Toets: 42 meerkeuzevragen, 2 open vragen, censuur 60%
HOOFDSTUK 1: COGNITIEVE PSYCHOLOGIE
DE STUDENT HEEFT KENNIS OVER DE COGNITIEVE PSYCHOLOGIE
Cognitieve psychologie: de wetenschappelijke studie van mentale processen zoals waarneming,
geheugen, aandacht, leren, denken en taal. (verbanden tussen hersenen en gedrag).
Cognitieve psychologie wordt op verschillende manieren onderzocht:
- Gedragsexperimenten
- Structurele hersenstudies (CT, MRI)
- Functionele hersenstudies (fMRI)
- Dierenstudies
- Patiënten met hersenletsel
Wij als toegepast cognitieve psychologen passen de kennis die opgedaan is via bovenstaande
onderzoeken toe op het oplossen van problemen in het dagelijks leven.
Als neuropsycholoog doe je onderzoek naar de relatie tussen gedraging en de hersenen, maar je neemt
geen beeldonderzoek af. Dit doet de neuroloog.
Periode in de tijdlijn van de psychologie:
- De wijsgierige psychologie (ca. 1879 – 1920)
Een onderzoeksmethode die hierbij werd gebruikt was introspectie: hierbij werd systematisch
het eigen gedrag, denken en voelen beschreven. (vb. Sigmund Freud)
- Gedragspsychologie (1913 – 1960)
De onderzoeksmethode die hierbij gebruikt werd waren vooral dierexperimenten. Watson
beschreef de psychologie als een gedragswetenschap: het zichtbare gedrag werd verklaard in
oorzaak-gevolg. Gedrag is een reactie op een prikkel in de omgeving.
- Cognitieve psychologie (vanaf 1956)
De cognitieve psychologie bestudeert perceptie, geheugen, aandacht, leren, denken en taal. De
onderzoeksmethode die hierbij wordt gebruikt zijn experimenten met zowel mensen als dieren.
2 soorten mensbeelden
- Het materialistisch-mechanistisch mensbeeld:
De mens wordt beschouwd als een puur stoffelijk wezen waarbij alles (dus ook denken, voelen en
willen) verklaard kan worden in materiele termen.
De mens wordt eigenlijk gezien als een ingewikkelde machine, waarbij verklaringen vaak oorzaak-
gevolg zijn (stimulus-respons)
1
, - Het mentalistisch mensbeeld:
Hierbij wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen lichaam en geest. Verklaringen zijn vaak
circulair. (lichaam beinvloed geest maar geest beinvloed ook lichaam).
DE STUDENT WEET WAT DE SITUERING VAN DE COGNITIEVE PSYCHOLOGIE IS EN HET
VAKGEBIED EN DE TOEPASSING HIERVAN
De deelgebieden van de cognitieve psychologie:
- waarneming: alle processen tussen de fysische prikkel en de psychische beleving van deze
prikkel.
- Aandacht: een filter, een proces dat toelaat dat wij enkel bepaalde informatie verwerken
(selectie). Hierdoor kan iemand snel en aangepast reageren, maar ook informatie over het hoofd
zien.
- Bewustzijn: de mogelijkheid om na te denken over het verloop en de inhoud van cognitief proces.
- Geheugen: de capaciteit om informatie op te slaan, te bewaren en op te halen. Bestaat uit het
sensorisch-, kortetermijn- en langetermijngeheugen.
- Intelligentie: wordt vaak gemeten d.m.v. IQ. Er bestaat veel discussie over wat intelligentie
inhoudt en welke factoren hierbij horen.
- Leren: betekent de verandering van gedrag, en bestaat uit klassieke en operante conditionering.
- Denken: het transformeren van mentale representaties
- Taal: wordt gebruikt om te luisteren, lezen, spreken en schrijven. Het stelt ons in staat om
informatie over te brengen / te communiceren.
Verwante wetenschappen:
Deze wetenschappen sluiten aan bij cognitieve psychologie / hebben bijgedragen aan het ontstaan
hiervan:
- Filosofie: de studie van het ‘zijn’, het ‘bestaan’. Hieronder valt ook logica: de wetenschap van het
redeneren.
- Antropologie: bestudeert de mens in zijn totaliteit, dus niet enkel gedrag zoals bij psychologie.
De nadruk ligt op cultuur
- Computerwetenschap: is de theoretische / praktische studie van computersystemen. Gaat over
programmeertalen, algoritmen, data-structureren etc. cognitief hieraan is de artificial
intelligence (robots) die steeds beter met de mens kunnen communiceren.
- Linguïstiek: taalkunde. Omdat taalgebruik en taalontwikkeling menselijke activiteiten zijn, heeft
dit veel raakvlakken met de cognitieve psychologie.
- Pseudopsychologie: niet een vorm van psychologie, maar gebaseerd op ervaringen van mensen.
