WEEK 1: INTRODUCTIE, AARD, ONTWIKKELING EN INSTELLINGEN
H1: GESCHIEDENIS EN ONTWIKKELING
1. Oprichtingsfase (1951-1965): ‘Nooit meer oorlog’
Start: de Europese samenwerking begon na WOII met de Europese Gemeenschap
voor Kolen en Staal (EGKS) in 1951 (Verdrag van Parijs). Doel: oorlog onmogelijk
maken door de productie van kolen en staal (cruciaal voor oorlogsmateriaal) onder
een gemeenschappelijk gezag te brengen.
Uitbreiding: in 1957 volgden het Verdrag van Rome en de oprichting van de
Europese Economische Gemeenschap (EEG) en Euratom (atoomenergie). De EEG
richtte zich op het instellen van een gemeenschappelijke markt.
Succes: de EEG kende in de beginjaren economisch succes met een sterke groei.
2. Eurosclerose (1965-1985): stagnatie
Crisis: Frankrijk veroorzaakte in 1965 de ‘Lege Stoel-crisis’ uit angst voor
supranationale ontwikkelingen (meerderheidsbesluitvorming in de Raad in plaats van
unanimiteit). Dit leidde tot een Franse boycot van de Raad.
Compromis: de crisis werd opgelost met het Akkoord van Luxemburg (1966), dat
bepaalde dat een lidstaat een veto kon uitspreken bij ‘zeer gewichtige nationale
belangen’. Dit leidde tot jarenlange besluitvormingsstagnatie (inertie).
Vooruitgang ondanks politieke stilte: het Hof van Justitie bepaalde in twee
baanbrekende arresten (Van Gend & Loos, Costa/ENEL) dat Europees recht
rechtstreekse werking en voorrang heeft op nationaal recht. Ook vonden de eerste
rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement plaats in 1979.
3. De Jubeljaren (1985-2004): verdragen en uitbreiding
Doorbraak: de Europese Akte (1986) doorbrak de stagnatie met ambitieuze plannen
voor de voltooiing van de interne markt en breidde de bevoegdheden van het
Parlement uit.
Verdrag van Maastricht (1992): een mijlpaal. Het richtte de Europese Unie (EU) op
met de drie pijlerstructuur:
o Pijler I: de (bestaande) Europese Gemeenschappen (supranationaal).
o Pijler II: Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB,
intergouvernementeel).
o Pijler III: Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ, intergouvernementeel).
Het verdrag introduceerde ook het Europees burgerschap en de Euro (als
toekomstige gezamenlijke munt).
Verdere aanpassingen: het Verdrag van Amsterdam (1997) en Nice (2001) brachten
institutionele hervormingen om de EU voor te bereiden op een grote uitbreiding.
Uitbreiding: in 2004 volgde de grootste uitbreiding ooit met tien nieuwe lidstaten
(vooral Oost-Europese landen). Roemenië, Bulgarije (2007) en Kroatië (2013)
volgden later.
4. Van Crisis naar Crisis (2004 - nu)
Afwijzing Grondwet: het Grondwettelijk Verdrag (bedoeld om de EU overzichtelijker te
maken) werd in 2005 in Frankrijk en Nederland in referenda verworpen. Dit was een
klap voor het vertrouwen.
Verdrag van Lissabon (2009): als reactie op de afwijzing werd het Grondwettelijk
Verdrag ‘ontdaan van constitutionele ambities’ en opnieuw verpakt als het Verdrag
van Lissabon. Dit verdrag:
o Schafte de pijlerstructuur af.
o Creëerde een vaste voorzitter van de Europese Raad.
o Vergrootte de macht van het Europees Parlement (gewone wetgevingsprocedure
werd uitgebreid).
, Beginselen Europees recht
o Verving de term ‘Europese Gemeenschap’ door ‘Europese Unie’.
o Trad in werking na een tweede Iers referendum (het eerste Ierse referendum had
het verdrag verworpen).
Crises: na Lissabon volgde de ene crisis na de andere:
o Eurocrisis (vanaf 2009): leidde tot noodleningen en het oprichten van een
Europees Stabiliteitsmechanisme.
o Vluchtelingencrisis (2015): leidde tot spanningen over grenscontroles.
o Brexit (2016): het Verenigd Koninkrijk besloot als eerste lidstaat uit de EU te
stappen.
Herstel en nieuwe uitdagingen: de Brexit leidde tot angst voor een domino-effect,
maar de EU is hersteld. De coronapandemie en de oorlog in Oekraïne hebben de
noodzaak van Europese samenwerking juist benadrukt, met een herstelfonds en
nieuwe initiatieven op het gebied van defensie, klimaat (Green Deal) en digitale
technologie.
De ontwikkeling van de EU verloopt met “horten en stoten”. Periodes van optimisme (zoals
de jubeljaren) worden afgewisseld met crises (zoals de Eurocrisis, Brexit). Sinds de jaren
negentig is de oude “permissive consensus” (passieve steun) verdwenen en is er meer
openlijke kritiek en discussie, mede doordat het EU-recht nu diep ingrijpt in domeinen die
voorheen als exclusief nationaal werden gezien.
H2: DE INSTELLINGEN VAN DE EUROPESE UNIE
Algemene kenmerken
Zeven officiële instellingen (art. 13 VEU): Europees Parlement, Europese Raad, Raad
van Ministers, Europese Commissie, Hof van Justitie, Europese Centrale Bank en de
Europese Rekenkamer.
Geen formele hiërarchie: juridisch zijn ze gelijkwaardig, maar in de praktijk heeft de
Europese Raad het grootste politieke gewicht. De Europese Raad bepaalt de algemene
politieke koers en prioriteiten van de EU (art. 15 VEU).
‘Institutioneel evenwicht’: instellingen respecteren elkaars bevoegdheden; bij verstoring
kan het Hof ingrijpen.
Onderscheid: naast instellingen zijn er ook andere organen, bureaus en agentschappen
met een ondergeschikte status.
Supranationalisme betekent dat beslissingsbevoegdheid wordt overgedragen aan
onafhankelijke instellingen (Commissie, Hof, Parlement) die boven de lidstaten staan en
het gemeenschappelijke belang dienen.
Intergouvernementalisme betekent dat lidstaten zelf de controle houden via unanimiteit of
gezamenlijke besluitvorming in de Raad van Ministers en de Europese Raad.
Europese Raad
Samenstelling: staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, plus een vaste
voorzitter (2,5 jaar, eenmaal herkiesbaar) en de voorzitter van de Commissie. De Hoge
Vertegenwoordiger neemt deel (zonder stemrecht).
Rol: geeft impulsen en bepaalt de algemene beleidslijnen en prioriteiten van de EU. Stelt
zelf geen wetgeving vast, maar is feitelijk de top van de gezagspiramide.
Werkwijze: komt minstens twee keer per half jaar bijeen; kan ook buitengewone of
informele tops houden.
Raad van Ministers (ook wel ‘Raad’ genoemd)
Samenstelling: vakministers van de lidstaten (samenstelling wisselt per onderwerp, bijv.
Ecofin-Raad, Raad Landbouw). Voorzitterschap rouleert elke zes maanden (uitzondering:
de Raad Buitenlandse Zaken wordt voorgezeten door de Hoge Vertegenwoordiger).
Rol: oefent samen met het Europees Parlement de wetgevings- en begrotingstaak uit.
Het is ook een belangrijk podium voor nationale belangen.