Inhoudsopgave
Week 1 Algemene introductie bijzonder strafrecht...........................................3
F.G.H. Kristen e.a. (red.), Bijzonder Strafrecht, Boom 2019, Hoofdstuk 2 (p. 23-56).......3
Week 2 Legaliteit...........................................................................................6
J.P. Cnossen, Wisselwerking tussen commuun en bijzonder materieel strafrecht. Een
analyse en waardering in het licht van de beginselen van codificatie, schuld en
legaliteit, Den Haag: Boom 2024, par. 3.4 (p. 74-84)......................................................6
F.G.H. Kristen e.a. (red.), Bijzonder Strafrecht, Boom 2019, Hoofdstuk 12 (p. 399-448). 7
Week 3 Subjectieve bestanddelen I...............................................................10
F.G.H. Kristen e.a. (red.), Bijzonder Strafrecht, Boom 2019, Hoofdstuk 14 (p. 485-523)
..................................................................................................................................... 10
D.R. Doorenbos, 'Opzet in de Wet op de economische delicten. Beter boos dan
kleurloos', AA 2021, p. 253-257....................................................................................12
Week 4 subjectieve bestanddelen II..............................................................13
D.H. de Jong en M. Kessler, ‘Opzet in de Opiumwet: bewijs en inhoud’, NJB 1999 (9). . .13
H.J.B. Sackers, Wet Wapens en Munitie (Studiepockets Strafrecht nr. 42), Deventer:
Wolters Kluwer 2020, par. 6.8.......................................................................................14
Week 5 Het fiscale strafrecht........................................................................15
F.G.H. Kristen e.a. (red.), Bijzonder Strafrecht, Boom 2019, HFST 9 ('Fiscale delicten', p.
279 e.v.)........................................................................................................................ 15
S.F. van Immerseel & D. Liem, 'Het pleitbaar standpunt: de objectieve versus de
subjectieve benadering', TFB 2011/7, p. 10-14.............................................................18
Week 6 De ultimum remedium-gedachte in het bijzonder strafrecht...............19
J.H. Crijns, 'Strafrecht als ultimum of optimum remedium. Heeft de ultimum remedium-
gedachte dan toch haar beste tijd gehad?', Boom Strafblad 2025/3.............................19
J.P. Cnossen, 'Van rechtmatigheid naar doelmatigheid: de ultimum remedium-gedachte
in het bijzonder strafrecht', Boom Strafblad 2025/3.....................................................20
Week 7 Onderscheid tussen bijzonder en commuun strafrecht.......................21
F.G.H. Kristen e.a. (red.), Bijzonder Strafrecht, Boom 2019, Hoofdstuk 3 (p. 57-97).....21
J.P. Cnossen & F.P. Ölçer, ‘Begrip en beheersing van het bijzonder strafrecht. Een
kenmerk-georiënteerde benadering’, in: J.G.H. Altena, J.P. Cnossen, J.H. Crijns, P.M.
Schuyt & J.M. Ten Voorde (red.), In onderlinge samenhang. Liber amicorum Tineke
Cleiren (pp. 171-191). Den Haag: Boom juridisch.........................................................25
M. Wladimiroff, ‘Hoe apart is economisch strafrecht, een evaluatie’, in: M. Wladimiroff
(red.), Facetten van economisch strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 183-196. .26
Week 8 Gastcollege Bijzondere opsporing......................................................27
1
, F.G.H. Kristen e.a. (red.), Bijzonder Strafrecht, Boom 2019, Hoofdstuk 16 en 17. Van
HFST 17 alleen par. 1, 4 en 5........................................................................................27
J.S. Nan, 'Nemo tenetur en fishing expeditions. Annotatie bij Hoge Raad 19 november
2023, ECLI:NL:HR:2023:1562 (Nemo tenetur en fishing expeditions)', AA 2024/2, p.
