Hoofdstuk 1 - Theoretical Perspectives in Developmental Psychology
In de spam van 100 jaar zijn er vijf perspectieven ontstaan in de psychologie:
● Genetic psychology: 1890s–1950s
● Behaviorism: 1930s–1950s
● Cognitive developmental psychology: 1957–today
● Constructivism: 1950s–today
● Cultural psychology: 1980s–today
Genetic psychology
De studie van de ontwikkeling van het kind had aan het begin een centrale rol binnen de
psychologie.
Het overheersende theoretische perspectief legde de nadruk op endogene factoren:
invloeden binnenin het kind.
De studie van de groei en ontwikkeling van kinderen werd "genetische psychologie"
genoemd, waarbij de term "genetisch" niet verwees naar de genen (er was toen nog niets
bekend over chromosomen) maar naar een focus op de oorsprong.
Hall werd beïnvloed door zowel Sigmund Freud als Charles Darwin. Volgens hem bestaat
de ontwikkeling van een kind uit recapitulatie: het individu herbeleeft de evolutionaire stadia
van de geschiedenis van zijn "ras".
We weten nu dat alle mensen genetisch erg op elkaar lijken en er is geen aanwijzing dat er
genetische rassen zijn.
Volgens Hall is het niet de cultuur en de maatschappij die beïnvloedt hoe een kind opgroeit,
maar een biologische overerving.
Hall was een determinist → het geloof dat psychologische ontwikkeling volledig wordt
bepaald door erfelijke factoren.
Hij zag cultuur als een vorm van corruptie.
Arnold Gessel
gelooft dat de ontwikkeling van kinderen gebaseerd is op empirische feiten en niet op een
‘vroeger leven’.
Zowel Gessel als Hall legde nadruk op de rol van biologische maturatie van kinderen.
Gesell zag ontwikkeling als een beweging door verschillende stadia, maar hij benadrukte
dat het niet "op een trapsgewijze manier of in termijnen verloopt. Het is altijd vloeiend en
continu". Hij zag de ontwikkeling als een interactie tussen het kind en de omgeving.
,Erik Erikson
Erikson zag de menselijke ontwikkeling als een levenscyclus die verschillende stadia
doorloopt. Elk stadium heeft zijn eigen dynamiek, het resultaat van "de wetten van de
individuele ontwikkeling en van de sociale organisatie".
Bovendien gaat elke fase gepaard met een duidelijk soort crisis → een noodzakelijk
keerpunt, een cruciaal moment, waarop de ontwikkeling een of andere kant op moet gaan,
waarbij bronnen voor groei, herstel en verdere differentiatie moeten worden aangeboord.
Hij stelde dat elke fase een cultureel gedefinieerd moratorium (= een tijdelijke vertraging)
betrekt waarin het individu de tijd krijgt om de moeilijkheden van de fase te beheersen,
waarbij culturele invloeden je kunnen leiden/helpen.
Behaviorism
Het tweede perspectief stelde dat interne factoren minder belangrijk zijn dan de rol van het
milieu. Het benadrukte exogene factoren →invloeden van buitenaf, vaak door belonen en
straffen.
John Watson
Watson definieert behaviorisme als een puur objectieve science, wiens doel de voorspelling
en controle van gedrag was.
Watson stelde dat je kinderen moest behandelen op een objectieve onsentimentele manier,
dus geen knuffels, maar handen schudden etc.
Een van de centrale concepten van behaviorisme is conditionering.
Klassiek conditioneren → de reflex reacties van een organisme veranderen wanneer een
omgevingsstimulus, die voorheen geen reactie uitlokte, een signaal wordt voor het optreden
van een tweede stimulus.
Kan toegepast worden op kinderen, maar het onderzoek is controversieel.
Pavlov
Pavlov werd opgeleid tot fysioloog en zijn vroege onderzoek betrof de zenuwen van het hart.
In de jaren 1890 bestudeerde hij de maag functies van honden en merkte op dat de dieren
speeksel begonnen af te scheiden voordat ze daadwerkelijk voedsel binnenkregen. Hij
richtte zijn onderzoek op dit fenomeen →
geconditioneerde reflex → iets wat gebeurt als reactie op een stimulus, zoals het aanmaken
van speeksel bij het zien van eten. In het onderzoek van pavlov conditioneerde hij honden
met een bel die geassocieerd werd met eten. Uiteindelijk gingen de honden kwijlen bij het
horen van de bel.
