Overeenkomstenrecht
Leereenheid 1 – een introductie tot het overeenkomstenrecht én een eerste leerstuk:
afgebroken onderhandelingen
Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit -> bron van
verbintenissen art. 6:1 BW. Verbintenis heeft een passieve en actieve zijde. In beginsel is een
verbintenis in rechte afdwingbaar, tenzij er sprake is van kansspel.
Restcategorie: een natuurlijke verbintenis art. 6:3 BW. Van nature of afwaardering gewone
verbintenis of dringende verplichting van moraal en fatsoen.
Rechtshandeling art: 3:33 BW:
Is gericht op het intreden van een rechtsgevolg en onderscheidt zich daarmee van gewone
handelingen. Voor een rechtshandeling is vereist: een op een rechtsgevolg gerichte wil die
zich door een verklaring heeft geopenbaard. Denk aan: het ontstaan, gewijzigd raken of
tenietgaan van een bepaalde juridische relatie. Verklaringen kunnen elke vorm hebben en in
een of meer gedragingen besloten liggen art. 3:37 BW. In het laatste geval gaat het om een
stilzwijgende verklaring.
Ten aanzien van rechtshandelingen is de houding van het recht positief.
Eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen:
De eenzijdige rechtshandeling wordt door één persoon tot stand gebracht. Denk
bijvoorbeeld aan het opzeggen van een arbeidsovereenkomst (gericht).
Meerzijdige rechtshandelingen is een rechtshandeling die tot stand komt door op elkaar
afgestemde wilsverklaringen van twee of meer partijen. De overeenkomst is een voorbeeld
van een meerzijdige rechtshandeling art. 6:213 lid 1 BW.
Een rechtsfeit is een feit waaraan een rechtsgevolg is verbonden. Tot de rechtsfeiten behoren
rechtshandelingen, maar ook menselijke handelingen zoals een onrechtmatige daad, die tot
rechtsgevolg leiden. Daarnaast zijn er ook blote feiten (niet-handelingen) waaraan het recht
rechtsgevolg verbindt en die daarmee de status van rechtsfeit hebben. Voorbeeld: geboorte
of overlijden.
Rechtshandeling en overeenkomst:
Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende rechtshandelingen:
a. Eenzijdige rechtshandeling: het rechtsgevolg treedt in door de wilsverklaring van één
persoon.
- Ongerichte eenzijdige rechtshandeling: denk aan het maken van een testament of
de aanvaarding/verwerping van een erfenis.
- Gerichte eenzijdige rechtshandeling: vereist een geadresseerde om rechtsgevolg
te hebben. Denk aan het doen van een aanbod, opzegging, of vernietiging van
een koopovereenkomst.
b. Meerzijdige rechtshandeling: hiervoor zijn twee of meer personen nodig.
- Obligatoire overeenkomst: is een rechtshandeling waarbij een partij jegens een
andere partij een verbintenis aangaan. Denk aan een huwelijk.
, - Andere meerzijdige rechtshandeling: denk aan besluiten van een vergadering van
aandeelhouders.
Analogische toepassing (schakelbepaling art. 3:59 BW):
De regels van de rechtshandelingentitel vinden buiten het vermogensrecht overeenkomstige
toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
De verbintenisscheppende/obligatoire overeenkomst staat centraal. Binnen het
overeenkomstenrecht spreken we van een gelaagde structuur in Boek 3, 6 en 7 van het
Burgerlijk Wetboek. Van vermogensrecht via algemeen verbintenissenrecht en
overeenkomstenrecht naar de bijzondere overeenkomsten. De obligatoire overeenkomst
wordt door meer dan één complex van wetsbepalingen beheerst.
De obligatoire overeenkomst:
Art. 6:213 lid 1 BW: een overeenkomst in de zin van deze titel is een meerzijdige
rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis
aangaan.
Het gaat om het aangaan of wijzigen van verbintenissen. De liberatoire of bevrijdende
overeenkomst, waarbij de contractanten tussen hen bestaande verplichtingen tenietdoen,
valt niet onder de omschrijving in deze bepaling.
