Samenvatting
Inhoudsopgave
Leereenheid 1 ......................................................................................................................................... 2
Leereenheid 2 ....................................................................................................................................... 13
Leereenheid 3 ....................................................................................................................................... 22
Leereenheid 4 ....................................................................................................................................... 41
Leereenheid 5 ....................................................................................................................................... 67
Leereenheid 6 ....................................................................................................................................... 86
Leereenheid 7 ..................................................................................................................................... 101
Leereenheid 8 ...................................................................................................................................... 111
Leereenheid 9 ..................................................................................................................................... 131
Leereenheid 10 ................................................................................................................................... 141
1
, Burgerlijk procesrecht
Leereenheid 1
Brightspace
1.1 Behandeling binnen redelijke termijn
Art. 6 lid 1 EVRM spreekt van het recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn.
Hoe belangrijk het is dat procedures zich niet eindeloos voortslepen, komt tot uitdrukking in de
Engelse uitspraak ‘justice delayed is justice denied’. Als uitspraken te lang op zich laten wachten,
verliezen ze vaak aan waarde. In het wetboek staan daarom diverse bepalingen die ervoor moeten
zorgen dat het proces snel en efficiënt verloopt. Het antwoord op de vraag of een bepaalde termijn als
redelijk kan worden beoordeeld, is volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
afhankelijk van een aantal criteria, zoals het gedrag van partijen, het gedrag van de justitiële
autoriteiten en de complexiteit van de zaak.
1.4 Openbaarheid van behandeling en uitspraak
Als kanttekening kan worden vermeld dat in de praktijk de vonnissen niet in hun geheel worden
uitgesproken. Met de mededeling dat het vonnis in een bepaalde zaak is uitgesproken, wordt
volstaan. Dat neemt echter niet weg dat het vonnis altijd kan worden ingezien.
1.5 Motivering van de beslissing
Een beroep op het motiveringsbeginsel kan men als volgt aantreffen in een grief of een
cassatiemiddel.
Voorbeeld:
‘Schending van het recht en/of verzuim van vormen, die bij niet-inachtneming tot nietigheid
leiden, door het hof door in rov. 4.3, 4.5 tot en met 4.7, rov. 5 en het dictum van het bestreden
arrest te overwegen en te beslissen als daarin staat vermeld en wel om de volgende, voor zover
nodig in onderling verband te beschouwen, redenen.
1. Het hof schat in rov. 4.5 de schade van De Oorsprong op 15.000 euro, waarbij het hof tot
uitgangspunt neemt dat in de loop van de vier jaren te rekenen vanaf 1984 het aantal
verhuurdagen een lichte stijging te zien zou hebben gegeven. De aldus door het hof aan zijn
schadebegroting ten grondslag gelegde motivering voldoet niet aan de eis dat elke rechterlijke
beslissing, ook die tot schatting van geleden schade, tenminste zodanig moet worden
gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang
om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere
voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te
maken (...).’ (Uit: HR 13 juli 2007, NJ 2007, 407).
Op de motiveringsplicht bestaan enkele uitzonderingen:
• Art. 230 lid 2 Rv à een verstekvonnis behoeft niet te worden gemotiveerd;
• Verlof tot het leggen van een conservatoir beslag behoeft, indien het verlof wordt verleend,
niet te worden gemotiveerd.
Art. 6 EVRM daarvan spreekt niet letterlijk over de plicht tot motiveren, maar die eis volgt wel uit
rechtspraak (rechters “must (...) indicate with sufficient clarity the grounds on which they based their
decision” en schending van de motiveringsplicht kan “in the light of the circumstances of the case”
schending opleveren van het beginsel van fair trial, een eerlijk proces).
1.6 Partijautonomie
De partijautonomie wordt ook wel negatief omschreven als de lijdelijkheid van de rechter, art. 24 Rv.
Ook in het materiële privaatrecht is de partijautonomie doorgaans uitgangspunt, vergelijk bijvoorbeeld
de contractsvrijheid.
2
, Burgerlijk procesrecht
Hoe uit zich de partijautonomie nu in het burgerlijk procesrecht?
1) Procespartijen (pp.) bepalen of er wordt geprocedeerd en of er wordt doorgeprocedeerd.
2) De rechter mag geen feiten aanvullen (a contrario art. 25 Rv: wel ambtshalve aanvullen van
rechtsgronden, zie hierover ook H/H hoofdstuk VII).
3) Niet-betwiste feiten moet de rechter voor waar aannemen (art. 149 Rv).
4) Bepaalde rechtsregels mag de rechter niet ambtshalve toepassen (zie H/H hoofdstuk VII),
bijvoorbeeld beroep op verjaring en retentierecht.
