van der Molen, H.T., Simon, E., & van Lankveld, J. (2023; vierde druk). Klinische psychologie:
theorieën en psychopathologie. Houten: Noordhoff Uitgevers BV.
Hoofdstuk 1 - Klinische psychologie en abnormaal gedrag
Er zijn 5 basisdisciplines binnen de psychologie:
1. Functieleer
2. Ontwikkelingspsychologie
3. Sociale psychologie
4. Persoonlijkheidspsychologie
5. Methodenleer
Ook zijn er 3 toepassingsgerichte disciplines binnen de psychologie:
1. Klinische psychologie → de grootste groep
2. Arbeids- en organisatie psychologie
3. Onderwijs psychologie
1.1 Het terrein van de klinische psychologie
Iedereen definieert klinische psychologie anders. Een van de vele definities is:
“Het gebied van de psychologie die zich bezighoudt met afwijkend, slecht-aangepast en
abnormaal menselijk gedrag. Onder de grote paraplu van klinische praktijken vallen
diagnose, classificatie, behandeling, preventie en onderzoek.”
De kern van de klinische psychologie wordt nog steeds gevormd door de psychische
stoornissen.
Klinische psychologie/ abnormale psychologie, houdt zich vooral bezig met afwijkend gedrag
van een bepaalde norm.
Afwijkingen van de norm kunnen betrekking hebben op verschillende aspecten van het
menselijk functioneren.
Het kan gaan om aspecten van de individuele persoon → afwijkend gedrag (overmatig
drankgebruik), afwijkende gedachten (dwanggedachten) en afwijkende belevingen (extreme
angsten). Deze afwijkingen kunnen afzonderlijk voorkomen, maar vaak is er sprake van een
combinatie op deze drie gebieden.
Ook kan het gaan om afwijken van de norm in relaties met andere mensen → bijv. extreem
agressief zijn tegen je partner. Deze afwijkingen van wat normaal is binnen sociale relaties,
hebben vaak weer invloed op het gedrag, de gedachten en belevingen binnen een individu.
Essentieel bij klinische psychologie is dat ‘abnormale’ gedragingen, gedachten en gevoelens
alleen kunnen worden verklaard tegen de achtergrond van normale processen. Het is dan
ook belangrijk om kennis te hebben van de ‘normale’ psychologische functies, zoals denken,
geheugen, waarnemen etc.
,
,1.2 Aspecten van ‘abnormaal’ gedrag
Seligman, Walker en Rosenhan onderscheiden 7 factoren die bepalen of gedrag als
abnormaal of pathologisch (=ontstaan uit ziekte) wordt beschouwd. Hoe meer van deze
factoren aanwezig zijn, hoe beter te constateren dat gedrag abnormaal is.
Wil men van abnormaliteit kunnen spreken, dan moet ten minste één van de aspecten zich
voordoen.
1. Persoonlijk lijden → Bij veel psychische stoornissen lijdt de persoon erg onder zijn
eigen problemen. Dit alleen is echter niet voldoende om van pathologie te kunnen
spreken, want iedereen maakt in zijn leven wel eens dingen mee, waar ze onder
lijden.
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag → De mate waarin gedrag het dagelijkse
functioneren en het welbevinden van het individu ondermijnt, bepaalt in sterke mate
de beoordeling van (ab)normaliteit. Het gaat vooral om relaties en beroepsmatig
functioneren.
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag → Als mensen in het gedrag van een andere
geen logica of zin kunnen ontdekken, zijn ze geneigd te spreken van abnormaal
gedrag (bijv. bij boulimia patiënten die eerst veel eten om alles weer uit te kotsen of
bij een psychose).
4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies → (op zichzelf niet voldoende voor abnormaal
gedrag) Mensen houden van controle over hun eigen leven en ze moeten zich in
bepaalde mate consistent gedragen. In onvoorspelbare situaties zullen mensen zich
bedreigd en kwetsbaar voelen. Vooral als het gaat om controle verlies van anderen.
Of iemand gedrag als abnormaal beoordeeld, hangt grotendeels af van de situatie
waarin het gedrag zich voordoet. Er worden twee situaties onderscheiden waarin
gedrag als controleverlies wordt gezien.
- Situaties waarin de regels die gewoonlijk het gedrag van een persoon sturen
plotseling niet meer werkzaam zijn. Bijv. iemand als die altijd super timide en
vriendelijk is en ineens een collega aanvliegt.
- Situaties waarin de toeschouwer de oorzaak of aanleiding van het gedrag dat
hij waarneemt, niet kent en op dat moment ook niet kan achterhalen.