Wederkerige overeenkomst art. 6:261 BW vs. eenzijdige overeenkomst bijv. schenking;
ontvanger hoeft geen tegenprestatie te leveren.
Overeenkomst onder bezwarende titel. Voorbeeld: als ik met mijn buurman overeenkom dat
ik hem 30,- euro zal betalen voor het geval dat hij ertoe komt mijn beukenhaag te snoeien.
Van een wederkerige overeenkomst is dan geen sprake; het is alleen een afspraak ‘voor het
geval dat’, waarbij de buurman geen prestatieverplichting op zich neemt.
Consensuele overeenkomst: vormvrij.
Formele overeenkomst: niet vormvrij.
Verdere onderscheiding van obligatoire overeenkomsten:
Ze kunnen op diverse manieren worden onderverdeeld:
a. Tweepartijen- tegenover meerpartijenovereenkomsten: twee partijen vs. drie of meer
partijen
b. Bijzondere (en gemengde) overeenkomsten tegenover niet-bijzondere
overeenkomsten: bijzondere overeenkomsten zijn specifiek in de wet geregeld,
gemengde overeenkomsten bevatten elementen van twee of meer bijzondere
overeenkomsten en de niet-bijzondere overeenkomsten zijn niet specifiek in de wet
geregeld.
c. Wederkerige overeenkomsten tegenover eenzijdige overeenkomsten: een
overeenkomst is wederkerig, wanneer beide partijen verplichtingen hebben ten
opzichte van elkaar. Voorbeeld: koopovereenkomst. Bij eenzijdige overeenkomst heeft
slechts één partij een verplichting. Voorbeeld: schenking.
, d. Overeenkomsten onder bezwarende titel tegenover overeenkomsten om niet:
e. Consensuele overeenkomsten tegenover formele (en reële) overeenkomsten:
consensuele overeenkomsten komen tot stand door louter overeenstemming van de
partijen. Formele overeenkomsten vereisen een bepaalde vorm om geldig te zijn.
Reële overeenkomsten komen tot stand na de overhandiging van een zaak.
f. Kortstondige overeenkomsten tegenover duurovereenkomsten: een kortstondige
overeenkomst is gebaseerd op een eenmalige prestatie. Bij een duurovereenkomst
blijft de prestatie bestaan, ondanks de tijd verstrijkt.
Het overeenkomstenrecht is grotendeels van regelend recht en bevat veel open normen. Het
Burgerlijk Wetboek is wat ‘verrommeld’. Voorbeeld: implementatie Richtlijnen 2019/770 en
771 mb.t. verkoop goederen en digitale inhoud in Boek 7 BW.
Bijzondere overeenkomsten:
Koop, huur en de arbeidsovereenkomst zijn tevens voorbeelden van benoemde
overeenkomsten.
Onbenoemde overeenkomsten: is een contract dat niet specifiek in de wet is geregeld, in
tegenstelling tot benoemde overeenkomsten. Voorbeeld: franchiseovereenkomsten,
sponsorovereenkomsten, de overeenkomst van geldlening, of een afspraak om een fiets te
repareren.
Grondbeginselen van overeenkomstenrecht:
De beginselen leiden tot het uitgangspunt dat elke overeenkomst, hoe ook gesloten,
rechtens als verbindend zal worden aangemerkt.
Beginselen en hun systeem zijn steeds meer leidend voor de structuur en inhoud van het
overeenkomstenrecht. De volgende beginselen vormen de grondslag:
- Beginsel van contractsvrijheid (partijautonomie): de contractvrijheid houdt in dat
partijen de vrijheid hebben om al dan niet overeenkomsten te sluiten, met wie zij
wensen en met welke inhoud zij dat wensen. Deze vrijheid is niet absoluut, want de
contractvrijheid kent zijn grens daar waar een belang van hogere orde conflicteert
met de uitoefening van de contractvrijheid in een concrete situatie. Dat wordt
zichtbaar in art. 3:40 BW, waarin de contractsvrijheid wettelijk wordt begrensd (niet
absoluut van aard).