155-159........................................................................................................................ 30
Week 9 Gastcollege klimaat & strafrecht.......................................................31
Week 10 Gastcollege bijzondere afdoeningsmodaliteiten...............................31
F.G.H. Kristen e.a. (red.), Bijzonder Strafrecht, Boom 2019, Hoofdstuk 17 (p. 609-657)
..................................................................................................................................... 31
V.S.Y. Liem & L.J. Leijten, ‘De nieuwe aanwijzing hoge transacties – een vertaling van
staande praktijk?’, TBS&H 2020/5................................................................................35
J.H. Crijns, 'De pendule van de buitengerechtelijke en verkorte afdoening in strafzaken.
Van consensualiteit naar eenzijdige schuldvaststelling en terug', TBS&H 2025, afl. 3, p.
127 e.v.......................................................................................................................... 36
C. van der Meulen, 'De schikkingspraktijk van het OM. Inzichten en trends sinds de
nieuwe Aanwijzing hoge transacties', TBS&H 2025, afl. 6, p. 267-274..........................39
2
, Week 1 Algemene introductie bijzonder strafrecht
F.G.H. Kristen e.a. (red.), Bijzonder Strafrecht, Boom 2019, Hoofdstuk 2
(p. 23-56).
De auteur beschrijft de historische ontwikkeling van het bijzonder strafrecht als
een geleidelijke verwijdering van het klassieke ideaal van één samenhangend,
gecodificeerd strafrecht. In de vroegmoderne en negentiende-eeuwse opvatting
stond codificatie centraal: strafrecht moest worden samengebracht in een
coherent wetboek, gebaseerd op rechtsbescherming, eenheid en
voorzienbaarheid. Tegenover dat commune, gecodificeerde strafrecht stond
bijzonder strafrecht aanvankelijk slechts als formele uitzondering: afzonderlijke
wetten buiten het wetboek, vooral voor overtredingen of specifieke terreinen die
niet goed in de algemene codificatie pasten. Dat formele onderscheid werd in
Nederland ook constitutioneel verankerd, doordat algemene wetboeken werden
voorbehouden maar regeling van afzonderlijke onderwerpen in aparte wetten
mogelijk bleef. Tegelijk laat de auteur zien dat dit onderscheid vanaf het begin al
inhoudelijk relatief was, omdat naast het commune strafrecht steeds meer
bijzondere regelingen ontstonden voor domeinen waarin algemene codificatie
tekortschiet.
De eerste belangrijke stap in de ontwikkeling van het bijzonder strafrecht hangt
samen met de overgang van de nachtwakersstaat naar de sociaal-economische
interventiestaat. Het klassieke liberale strafrecht was vooral gericht op
bescherming van individuele rechtsgoederen, op reactief optreden en op
minimale staatsinterventie. Tegen het einde van de negentiende eeuw raakte dit
model echter onder druk door industrialisering, sociale ongelijkheid, economische
crises en de opkomst van de sociale kwestie. Daardoor ontstond een ander beeld
van de rol van de staat: niet alleen beschermen tegen klassieke criminaliteit,
maar ook actief ordenen, reguleren en sturen van sociaal-economisch leven.
Daarmee veranderde ook de functie van strafrecht. Strafrecht werd in
toenemende mate ingezet om ordeningsnormen te handhaven, preventief in te
grijpen en maatschappelijke processen te sturen. In die context ontstaat het
bijzonder strafrecht als handhavingsrecht van sociaal-economisch
ordeningsrecht.
De auteur laat zien dat deze ontwikkeling niet louter Nederlands is, maar breder
Westers en vooral ook Amerikaans en continentaal-Europees verloopt. In de
Verenigde Staten ontwikkelt zich in de eerste helft van de twintigste eeuw onder
invloed van de Progressive Era, de New Deal en de opkomst van onafhankelijke
administratieve instanties een sterk regulatorisch strafrecht. Dat strafrecht staat
niet langer uitsluitend in het teken van repressie achteraf, maar wordt onderdeel
van een breder bestuurlijk toezichtsstelsel. In continentaal Europa ontwikkelt zich
een vergelijkbare beweging, zij het minder uniform en meer afhankelijk van
nationale contexten. In beide gevallen groeit het bijzonder strafrecht uit tot een
instrument voor handhaving van economische, sociale en administratieve
normen, met een veel sterkere verwevenheid met bestuursrecht dan het
klassieke commune strafrecht kende.
3