Paragraaf 2: De wereld van de grote stad
Kenmerken van een stad:
- Een bepaalde, per land verschillende omvang.
- Een hoge bevolkings- en bebouwingsdichtheid, vaak met hoogbouw.
- Een beroepsbevolking die vrijwel uitsluitend in de secundaire en tertiaire sector werkt.
- Een groot aantal functies voor het gebied rond de stad.
Steden kun je onderverdelen in:
- Megasteden: stad met meer dan 10 miljoen inwoners. Geen grote rol in de wereld.
- Wereldsteden: grote stad die voor een deel van de wereld belangrijk is op het gebied van
economie, politiek en cultuur. (Global city, ook wel metropool genoemd)
o Hier worden belangrijke politieke besluiten genomen, hier komen de nieuwste
spullen op het gebied van mode, muziek en film vandaan.
o Ook vind je hier de hoofdkantoren van multinationals en de aandeelbeurzen die de
financiële markten beheersen.
- Hoofdsteden: belangrijkste stad van een land waar meestal de regering zetelt.
Soms valt een stad onder alle drie de typen, zoals Tokio en Londen.
Stedelijk netwerk: groep van steden in een land die onderling op tal van terreinen verbonden zijn.
Primate city: een stad die, gelet op het aantal inwoners en functies, veel groter en belangrijker is dan
de 2e stad in het land.
De plek waar steden liggen kun je verklaren met behulp van vestigingsplaatsfactoren:
- Site: kenmerken van de ligging van een plaats zelf. Hoogteligging, reliëf, aanwezigheid
grondstoffen, vruchtbaarheid en ligging.
- Situation: kenmerken van een plaats die samenhangen met zijn ligging ten opzichte van
andere plaatsen of gebieden. Bevolkingsdichtheid en opleidingsniveau.
o De situation van een plaats kan veranderen, en in de moderne tijd is de situation
belangrijker dan de site.
o Door globalisering is het voor een stad belangrijk om op meer manieren bereikbaar
te zijn.
Koloniale dubbelstad: een stad die bestaat uit een westers en een niet-westers deel.
Paragraaf 3: Steden in verandering
Verstedelijkingsgraad: percentage van bevolking dat in steden woont.
Rijke landen zijn sterk verstedelijkt, maar het aandeel van de stadsbevolking neemt nauwelijks toe.
Suburbanisatie: proces waarbij mensen en bedrijven vanuit een stad naar het platteland trekken.
Daardoor vervaagt de grens tussen het platteland en de stad snel, er komt dus een overgangszone
tussen het platteland en de stad. Deze zone heeft stedelijke, maar ook plattelandse functies.
Re-urbanisatie: proces waarbij na een periode van leegloop de stedelijke bevolking weer toeneemt.
Snelle stedelijke groei vindt plaats in ontwikkelingslanden. De bewoners trekken vooral naar de
primate city. Als gevolg daarvan wordt de hoofdstad vaak enorm groot. (Vestigingsoverschot)
Verstedelijking: proces waarbij mensen van het platteland naar de stad verhuizen.
Vestigingsoverschot: het positieve verschil tussen het aantal mensen dat vertrekt en zich vestigt.
Kenmerken van een stad:
- Een bepaalde, per land verschillende omvang.
- Een hoge bevolkings- en bebouwingsdichtheid, vaak met hoogbouw.
- Een beroepsbevolking die vrijwel uitsluitend in de secundaire en tertiaire sector werkt.
- Een groot aantal functies voor het gebied rond de stad.
Steden kun je onderverdelen in:
- Megasteden: stad met meer dan 10 miljoen inwoners. Geen grote rol in de wereld.
- Wereldsteden: grote stad die voor een deel van de wereld belangrijk is op het gebied van
economie, politiek en cultuur. (Global city, ook wel metropool genoemd)
o Hier worden belangrijke politieke besluiten genomen, hier komen de nieuwste
spullen op het gebied van mode, muziek en film vandaan.
o Ook vind je hier de hoofdkantoren van multinationals en de aandeelbeurzen die de
financiële markten beheersen.
- Hoofdsteden: belangrijkste stad van een land waar meestal de regering zetelt.
Soms valt een stad onder alle drie de typen, zoals Tokio en Londen.
Stedelijk netwerk: groep van steden in een land die onderling op tal van terreinen verbonden zijn.
Primate city: een stad die, gelet op het aantal inwoners en functies, veel groter en belangrijker is dan
de 2e stad in het land.
De plek waar steden liggen kun je verklaren met behulp van vestigingsplaatsfactoren:
- Site: kenmerken van de ligging van een plaats zelf. Hoogteligging, reliëf, aanwezigheid
grondstoffen, vruchtbaarheid en ligging.
- Situation: kenmerken van een plaats die samenhangen met zijn ligging ten opzichte van
andere plaatsen of gebieden. Bevolkingsdichtheid en opleidingsniveau.
o De situation van een plaats kan veranderen, en in de moderne tijd is de situation
belangrijker dan de site.
o Door globalisering is het voor een stad belangrijk om op meer manieren bereikbaar
te zijn.
Koloniale dubbelstad: een stad die bestaat uit een westers en een niet-westers deel.
Paragraaf 3: Steden in verandering
Verstedelijkingsgraad: percentage van bevolking dat in steden woont.
Rijke landen zijn sterk verstedelijkt, maar het aandeel van de stadsbevolking neemt nauwelijks toe.
Suburbanisatie: proces waarbij mensen en bedrijven vanuit een stad naar het platteland trekken.
Daardoor vervaagt de grens tussen het platteland en de stad snel, er komt dus een overgangszone
tussen het platteland en de stad. Deze zone heeft stedelijke, maar ook plattelandse functies.
Re-urbanisatie: proces waarbij na een periode van leegloop de stedelijke bevolking weer toeneemt.
Snelle stedelijke groei vindt plaats in ontwikkelingslanden. De bewoners trekken vooral naar de
primate city. Als gevolg daarvan wordt de hoofdstad vaak enorm groot. (Vestigingsoverschot)
Verstedelijking: proces waarbij mensen van het platteland naar de stad verhuizen.
Vestigingsoverschot: het positieve verschil tussen het aantal mensen dat vertrekt en zich vestigt.