- Consensualisme (vormvrijheid) art. 3:37 lid 1 BW: verklaringen kunnen in iedere vorm
geschieden. Het is voldoende dat er op enige wijze consensus tot uitdrukking komt.
Uitzonderingen zijn te vinden in de vorm van bijzondere overeenkomsten.
- Verbindende kracht van de overeenkomst (pacta sunt servanda): het uitgangspunt is
dat overeenkomsten partijen binden, maar daarop bestaan uitzonderingen. Een
voorbeeld vormt de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in art.
6:248 lid 2 BW, waaruit volgt dat een tussen partijen geldende contractuele regel niet
van toepassing is als dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar is. Een ander voorbeeld, min of meer vergelijkbaar, vormt de
regeling van de onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW), die met zich brengt dat
, partijen onder omstandigheden niet aan hun verplichtingen die voortvloeien uit het
contract kunnen worden gehouden.
Het beginsel van redelijkheid en billijkheid is te abstract om al als beginsel te fungeren en op
grond van art. 6:248 BW te concreet voor de benaming grondbeginsel.
Partijen en hun hoedanigheid:
De wet geeft één regeling van het rechtshandelingen- en overeenkomstenrecht, die zonder
aanzien des persoons van toepassing is op allee soorten contractspartijen. Tussen natuurlijke
personen en rechtspersonen, tussen particulieren en handelaren, tussen leken en
deskundigen, wordt in principe geen verschil gemaakt. Bij de toepassing van de wet kan het
anders uitpakken.
1. Uitleg van de overeenkomst: als een door een professionele contractant opgesteld
beding onduidelijkheden bevat, dan ligt het voor de hand dit beding in het voordeel
van diens wederpartij uit te leggen (Haviltex-arrest).
2. Dwaling art. 6:228 BW: koopt een leek iets bij een deskundige, dan heeft de verkoper
een ruime spreekplicht (art. 6:228 lid 1 sub b) en zal de koper mogen bouwen op wat
de ander hem meedeelt. Koopt omgekeerd een deskundige iets bij een leek, dan zal
deze koper bij een beroep op dwaling niet zelden te horen krijgen dat hij beter had
moeten weten en te weinig eigen onderzoek heeft verricht (lid 2).
3. Redelijkheid en billijkheid art. 6:248 lid 2 BW: bij de vraag of redelijkheid en billijkheid
al dan niet aan een bepaalde contractuele afspraak kan derogeren, komt mede
belang toe aan de onderlinge verhouding en de maatschappelijke positie van partijen.
Niet obligatoire overeenkomsten:
Liberatoir – van verplichting bevrijdend.
Leereenheid 2 - vertegenwoordiging en volmacht:
Totstandkoming van rechtshandelingen:
Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring
heeft geopenbaard art. 3:33 BW.
Wilsverklaring: gaat terug op Von Savigny (1779-1861), die de uitvinder van het begrip
‘rechtshandeling is’. Wat het contractenrecht betreft, ligt de essentie van de theorie van de
wilsverklaring echter reeds opgesloten in het begrip ‘consensus’.
De theorie van de wilsverklaring veronderstelt dat die betekenis zou kunnen worden herleid
tot de wil van de handelende persoon (wilsvertrouwensleer art. 3:35 BW). De vaststelling van
de betekenis van de menselijke handelingen voor het recht, is ook wat betreft de
rechtshandeling normatief van aard en is geen oprechte constructie van wat door de
handelende persoon feitelijk is gewild in historisch-psychologische zin.