, Skinner
De opvattingen van Skinner verschilden van die van Watson doordat hij accepteerde dat
gevoelens en mentale toestanden bestonden en bestudeerd konden worden door een
wetenschappelijke psychologie zodra ze geïdentificeerd waren met lichamelijke toestanden
of gedragingen. Hij beschouwde dit voorstel als "radicaal"; Skinner's benadering wordt
radicaal behaviorisme genoemd.
Skinner is bekend van de operante conditionering → Mensen gedrag laten vertonen door
straffen en belonen.
Respondenten (klassiek) zijn reflexmatige reacties, zoals speekselen. Operanten zijn
daarentegen uitgestoten reacties, gedragingen die actief worden geproduceerd door een
organisme.
Bandura
Hij legde nadruk op het leren door imitatie/modeling.
Bandura accepteerde dat de omgeving een belangrijke invloed heeft op het gedrag van een
kind, maar hij stelde voor dat daarnaast het gedrag van het kind de omgeving beïnvloedt, in
wat hij "wederkerig determinisme" heeft genoemd. Ook mentale beelden en taal moet
rekening mee gehouden worden.
Bandura onderzocht observational learning → leren door te observeren en imiteren, wordt
ook wel sociaal leren genoemd. (al geleerd dat kinderen de ouders imiteren)
Ook onderzocht hij zelf-regulatie.
In zijn visie controleert een kind haar eigen gedrag via een proces met drie stappen:
● Eerst is er zelfobservatie, waarbij het kind haar eigen gedrag controleert.
● Ten tweede is er het oordeel, waarin het kind wat het gedaan heeft vergelijkt met een
standaard.
● Ten derde is er de zelf respons, waarbij het kind zichzelf beloont of straft op basis
van deze evaluatie.
De zelf reactie kan openlijk zijn (zoals het eten van een snoepje) of verborgen (zoals het
voelen van schaamte of trots).
Op lange termijn creëert een kind een niveau van eigenwaarde op basis van haar
geschiedenis van zelfbestraffing en zelfbeloning.
Cognitive developmental psychology
Gaat over de belangen van zowel endogene als exogene factoren. Ook neemt het de
hersenen en de functies daarvan in acht.
In de spam van 100 jaar zijn er vijf perspectieven ontstaan in de psychologie:
● Genetic psychology: 1890s–1950s
● Behaviorism: 1930s–1950s
● Cognitive developmental psychology: 1957–today
● Constructivism: 1950s–today
● Cultural psychology: 1980s–today
Genetic psychology
De studie van de ontwikkeling van het kind had aan het begin een centrale rol binnen de
psychologie.
Het overheersende theoretische perspectief legde de nadruk op endogene factoren:
invloeden binnenin het kind.
De studie van de groei en ontwikkeling van kinderen werd "genetische psychologie"
genoemd, waarbij de term "genetisch" niet verwees naar de genen (er was toen nog niets
bekend over chromosomen) maar naar een focus op de oorsprong.
Hall werd beïnvloed door zowel Sigmund Freud als Charles Darwin. Volgens hem bestaat
de ontwikkeling van een kind uit recapitulatie: het individu herbeleeft de evolutionaire stadia
van de geschiedenis van zijn "ras".
We weten nu dat alle mensen genetisch erg op elkaar lijken en er is geen aanwijzing dat er
genetische rassen zijn.
Volgens Hall is het niet de cultuur en de maatschappij die beïnvloedt hoe een kind opgroeit,
maar een biologische overerving.
Hall was een determinist → het geloof dat psychologische ontwikkeling volledig wordt
bepaald door erfelijke factoren.
Hij zag cultuur als een vorm van corruptie.
Arnold Gessel
gelooft dat de ontwikkeling van kinderen gebaseerd is op empirische feiten en niet op een
‘vroeger leven’.
Zowel Gessel als Hall legde nadruk op de rol van biologische maturatie van kinderen.
Gesell zag ontwikkeling als een beweging door verschillende stadia, maar hij benadrukte
dat het niet "op een trapsgewijze manier of in termijnen verloopt. Het is altijd vloeiend en
continu". Hij zag de ontwikkeling als een interactie tussen het kind en de omgeving.
,Erik Erikson
Erikson zag de menselijke ontwikkeling als een levenscyclus die verschillende stadia
doorloopt. Elk stadium heeft zijn eigen dynamiek, het resultaat van "de wetten van de
individuele ontwikkeling en van de sociale organisatie".