In art. 24 lid 2 Rv staat sinds 1 januari 2025 dat de rechter binnen de grenzen van de rechtsstrijd
ambtshalve met partijen de feitelijke grondslag van hun vordering, verzoek of verweer kan bespreken.
Deze codificeerde bevoegdheid strekt enkel tot het bevorderen van de waarheidsvinding en
bijvoorbeeld niet tot het helpen van partijen aan mogelijke argumenten. U kunt zich voorstellen dat
deze codificatie een zeer gevoelige kwestie van het procesrecht is.
3
, Burgerlijk procesrecht
Boek
Hoofdstuk 1
1. Aard en functie van het burgerlijk procesrecht
Het burgerlijk proces in juridische zin kan worden omschreven als het voortgaan van een onzekere of
betwiste tot een zekere en onbetwistbare rechtstoestand door een aan regels onderworpen
rechtsstrijd of geding, gevoerd voor een orgaan dat tot beslissing in dit geding bevoegd is.
Het burgerlijk procesrecht heeft ten doel aan deze onzekerheid en strijd een einde te maken door een
vonnis van de rechter, dat partijen bindt. Het is een proces van feitenvinding en rechtsvinding. Door
het vonnis wordt nieuw recht gevormd, ook al is de gelding van dat recht in beginsel beperkt tot
partijen; niettemin gaat van gepubliceerde rechterlijke uitspraken een zekere precedentwerking uit.
Ook als een toepasselijke rechtsregel ontbreekt of als de wetgever de uitwerking van algemene
normen aan de rechter overlaat, moet deze rechtspreken en zelf de regel opstellen of uitwerken.
Dat de rechter nieuw recht vormt, is vooral te zien bij constitutieve uitspraken, die een nieuwe
rechtstoestand doen intreden. Voorbeelden hiervan zijn beschikking waarbij echtscheiding of adoptie
wordt uitgesproken, en vonnissen tot ontbinding van een overeenkomst of tot faillietverklaring. Maar
ook in andere beschikkingen en vonnissen bepaalt de rechter de rechtsbetrekking tussen partijen.
Rechtspraak is rechtsvinding en rechtsvorming tegelijk.
Het burgerlijk procesrecht maakt deel uit van het privaatrecht, omdat het de regels bevat voor de
gedingvoering tussen partijen voor de burgerlijke rechter ter beslechting van onder dienst
bevoegdheid vallende geschillen.
2. Materieel en formeel privaatrecht
Gewoonlijk wordt het burgerlijk recht aangeduid als materieel privaatrecht en het burgerlijk
procesrecht als formeel privaatrecht. Het burgerlijk procesrecht bestaat weliswaar voor een groot
deel uit procedureregels en vormvoorschriften, maar bevat ook bepalingen van materiële aard (zoals
die waarin bevoegdheden aan rechters, procespartijen, advocaten en deurwaarders worden
toegekend), terwijl in men in het burgerlijk recht ook vormvoorschriften aantreft.
De materiële rechtsbetrekking tussen partijen vormt het voorwerp van het rechtsgeding, en ondergaat
tevens de invloed van dat geding. Het proces is een fase in de ontwikkeling van de
materieelrechtelijke verhouding tussen partijen. Kennis van het burgerlijk procesrecht is, in ieder geval
voor advocaten, van groot belang, omdat het leggen van beslag, het dagvaarden, het al of niet stellen
of betwisten van bepaalde feiten, het al of niet aanbieden van bewijs, het horen van getuigen, allemaal
invloed kunnen hebben op de rechtspositie van partijen.
Het burgerlijk procesrecht biedt ook middelen tot verwezenlijking van de in het vonnis of in een andere
executoriale titel vastgestelde rechten. Door de tenuitvoerlegging of executie met dwangmiddelen
wordt de feitelijke toestand in overeenstemming gebracht met de rechtstoestand, zoals vastgesteld in
het rechterlijk vonnis of in een andere authentieke akte.
Civiele rechtspleging is een zaak van algemeen belang voor de Staat. In verband hiermee wordt in
ons recht uitgegaan van de ongeschreven regel dat eigenrichting (eigenberechting: het eigenmachtig
handhaven van zijn rechten) ongeoorloofd en onrechtmatig is, tenzij daarvoor een
rechtvaardigingsgrond aanwezig is.
De rechtspraak is in handen van de rechtelijke macht gelegd. De tenuitvoerlegging van de vonnissen
en andere executoriale titels geschiedt door een ambtenaar, de gerechtsdeurwaarder, zo nodig
bijgestaan door de ‘sterke arm’ (de politie). De rechtelijke macht heeft ook een taak ten aanzien van
de tenuitvoerlegging, bijvoorbeeld in het kader van executiegeschillen.
4