Bescherming van vertrouwen: de rechtshandeling is meer dan de uitoefening van
keuzevrijheid door een individueel rechtssubject alleen; de wilsverklaring richt zich tot
anderen, die bij het bepalen van hun positie op de inhoud ervan afgaan. Bescherming van
Leereenheid 1 – een introductie tot het overeenkomstenrecht én een eerste leerstuk:
afgebroken onderhandelingen
Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit -> bron van
verbintenissen art. 6:1 BW. Verbintenis heeft een passieve en actieve zijde. In beginsel is een
verbintenis in rechte afdwingbaar, tenzij er sprake is van kansspel.
Restcategorie: een natuurlijke verbintenis art. 6:3 BW. Van nature of afwaardering gewone
verbintenis of dringende verplichting van moraal en fatsoen.
Rechtshandeling art: 3:33 BW:
Is gericht op het intreden van een rechtsgevolg en onderscheidt zich daarmee van gewone
handelingen. Voor een rechtshandeling is vereist: een op een rechtsgevolg gerichte wil die
zich door een verklaring heeft geopenbaard. Denk aan: het ontstaan, gewijzigd raken of
tenietgaan van een bepaalde juridische relatie. Verklaringen kunnen elke vorm hebben en in
een of meer gedragingen besloten liggen art. 3:37 BW. In het laatste geval gaat het om een
stilzwijgende verklaring.
Ten aanzien van rechtshandelingen is de houding van het recht positief.
Eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen:
De eenzijdige rechtshandeling wordt door één persoon tot stand gebracht. Denk
bijvoorbeeld aan het opzeggen van een arbeidsovereenkomst (gericht).
Meerzijdige rechtshandelingen is een rechtshandeling die tot stand komt door op elkaar
afgestemde wilsverklaringen van twee of meer partijen. De overeenkomst is een voorbeeld
van een meerzijdige rechtshandeling art. 6:213 lid 1 BW.
Een rechtsfeit is een feit waaraan een rechtsgevolg is verbonden. Tot de rechtsfeiten behoren
rechtshandelingen, maar ook menselijke handelingen zoals een onrechtmatige daad, die tot
rechtsgevolg leiden. Daarnaast zijn er ook blote feiten (niet-handelingen) waaraan het recht
rechtsgevolg verbindt en die daarmee de status van rechtsfeit hebben. Voorbeeld: geboorte
of overlijden.
Rechtshandeling en overeenkomst:
Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende rechtshandelingen:
a. Eenzijdige rechtshandeling: het rechtsgevolg treedt in door de wilsverklaring van één
persoon.
- Ongerichte eenzijdige rechtshandeling: denk aan het maken van een testament of
de aanvaarding/verwerping van een erfenis.
- Gerichte eenzijdige rechtshandeling: vereist een geadresseerde om rechtsgevolg
te hebben. Denk aan het doen van een aanbod, opzegging, of vernietiging van
een koopovereenkomst.
b. Meerzijdige rechtshandeling: hiervoor zijn twee of meer personen nodig.
- Obligatoire overeenkomst: is een rechtshandeling waarbij een partij jegens een
andere partij een verbintenis aangaan. Denk aan een huwelijk.
, - Andere meerzijdige rechtshandeling: denk aan besluiten van een vergadering van
aandeelhouders.
Analogische toepassing (schakelbepaling art. 3:59 BW):
De regels van de rechtshandelingentitel vinden buiten het vermogensrecht overeenkomstige
toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
De verbintenisscheppende/obligatoire overeenkomst staat centraal. Binnen het
overeenkomstenrecht spreken we van een gelaagde structuur in Boek 3, 6 en 7 van het
Burgerlijk Wetboek. Van vermogensrecht via algemeen verbintenissenrecht en
overeenkomstenrecht naar de bijzondere overeenkomsten. De obligatoire overeenkomst
wordt door meer dan één complex van wetsbepalingen beheerst.
De obligatoire overeenkomst:
Art. 6:213 lid 1 BW: een overeenkomst in de zin van deze titel is een meerzijdige
rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis
aangaan.
Het gaat om het aangaan of wijzigen van verbintenissen. De liberatoire of bevrijdende
overeenkomst, waarbij de contractanten tussen hen bestaande verplichtingen tenietdoen,
valt niet onder de omschrijving in deze bepaling.
