, DEEL 1 THEORETISCHE GRONDSLAGEN
1 Organisatie en besturing
1.1 Organisatie
Binnen organisaties spelen de volgende elementen een centrale rol:
Doelgerichtheid: elke organisatie heeft expliciete of impliciete doelen.
Taakverdeling: werkzaamheden worden opgesplitst in taken en functies.
Coördinatie: afstemming tussen verschillende activiteiten is noodzakelijk.
Hiërarchie en structuur: bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden vastgelegd.
Organisaties kunnen verschillende vormen aannemen, zoals functionele structuren, divisiestructuren
of matrixorganisaties. De gekozen structuur beïnvloedt de wijze waarop informatie stroomt en
beslissingen worden genomen.
1.2 Besturing van de organisatie
Besturing betreft het sturen van activiteiten binnen een organisatie om de gestelde doelen te
realiseren. Dit gebeurt door middel van planning, uitvoering, controle en bijsturing.
Belangrijke aspecten van besturing zijn:
Doelstellingen formuleren: strategisch, tactisch en operationeel niveau.
Plannen en budgetteren: vastleggen van gewenste prestaties en middelen.
Meten van prestaties: vergelijken van gerealiseerde en geplande resultaten.
Bijsturen: corrigeren van afwijkingen.
2 Control en controlmodellen
2.1 Waarom control?
Control is essentieel om zekerheid te verkrijgen over het behalen van organisatiedoelen. Zonder
control bestaat het risico op inefficiëntie, fouten, fraude en onvoldoende naleving van wet- en
regelgeving.
De noodzaak van control komt voort uit:
Complexiteit van organisaties
Delegatie van taken en bevoegdheden
Toenemende externe eisen (wetgeving, stakeholders)
Behoefte aan transparantie en verantwoording