Bovendien gaat elke fase gepaard met een duidelijk soort crisis → een noodzakelijk
keerpunt, een cruciaal moment, waarop de ontwikkeling een of andere kant op moet gaan,
waarbij bronnen voor groei, herstel en verdere differentiatie moeten worden aangeboord.
Hij stelde dat elke fase een cultureel gedefinieerd moratorium (= een tijdelijke vertraging)
betrekt waarin het individu de tijd krijgt om de moeilijkheden van de fase te beheersen,
waarbij culturele invloeden je kunnen leiden/helpen.
Behaviorism
Het tweede perspectief stelde dat interne factoren minder belangrijk zijn dan de rol van het
milieu. Het benadrukte exogene factoren →invloeden van buitenaf, vaak door belonen en
straffen.
John Watson
Watson definieert behaviorisme als een puur objectieve science, wiens doel de voorspelling
en controle van gedrag was.
Watson stelde dat je kinderen moest behandelen op een objectieve onsentimentele manier,
dus geen knuffels, maar handen schudden etc.
Een van de centrale concepten van behaviorisme is conditionering.
Klassiek conditioneren → de reflex reacties van een organisme veranderen wanneer een
omgevingsstimulus, die voorheen geen reactie uitlokte, een signaal wordt voor het optreden
van een tweede stimulus.
Kan toegepast worden op kinderen, maar het onderzoek is controversieel.
Pavlov
Pavlov werd opgeleid tot fysioloog en zijn vroege onderzoek betrof de zenuwen van het hart.
In de jaren 1890 bestudeerde hij de maag functies van honden en merkte op dat de dieren
speeksel begonnen af te scheiden voordat ze daadwerkelijk voedsel binnenkregen. Hij
richtte zijn onderzoek op dit fenomeen →
geconditioneerde reflex → iets wat gebeurt als reactie op een stimulus, zoals het aanmaken
van speeksel bij het zien van eten. In het onderzoek van pavlov conditioneerde hij honden
met een bel die geassocieerd werd met eten. Uiteindelijk gingen de honden kwijlen bij het
horen van de bel.
, Skinner
De opvattingen van Skinner verschilden van die van Watson doordat hij accepteerde dat
gevoelens en mentale toestanden bestonden en bestudeerd konden worden door een
wetenschappelijke psychologie zodra ze geïdentificeerd waren met lichamelijke toestanden
of gedragingen. Hij beschouwde dit voorstel als "radicaal"; Skinner's benadering wordt
radicaal behaviorisme genoemd.
Skinner is bekend van de operante conditionering → Mensen gedrag laten vertonen door
straffen en belonen.
Respondenten (klassiek) zijn reflexmatige reacties, zoals speekselen. Operanten zijn
daarentegen uitgestoten reacties, gedragingen die actief worden geproduceerd door een
organisme.
Bandura
Hij legde nadruk op het leren door imitatie/modeling.
Bandura accepteerde dat de omgeving een belangrijke invloed heeft op het gedrag van een
kind, maar hij stelde voor dat daarnaast het gedrag van het kind de omgeving beïnvloedt, in
wat hij "wederkerig determinisme" heeft genoemd. Ook mentale beelden en taal moet
rekening mee gehouden worden.
Bandura onderzocht observational learning → leren door te observeren en imiteren, wordt
ook wel sociaal leren genoemd. (al geleerd dat kinderen de ouders imiteren)
Ook onderzocht hij zelf-regulatie.
In zijn visie controleert een kind haar eigen gedrag via een proces met drie stappen:
● Eerst is er zelfobservatie, waarbij het kind haar eigen gedrag controleert.
● Ten tweede is er het oordeel, waarin het kind wat het gedaan heeft vergelijkt met een
standaard.
● Ten derde is er de zelf respons, waarbij het kind zichzelf beloont of straft op basis
van deze evaluatie.
De zelf reactie kan openlijk zijn (zoals het eten van een snoepje) of verborgen (zoals het
voelen van schaamte of trots).
Op lange termijn creëert een kind een niveau van eigenwaarde op basis van haar
geschiedenis van zelfbestraffing en zelfbeloning.
Cognitive developmental psychology
Gaat over de belangen van zowel endogene als exogene factoren. Ook neemt het de
hersenen en de functies daarvan in acht.