Wederkerige overeenkomst art. 6:261 BW vs. eenzijdige overeenkomst bijv. schenking;
ontvanger hoeft geen tegenprestatie te leveren.
Overeenkomst onder bezwarende titel. Voorbeeld: als ik met mijn buurman overeenkom dat
ik hem 30,- euro zal betalen voor het geval dat hij ertoe komt mijn beukenhaag te snoeien.
Van een wederkerige overeenkomst is dan geen sprake; het is alleen een afspraak ‘voor het
geval dat’, waarbij de buurman geen prestatieverplichting op zich neemt.
Consensuele overeenkomst: vormvrij.
Formele overeenkomst: niet vormvrij.
Verdere onderscheiding van obligatoire overeenkomsten:
Ze kunnen op diverse manieren worden onderverdeeld:
a. Tweepartijen- tegenover meerpartijenovereenkomsten: twee partijen vs. drie of meer
partijen
b. Bijzondere (en gemengde) overeenkomsten tegenover niet-bijzondere
overeenkomsten: bijzondere overeenkomsten zijn specifiek in de wet geregeld,
gemengde overeenkomsten bevatten elementen van twee of meer bijzondere
overeenkomsten en de niet-bijzondere overeenkomsten zijn niet specifiek in de wet
geregeld.
c. Wederkerige overeenkomsten tegenover eenzijdige overeenkomsten: een
overeenkomst is wederkerig, wanneer beide partijen verplichtingen hebben ten
opzichte van elkaar. Voorbeeld: koopovereenkomst. Bij eenzijdige overeenkomst heeft
slechts één partij een verplichting. Voorbeeld: schenking.
, d. Overeenkomsten onder bezwarende titel tegenover overeenkomsten om niet:
e. Consensuele overeenkomsten tegenover formele (en reële) overeenkomsten:
consensuele overeenkomsten komen tot stand door louter overeenstemming van de
partijen. Formele overeenkomsten vereisen een bepaalde vorm om geldig te zijn.
Reële overeenkomsten komen tot stand na de overhandiging van een zaak.
f. Kortstondige overeenkomsten tegenover duurovereenkomsten: een kortstondige
overeenkomst is gebaseerd op een eenmalige prestatie. Bij een duurovereenkomst
blijft de prestatie bestaan, ondanks de tijd verstrijkt.
Het overeenkomstenrecht is grotendeels van regelend recht en bevat veel open normen. Het
Burgerlijk Wetboek is wat ‘verrommeld’. Voorbeeld: implementatie Richtlijnen 2019/770 en
771 mb.t. verkoop goederen en digitale inhoud in Boek 7 BW.
Bijzondere overeenkomsten:
Koop, huur en de arbeidsovereenkomst zijn tevens voorbeelden van benoemde
overeenkomsten.
Onbenoemde overeenkomsten: is een contract dat niet specifiek in de wet is geregeld, in
tegenstelling tot benoemde overeenkomsten. Voorbeeld: franchiseovereenkomsten,
sponsorovereenkomsten, de overeenkomst van geldlening, of een afspraak om een fiets te
repareren.
Grondbeginselen van overeenkomstenrecht:
De beginselen leiden tot het uitgangspunt dat elke overeenkomst, hoe ook gesloten,
rechtens als verbindend zal worden aangemerkt.
Beginselen en hun systeem zijn steeds meer leidend voor de structuur en inhoud van het
overeenkomstenrecht. De volgende beginselen vormen de grondslag:
- Beginsel van contractsvrijheid (partijautonomie): de contractvrijheid houdt in dat
partijen de vrijheid hebben om al dan niet overeenkomsten te sluiten, met wie zij
wensen en met welke inhoud zij dat wensen. Deze vrijheid is niet absoluut, want de
contractvrijheid kent zijn grens daar waar een belang van hogere orde conflicteert
met de uitoefening van de contractvrijheid in een concrete situatie. Dat wordt
zichtbaar in art. 3:40 BW, waarin de contractsvrijheid wettelijk wordt begrensd (niet
absoluut van aard).
