheidt de
rechtshandeling van gewone handelingen. Het lezen van een krant en het lopen door een bos zijn
menselijke handelingen, maar zijn geen rechtshandelingen, want zijn niet gericht op het ontstaan, het
gewijzigd raken of het tenietgaan van een juridische relatie. Rechtshandelingen zijn uitsluitend de
handelingen die, naar hun aard, gericht zijn op een of meer bepaalde rechtsgevolgen, voorbeelden:
het sluiten van een koop- of arbeidsovereenkomst. Een onrechtmatige daad artikel 6:162 BW is
weliswaar een voor het recht relevante handeling, en roept ook een rechtsgevolg in het leven (er
ontstaat een verbintenis tot schadevergoeding), maar daarmee is zij nog geen rechtshandeling: het
gedrag is hier op puur feitelijk gevolg gericht (breken van de ruit), terwijl het recht er uit eigen
beweging een verbintenis aan koppelt.
Meerzijdige en eenzijdige rechtshandelingen
De rubriek van de rechtshandelingen kan worden ontleed in meerzijdige en eenzijdige
rechtshandelingen. De meerzijdige rechtshandeling laat zich omschrijven als een rechtshandeling -
dus een op rechtsgevolg gerichte handeling - die door meer dan één persoon wordt verricht zoals
een overeenkomst, die tot stand wordt gebracht doordat de ene persoon een aanbod doet, dat door
een andere persoon wordt aanvaard (art. 6:217 BW). Maar er zijn ook meerzijdige rechtshandelingen
die geen overeenkomsten zijn; deze komen niet tot stand via het model van aanbod en aanvaarding,
maar bestaan uit een aantal parallel lopende wilsverklaringen. Men spreekt hierbij wel, met een aan
het Duitse recht ontleende term, van 'Gesamtakte'. Zo'n Gesamtakte doet zich bijvoorbeeld voor
wanneer een vergadering van aandeelhouders van een vennootschap een meerderheidsbesluit
neemt.
Naast de meerzijdige staat de eenzijdige rechtshandeling, die door slechts één persoon tot stand
wordt gebracht. Voor de geldigheid van veel van deze eenzijdige rechtshandelingen is vereist, dat de
bewuste handeling tot een bepaalde andere persoon wordt gericht. Die andere persoon brengt de
handeling niet zelf tot stand (zijn instemming is niet nodig), maar hij fungeert als ontvanger van de
verklaring, als geadresseerde. Te denken is bijvoorbeeld aan de vernietiging van een
koopovereenkomst of aan de opzegging van een huur- of arbeidscontract.
,overeenkomstenrecht
Een eenzijdige niet gerichte rechtshadeling is voor de totstandkoming noch de instemming van een
andere persoon noch de ontvangt door een andere persoon noodzakelijk.
1.3 De (obligatoire) overeenkomst
Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of
meer andere een verbintenis aangaan (art. 6:213 lid 1). De kwalificatie als een meerzijdige
rechtshandeling maakt duidelijk, dat de verhouding tussen de begrippen 'rechtshandeling' en
'overeenkomst' als een genus-speciesrelatie is te beschouwen: iedere overeenkomst is een
rechtshandeling, maar omgekeerd is niet iedere rechtshandeling een overeenkomst.
Volgens de omschrijving van art. 6:213 lid 1 wordt de overeenkomst gekenmerkt door haar
verbintenis scheppende vaak wordt gesproken van obligatoire karakter. Ook als van de afspraken
geen schriftelijk stuk is opgemaakt worden de (obligatoire) overeenkomst dikwijls contract genoemd;
evenzo wordt het overeenkomstenrecht vaak als contractenrecht betiteld.
Bijzondere overeenkomsten
Ten aanzien van de bijzondere overeenkomsten doet de gelaagde structuur van het wetboek in alle
hevigheid van zich spreken. Zij zijn ten eerste rechtshandelingen in de zin van titel 3.2, ten tweede
overeenkomsten in de zin van titel 6.5, en ten derde bijzondere overeenkomsten in de zin van Boek
7. Herhaaldelijk zal men dus op drie plaatsen in de wet moeten zoeken om een volledig beeld te
bereiken van wat rechtens is. Of beter gezegd op vier, want bovendien komt gewicht toe aan het
algemene gedeelte van het verbintenissenrecht.
Verdere onderscheidingen van (obligatoire) overeenkomsten
De obligatoire overeenkomsten kunnen aan de hand van diverse criteria op diverse manieren
worden onderverdeeld. Zo kwamen in het voorafgaande al aan de orde:
a. Tweepartijen- tegenover meerpartijenovereenkomsten.
b. Bijzondere (en gemengde) overeenkomsten tegenover niet-bijzondere overeen- komsten.
c. Wederkerige overeenkomsten tegenover eenzijdige overeenkomsten. Een overeenkomst is
wederkerig, indien elk van beide partijen een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van de
prestatie waartoe de wederpartij zich daartegen- over jegens haar verbindt (art. 6:261 lid 1).