- Mensenkennis: valt onder pseudopsychologie, dit zijn inzichten die men heeft opgedaan uit
toevallige / persoonlijke ervaringen. Hierdoor is het niet betrouwbaar / wetenschappelijk en
kritisch.
- Parapsychologie: de studie van paranormale verschijnselen.
2
,HOOFDSTUK 3: NEUROPSYCHOLOGIE IN DE PRAKTIJK
DE STUDENT WEET WAT DE NEUROPSYCHOLOGIE INHOUDT
Neuropsycholoog: een clinicus die kennis heeft van de neuropsychologie en testmethoden. Deze
worden ingezet voor de diagnostiek en behandeling van patiënten met hersenaandoeningen.
Een neuropsycholoog is bekend met neurologische en psychiatrische ziektebeelden omtrent cognitieve
functies, emoties en gedrag. Daarnaast doet een neuropsycholoog wetenschappelijk onderzoek.
Werkvelden van de neuropsycholoog
- Ziekenhuis: het werk van de neuropsycholoog in het ziekenhuis is vaak diagnostisch.
- Geestelijke gezondheidszorg (ggz): de neuropsycholoog hanteert een neuro psychiatrisch
model, waarbij de relatie tussen hersenen, cognitie, emotie en gedrag onderzocht wordt. Ook
wordt het diagnostisch proces ingezet om de oorzaak van de cognitieve klachten te onderzoeken.
- Revalidatie: gewerkt vanuit een multidisciplinaire visie, doel om patiënten weer zo veel mogelijk
zelfstandig deel te laten nemen aan de maatschappij.
- Langdurige zorg: gericht op (mediatieve) behandeling en behandeling met diagnostiek. Dit is
vaak bij patiënten die niet meer zelfstandig thuis kunnen wonen vanwege cognitieve stoornissen
of lichamelijke klachten.
- Forensische zorg: de neuropsycholoog ziet patiënten die strafbaar gedrag hebben gepleegd, al
dan niet in combinatie met een psychische stoornis of eerder verworven hersenletsel. Deze
behandeling kan vrijwillig of gedwongen plaatsvinden. De neuropsycholoog kijkt of het gedrag te
verklaren is door een cognitieve stoornis en of er persoonlijke kenmerken van invloed zijn op het
opnieuw begaan van een misdrijf.
DE STUDENT HEEFT KENNIS VAN HET WERKVELD, DIAGNOSTIEK, BEHANDELING,
MULTIDISCIPLINAIRE SAMENWERKING EN POSITIE EN PROFESSIONELE ONTWIKKELING
Diagnostische cyclus binnen neuropsychologisch onderzoek
Er wordt met het hypothese toetsend model gewerkt bij een neuropsychologisch onderzoek. De stappen
van de diagnostische cyclus worden gevolgd:
- Klachtenanalyse
- Probleemanalyse
- Diagnosestelling
- Indicatiestelling
Hierbij worden hypothesen getoetst en evt. verworpen / bijgesteld.
3
, Hoe ziet een neuropsychologisch onderzoek eruit?
1. Verwijzing en vraagstelling
Bevat een heldere vraagstelling
2. Klachtenanalyse en probleemanalyse
De anamnese, heteroanamnese, observaties en testresultaten verzamelen informatie over
klachten en het verloop van ziekte bij patiënt.
Tests en vragenlijsten
- Vaste testbatterij: bestaat uit een vooraf bepaalde set aan tests die voor iedere patiënt hetzelfde
is. Wordt gebruikt bij evaluatie of wetenschappelijk onderzoek.
- Flexibele testbatterij: testkeus voor iedere patiënt is specifiek gericht / aanpasbaar.
3. Diagnosestelling
De interpretatie: alle bovenstaande gegevens worden samengevoegd ((hetero) anamnese,
observaties en vragenlijsten). Er wordt gekeken of het betrouwbaar / valide is, wat de normgroep
is.
4. De rapportage
Berichtgeving over de bevindingen van het onderzoek kan schriftelijk en mondeling. De inhoud
van een psychologisch rapport moet voor rapportage aan een verwijzer met de patiënt zelf
besproken worden, tenzij er meer onderzoek nodig is.
Fouten die vaak gemaakt worden
- Symptomen beschouwen als bewijs voor oorzaak: wanneer je bijvoorbeeld de symptomen van
depressie omschrijft en de patiënt instemt met de kenmerken een depressie als stoornis
aanwijzen. Of geheugenklachten gelijk toeschrijven aan een probleem met de hippocampus.
- Denken dat een bepaalde meting een eenduidige vaststaande betekenis heeft: wat voor de
een iets betekend hoeft voor de ander niet zo hetzelfde te betekenen.
- Denken dat subjectieve gegevens (gegevens beinvloed door je persoonlijke mening) een
betrouwbare indruk vormen van functiestoornissen
- Statistische significantie* aanzien voor een sterk verband / grootte verschil.
- Dissociaties, pathologie, en andere biassen die de client kan ervaren over het hoofd zien.
4