- Consensualisme (vormvrijheid) art. 3:37 lid 1 BW: verklaringen kunnen in iedere vorm
geschieden. Het is voldoende dat er op enige wijze consensus tot uitdrukking komt.
Uitzonderingen zijn te vinden in de vorm van bijzondere overeenkomsten.
- Verbindende kracht van de overeenkomst (pacta sunt servanda): het uitgangspunt is
dat overeenkomsten partijen binden, maar daarop bestaan uitzonderingen. Een
voorbeeld vormt de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in art.
6:248 lid 2 BW, waaruit volgt dat een tussen partijen geldende contractuele regel niet
van toepassing is als dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar is. Een ander voorbeeld, min of meer vergelijkbaar, vormt de
regeling van de onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW), die met zich brengt dat
, partijen onder omstandigheden niet aan hun verplichtingen die voortvloeien uit het
contract kunnen worden gehouden.
Het beginsel van redelijkheid en billijkheid is te abstract om al als beginsel te fungeren en op
grond van art. 6:248 BW te concreet voor de benaming grondbeginsel.
Partijen en hun hoedanigheid:
De wet geeft één regeling van het rechtshandelingen- en overeenkomstenrecht, die zonder
aanzien des persoons van toepassing is op allee soorten contractspartijen. Tussen natuurlijke
personen en rechtspersonen, tussen particulieren en handelaren, tussen leken en
deskundigen, wordt in principe geen verschil gemaakt. Bij de toepassing van de wet kan het
anders uitpakken.
1. Uitleg van de overeenkomst: als een door een professionele contractant opgesteld
beding onduidelijkheden bevat, dan ligt het voor de hand dit beding in het voordeel
van diens wederpartij uit te leggen (Haviltex-arrest).
2. Dwaling art. 6:228 BW: koopt een leek iets bij een deskundige, dan heeft de verkoper
een ruime spreekplicht (art. 6:228 lid 1 sub b) en zal de koper mogen bouwen op wat
de ander hem meedeelt. Koopt omgekeerd een deskundige iets bij een leek, dan zal
deze koper bij een beroep op dwaling niet zelden te horen krijgen dat hij beter had
moeten weten en te weinig eigen onderzoek heeft verricht (lid 2).
3. Redelijkheid en billijkheid art. 6:248 lid 2 BW: bij de vraag of redelijkheid en billijkheid
al dan niet aan een bepaalde contractuele afspraak kan derogeren, komt mede
belang toe aan de onderlinge verhouding en de maatschappelijke positie van partijen.
Niet obligatoire overeenkomsten:
Liberatoir – van verplichting bevrijdend.
Leereenheid 2 - vertegenwoordiging en volmacht:
Totstandkoming van rechtshandelingen:
Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring
heeft geopenbaard art. 3:33 BW.
Wilsverklaring: gaat terug op Von Savigny (1779-1861), die de uitvinder van het begrip
‘rechtshandeling is’. Wat het contractenrecht betreft, ligt de essentie van de theorie van de
wilsverklaring echter reeds opgesloten in het begrip ‘consensus’.
De theorie van de wilsverklaring veronderstelt dat die betekenis zou kunnen worden herleid
tot de wil van de handelende persoon (wilsvertrouwensleer art. 3:35 BW). De vaststelling van
de betekenis van de menselijke handelingen voor het recht, is ook wat betreft de
rechtshandeling normatief van aard en is geen oprechte constructie van wat door de
handelende persoon feitelijk is gewild in historisch-psychologische zin.
Bescherming van vertrouwen: de rechtshandeling is meer dan de uitoefening van
keuzevrijheid door een individueel rechtssubject alleen; de wilsverklaring richt zich tot
anderen, die bij het bepalen van hun positie op de inhoud ervan afgaan. Bescherming van