Testen en Assessment
Inhoudsopgave
College 1: Testen en assessment.....................................................................2
College 2: Testscores interpreteren.................................................................6
College 3: Betrouwbaarheid..........................................................................11
College 4: Validiteit......................................................................................16
College 5: Een nieuw instrument...................................................................19
College 6: Testgebruik in verschillende settings.............................................23
College 7: Ethisch verantwoorde assessments...............................................28
,College 1: Testen en assessment
Waarom nou assessment?
1. Welke rol speelt assessment in jouw toekomstige beroep?
a. Denk aan verschillende vormen van testafname, interpretatie etc.
2. Mensen van zijn nature slecht in objectieve beoordelingen maken:
3. Gebruikt om bepaalde vragen te beantwoorden
a. Wat is er aan de hand?
b. Waarom stagneert de ontwikkeling?
c. Slaat de behandeling aan?
d. Wat voor beleid is effectief?
Subjectief meten = wat speelt er echt, en hoe kunnen we gedrag interpreteren.
- Is het gedrag te ernstig? Wat zijn de onderliggende oorzaken of verklarende
mechanismen?
Objectief meten = selecteren en afnemen van testen en het interpreteren van testscores.
Basisassumpties assessment (Reynolds en Livingston 2015)
1. Een bepaald psychologisch construct bestaat.
2. Psychologische constructen kunnen worden gemeten.
3. Hoewel we constructen kunnen meten, is een meting nooit perfect.
4. Er zijn verschillende manieren om een bepaald construct te meten.
5. Alle assessment procedures hebben hun eigen sterke en zwakke punten.
6. Het assessment proces zou verschillende bronnen van informatie moeten bevatten.
7. Prestatie op een test kan worden gegeneraliseerd naar gedrag buiten de test.
8. Assessment kan informatie bieden die helpt om betere professionele beslissingen te
maken.
9. Assessment kan op een eerlijke manier gebeuren.
10. Individuen en de maatschappij kunnen profiteren van testen en assessment.
Selecteren van geschikte testen
Bij het selecteren van geschikte testen wordt er rekening gehouden met het volgende:
1. Houd het doel van assessment goed voor ogen:
a. Wat is de hulpvraag?
b. Welke testen kunnen hier een antwoord op geven (of op de hypothese)?
2. Technische eigenschappen van de testen verschillen:
a. Welke testen passen bij wat je wilt meten, met zo min mogelijk belasting van
het kind, ouders, leerkracht etc.
b. Kwaliteit van test (CONTAN)
Soorten vragen
Er zijn verschillende soorten vragen:
1. Verhelderende vraag Hoe ziet de situatie er precies uit?
2. Onderkennende vraag Is er sprake van …?
a. Beschrijvend
b. Niveaubepalend
, c. Classificerend
3. Verklarende vraag Hoe komt het dat …?
4. Veranderingsgerichte vraag Wat als we … doen?
5. Adviesgerichte vraag Wat kunnen we doen om…?
6. Evaluerende vraag Wat is het effect geweest van …?
Vaak komen deze vragen ook voor in deze volgorde. Deze vragen kunnen beantwoord worden
door middel van het diagnostisch traject.
Diagnostisch traject
In een diagnostisch traject is er sprake van een empirische cyclus. De volgorde hiervan is:
observatie, inductie, deductie, toetsen en evalueren.
Een diagnostisch traject is het hele proces van onderzoeken en beoordelen om te begrijpen
wat er aan de hand is bij een persoon.
In het kader van diagnostiek is het belangrijk om te weten dat:
- Een klacht niet hetzelfde is als een probleem.
- Een probleem is niet hetzelfde als een classificatie.
o Soms is een classificatie niet het antwoord en brengt het alleen maar nadelen
mee. Dit is wel volledig afhankelijk van de situatie en de context.
- Een classificatie is niet hetzelfde als een verklaring.
o Een classificatie is een set gedragingen en dit hoeft niet per se de
onderliggende oorzaak te zijn.
