Bij een intramusculaire injectie wordt een vloeibaar geneesmiddel toegediend in het spierweefsel.
Het geneesmiddel wordt opgenomen in het bloed via kleine bloedvaatjes in de spier.
Als een geneesmiddel wordt ingeslikt, komt het in de maag terecht. De maagsappen breken het
geneesmiddel (gedeeltelijk) af. Door het geneesmiddel toe te dienen via een injectie wordt er bijna
niks afgebroken. De hoeveelheid geneesmiddel in het bloed, blijft dan grotendeels gelijk.
Intramusculaire injecties moeten toegediend worden in een spier met voldoende spiermassa en een
goede doorbloeding. Vaccinaties, pijnstilling en vitamines worden intramusculair geïnjecteerd.
Plaatsen voor intramusculair injecteren:
1. De bovenarmspier (musculus deltoideus):
a. Wordt vooral gebruikt bij vaccinaties.
b. Als hier geïnjecteerd wordt, moet de cliënt zitten. De arm moet afhangen en
ontspannen.
c. Bovenste 1/3 deel van de bovenarm aan de buitenkant.
2. De bilspier (musculus gluteus maximus):
a. Er worden gespoten in de BBB (bovenste, buitenste bilkwadrant). De bil wordt
verdeeld in 4 vlakken, daarna injecteer je in het bovenste buitenste kwadrant.
b. Bij de bilspier moet er een aspiratieproef uitgevoerd worden.
3. De bovenbeenspier (musculus rectus femoris):
a. Er wordt gespoten in het middelste gedeelte van het bovenbeen aan de buitenkant.
b. De binnenkant van het been is gevoeliger om te spuiten, omdat er grote bloedvaten
lopen vlak onder de huid.
Waar mag niet geïnjecteerd worden:
• Plekken waar vocht inzit
• Verlamde lichaamsdelen
• Trombose arm/been
• Ontstoken gebieden
• Plek waar binnenkort op/in geopereerd wordt.
• Rondom stoma’s/wondjes
• Plekken die verhard zijn
• Rondom bloedvaten.
• Plekken die blauw of rood zijn.
• Plekken in het arm of been met een infuus.
1
, Complicaties:
• Aanprikken van een zenuw:
o Beschadiging van een zenuw kan leiden tot een verlamming of een pijnlijke
spierconcentratie.
o Vaak gaat het om kleine huidzenuwen.
o Als de grote zenuw geraakt worden, kan dit leiden tot uitvalverschijnselen in het
been.
o Voor het spuiten moet er geaspireerd worden.
• Aanprikken van een bloedvat:
o Een intraveneuze injectie: Het geneesmiddel wordt direct in het bloedvat
geïnjecteerd.
o Als het medicijn direct in bloedvat komt, kan het leiden tot een te snelle opname van
medicatie in het bloed. Ook kunnen er blauwe plekken ontstaan.
o Het aanprikken van een bloedvat kan voorkomen worden, door een aspiratieproef uit
te voeren.
• Beschadiging van botweefsel:
o Een beschadiging van het botweefsel kan optreden als de injectienaald te diep
geplaats wordt (op het bot).
o Het geneesmiddel mag nooit ingespoten worden als er sprake is van botcontact. Als
ze denken dat er sprake is van botcontact moet de naald 1 à 2 cm teruggetrokken
worden. Daarna mag het middel geïnjecteerd worden.
• Abcesvorming:
o Steriel spuitabces: abces dat kan ontstaan na een allergische reactie op het middel,
overdosis van het middel of het middel is per ongeluk subcutaan toegediend.
o Geïnfecteerde spuit-abces: een abces als gevolg van bacteriën op de naald of op de
injectieplaats.
o Om abcesvorming te voorkomen is een goede injectietechniek belangrijk. Het is
vooral belangrijk, niet te snel te injecteren en na injectie de plek niet masseren.
• Allergische reactie op een geneesmiddel:
o Cliënten kunnen allergisch zijn voor een bepaald geneesmiddel. Voorafgaand is dit
niet altijd bekend, daarom is het belangrijk te observeren hoe een cliënt reageert op
bepaalde medicatie.
o Elke cliënt reageert anders op een allergische reactie: iemand kan jeuk, bulten,
zwellingen etc. krijgen, belangrijk dit te rapporteren en te observeren
• Weefselnecrose:
o Weefselnecrose is een afsterving van het weefsel. Dit kan ontstaan door slechte
opname van een geneesmiddel en een verkeerde toedieningswijze.
o Het is belangrijk het medicijn goed op te lossen (mocht de injectiespuit zelf
klaargemaakt moeten worden).
o Daarnaast is het belangrijk een goede injectieplaats te kiezen en te injecteren in
gezond weefsel.
2