(Obligatoire) overeenkomsten die niet aan deze omschrijving voldoen, heten eenzijdig.
d. Overeenkomsten onder bezwarende titel tegenover overeenkomsten om niet. Een
contractpartij gaat een overeenkomst aan onder bezwarende titel, indien de door haar
toegezegde prestatie in verband staat met een bepaalde presta- tie van de wederpartij. Niet
onder deze omschrijving vallende overeenkomsten noemt men overeenkomsten om niet. In
de wet wordt de overeenkomst onder bezwarende titel eenvoudig 'anders dan om niet'
genoemd.
e. Consensuele overeenkomsten tegenover formele (en reële) overeenkomsten.
f. Kortstondige overeenkomsten tegenover duurovereenkomsten.
Grondbeginselen van contractenrecht
Het recht betreffende de obligatoire overeenkomst (het contractenrecht) wordt beheerst door een
drietal met elkaar samenhangende grondbeginselen:
1. de contractsvrijheid
2. de vormvrijheid (het consensualisme)
3. de verbindende kracht van de overeenkomst (‘pacta sunt ervanda’).
Tezamen genomen leiden deze principes tot het uitgangspunt dat iedere overeenkomst, hoe ook
gesloten, rechtens als verbindend zal worden aangemerkt.
, overeenkomstenrecht
Het grondbeginsel van de contractsvrijheid houdt in, dat het partijen vrijstaat een overeenkomst te
sluiten met wie zij wensen, met de inhoud die zij wensen, en op het moment dat zij wensen. Het
recht erkent de autonomie van het individu om door het sluiten van contracten tot ontplooiing te
komen en schaart zich achter de door de handelende(n) gedane keuzen.
Het tweede grondbeginsel, dat van de vormvrijheid, is voor alle rechtshandelingen neergelegd in art.
3:37 lid 1: tenzij anders is bepaald, kunnen verklaringen in iedere vorm geschieden, en kunnen zij in
een of meer gedragingen besloten liggen. Omdat voldoende is dat op enigerlei wijze consensus
(wilsovereenstemming) tot uitdrukking komt, wordt dit beginsel wel als dat van het consensualisme
aangeduid.
Het derde grondbeginsel, 'pacta sunt ervanda'. In art. 6:248 lid 1: Een overeenkomst heeft (...) de
door partijen overeengekomen rechtsgevolgen (...) Op de achtergrond van dit grondbeginsel - zonder
welk een geordende samenleving niet goed denkbaar zou zijn bevindt zich de aloude
maatschappelijke regel 'belofte maakt schuld'.
In rechtspraak en literatuur heeft zich op verschillende terreinen een tendens ontwikkeld om naar de
hoedanigheid van partijen te differentiëren.
Een eerste gebied is de uitleg van de overeenkomst. In diverse arresten heeft de Hoge Raad
uitgemaakt dat als een door een professionele contractant opgesteld beding onduidelijkheden bevat,
het voor de hand ligt dit beding in het voordeel van diens (leek)wederpartij uit te leggen."' En in het
bekende Haviltex-arrest overwoog de Hoge Raad ten aanzien van de contract uitleg in het algemeen,
dat daarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kring partijen behoren en welke
rechtskennis van zodanige partijen mag worden verwacht. Veel eerder dan een professionele
contractant zal de particulier (en zeker de weinig ontwikkelde particulier) succes kunnen hebben met
het betoog dat hij, gemeten naar zijn eigen maatstaven, de overeenkomst mocht opvatten in de zin
waarin hij haar had begrepen. Z
In de tweede plaats valt te wijzen op het gewicht dat in het kader van een beroep op dwaling (art.
6:228) pleegt te worden toegekend aan de over en weer aanwezig gebleken deskundigheid. Koopt
een leek iets bij een deskundige, dan heeft de verkoper een ruime spreekplicht (art. 6:228 lid 1 sub
b) en zal de koper op welhaast alles wat de ander hem mededeelt (art. 6:228 lid 1 sub a) mogen
bouwen. Koopt omgekeerd een deskundige iets bij een leek, dan zal deze koper bij een beroep op
dwaling niet zelden te horen krijgen dat hij beter had moeten weten en te weinig eigen onderzoek
heeft verricht (art. 6:228 lid 2).
In de derde plaats is te denken aan de resultaten waartoe de toetsing aan redelijkheid en billijkheid
(art. 6:248 lid 2) aanleiding kan geven. Bij de vraag of redelijkheid en billijkheid al dan niet aan een
bepaalde contractuele afspraak derogeren, komt zo heeft de Hoge Raad herhaaldelijk overwogen -
mede belang toe aan de onderlinge verhouding en de maatschappelijke positie van partijen. Ook in
dit kader geldt, dat de (weinig ontwikkelde) particulier op meer clementie zal mogen rekenen dan
een professioneel opererende contractpartij.
1.4 Afrondende algemene opmerkingen
Kenbronnen van het burgerlijk recht en dus ook van het rechtshandelingen- en
overeenkomstenrecht zijn de wet, de rechtspraak (van de Hoge Raad en van la- gere colleges) en de
literatuur (de in boeken en tijdschriften gepubliceerde opinies van de rechtsgeleerde schrijvers). Een
belangrijke bron van informatie die hiermee nog niet is genoemd, is de parlementaire geschiedenis
van het wetboek, waarnaar in de in dit studieboek opgenomen voetnoten herhaaldelijk wordt
verwezen.