- Een testuitslag is niet hetzelfde als een diagnose.
Differentiaaldiagnose = je gaat verschillende hypotheses testen.
Comorbiditeit = wanneer je 1 of meer aandoeningen hebt naast de hoofddiagnose.
Assessmentproces (Reynolds & Livingston 2015)
Een assessmentproces bestaat uit 3 fasen:
1. Testafname (test); je verzamelt systematisch informatie over iemand door gedrag of
prestaties te bekijken. Het gaat om een representatief stukje van wat iemand kan of
doet.
a. Je laat een kind een reken- en spellingstoets maken, of je laat iemand een
vragenlijst over stress invullen
b. Waarschijnlijk gebruik van multi-method
2. Scoring (measurement); je geeft getallen (scores) aan het gedrag of de prestaties van
iemand volgens vaste regels.
a. Op een stressvragenlijst tel je het aantal keer dat iemand “eens” antwoordt op
items over spanning.
3. Interpretatie (assessment); je kijkt naar de cijfers en probeert er betekenis aan te
geven. Dit is cruciaal, want een ruwe score op zich zegt niets zonder context.
a. Conclusies gaan verbinden aan de getallen
b. Ruwe score heeft in principe geen betekenis zonder ‘referentiekader’
c. Norm-referenced and criterion referenced score interpretation
d. De interpretatie is nodig voor de besluitvorming
, Multi-method = meerdere verschillende methoden gebruiken om informatie te verzamelen.
1. Multi-modal = gebruik van meerdere informatiebronnen, zoals de ouder, professional
en het kind zelf.
a. Er moet goed worden gedacht over de verschillende meningen, situaties en
contexten.
Een voorbeeld hiervan is ASEBA (Achenback System of Empirically Based Assessment).
Type testen
Maximum performance test = het in kaart brengen van kennis- en vaardigheidsniveau.
Voorbeelden hiervan zijn:
1. Achievement tests = het niveau van een instructie
2. Aptitude test = het niveau als gevolg van een levenservaring
3. Subtypes van de maximum performance test:
a. Speedtest = de hoeveelheid items die correct zijn in een bepaalde tijd
b. Power test = oplopende moeilijkheidsgraad en wordt er gekeken hoeveel items
er goed zijn.
c. Objectief (meerkeuze vragen) versus subjectief (open vragen)
Typical response test = het in kaart brengen van gedrag en persoonskenmerken. Voorbeeld
hiervan zijn:
1. Objectieve persoonlijkheidstests = test met vaste antwoord categorieën.
2. Subjectieve persoonlijkheidstests = test met open vragen.
Zelfrapportage vragenlijsten = mensen vullen zelf een vragenlijst in. voorbeelden hiervan
zijn:
1. Omnibus = voor signaleren en screening (deze test heeft een brede range aan
symptomen en gedragingen).
2. Domein specifiek = voor diagnostische doeleinden (deze test is diepgaand).
Interview = met men in gesprek gaan. Het zorgt dat je concreet, observeerbaar gedrag kan
beschrijven.
1. Semigestructureerd = een interviewvorm waarbij de interviewer werkt met vaste
vragen en thema’s, maar ruimte laat voor doorvragen en flexibiliteit in het gesprek.
Directe observatie = heeft als doel om zicht te krijgen op (probleem)gedrag. Dit kan op 2
manieren:
1. Kwalitatieve observatie = het gedrag wat je ziet wil je beschrijven.
2. Kwantitatieve observatie = het gedrag wat je ziet beschrijf je numeriek, bijvoorbeeld
door middel van turven.
Voorbeelden van kwantatieve observaties zijn:
- Time sampling = meet of gedefinieerd gedrag aanwezig is op vaste tijdstippen of
binnen bepaalde intervallen.
o Geheel interval – het gedrag is continu aanwezig
o Gedeeltelijk interval – gedrag komt voor tijdens het interval
o 1 moment – het gedrag na x aantal seconden of minuten
- Event sampling = de frequentie van het gedefinieerde gedrag