5. Opvallend en onconventioneel gedrag → Mensen kiezen vaak hun eigen gedrag als
maatstaf. Gedrag dat sterk afwijkt van de wijze waarop zij zich gedragen, zullen zij
eerder abnormaal of op zijn minst ongebruikelijk vinden, helemaal als dat gedrag
opvallend is. Of dit pathologisch is, is afhankelijk van de context. (Groen haar is niet
perse pathologisch)
6. Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt → Als iemand
gedrag vertoont waarmee de ongeschreven regels in een bepaalde cultuur worden
overschreden, kan dat bij anderen een gevoel van ongemak teweegbrengen.
7. Het overtreden van morele normen → Mensen oordelen ook of gedrag gepast is of
niet. Dit doen ze aan de hand van hun eigen opvattingen over hoe mensen zich
zouden moeten gedragen. “Slechte” gedragingen worden dan abnormaal gevonden.
Psychische stoornissen worden gedefinieerd door clusters van disfunctionele gedragingen,
die samengaan met persoonlijk lijden, of met een verslechtering van het functioneren, bijv. in
werk of relaties.
, Het systeem classificeert NIET mensen, maar stoornissen die de mensen hebben. Ipv.
alcoholist, zegt men dan ‘iemand met een stoornis in alcoholgebruik’.
Er zijn ook drie uitsluitende omstandigheden geformuleerd:
1. Te verwachten en cultureel aanvaardbare reacties → rouwreacties vlak na het
overlijden van iemand zijn heel logisch en worden niet als psychische stoornis
beschouwd. Mocht dit langer dan een jaar aanhouden, kan dit wel het geval zijn.
2. Langdurig deviant gedrag → dat voortvloeit uit het behoren tot een politieke,
religieuze of seksuele minderheid. Als je bijv. milieuactivist bent, zal je niet voor deze
acties het label van een psychische stoornis krijgen.
3. Afwijkend gedrag moet niet voortkomen uit een persoonlijk conflict tussen het
individu en de maatschappij.
1.3 Normaal en abnormaal: waar ligt de grens?
Er zijn drie modellen die uitspraken mogelijk maken over het onderscheid tussen abnormaal
en normaal gedrag:
1. Statistisch model
2. Medisch/ ziekte model
3. Leer- of onderwijsmodel
Statistisch model:
Het uitgangspunt van dit model is dat menselijke eigenschappen (zoals intelligentie of de
geneigdheid om op angst te reageren) min of meer normaal verdeeld zijn.
Er wordt van abnormaliteit gesproken bij extreem hoge of lage scores (als de metingen
betrouwbaar en valide zijn).
Binnen dit model heeft abnormaal uitsluitend een statistische betekenis.
Er zijn echter wat problemen:
- Waar wordt precies de grens getrokken tussen normaal en abnormaal?
○ De meeste psychologische testen die worden gebruikt sluiten aan bij deze
benadering. In de bijbehorende handleiding wordt niet een strakke grens
getrokken tussen normaal en abnormaal, maar krijgen de verschillende
scores een betekenis in de termen van ‘zeer laag’ tot ‘zeer hoog’.
- Het model specificeert niet hoe ongewoon gedrag moet zijn om het abnormaal te
kunnen noemen.
○ Sommige vormen van psychopathologie zijn zeer uitzonderlijk (bijv.
genderidentiteitsstoornis). Het statistische model is hiervoor niet toereikend
omdat de desbetreffende eigenschap absoluut niet normaal verdeeld is.
Andere stoornissen zijn juist veel voorkomend (depressie of angst)
theorieën en psychopathologie. Houten: Noordhoff Uitgevers BV.
Hoofdstuk 1 - Klinische psychologie en abnormaal gedrag
Er zijn 5 basisdisciplines binnen de psychologie:
1. Functieleer
2. Ontwikkelingspsychologie
3. Sociale psychologie
4. Persoonlijkheidspsychologie
5. Methodenleer
Ook zijn er 3 toepassingsgerichte disciplines binnen de psychologie:
1. Klinische psychologie → de grootste groep
2. Arbeids- en organisatie psychologie
3. Onderwijs psychologie
1.1 Het terrein van de klinische psychologie
Iedereen definieert klinische psychologie anders. Een van de vele definities is:
“Het gebied van de psychologie die zich bezighoudt met afwijkend, slecht-aangepast en
abnormaal menselijk gedrag. Onder de grote paraplu van klinische praktijken vallen
diagnose, classificatie, behandeling, preventie en onderzoek.”
De kern van de klinische psychologie wordt nog steeds gevormd door de psychische
stoornissen.
Klinische psychologie/ abnormale psychologie, houdt zich vooral bezig met afwijkend gedrag
van een bepaalde norm.
Afwijkingen van de norm kunnen betrekking hebben op verschillende aspecten van het
menselijk functioneren.
Het kan gaan om aspecten van de individuele persoon → afwijkend gedrag (overmatig
drankgebruik), afwijkende gedachten (dwanggedachten) en afwijkende belevingen (extreme
angsten). Deze afwijkingen kunnen afzonderlijk voorkomen, maar vaak is er sprake van een
combinatie op deze drie gebieden.
Ook kan het gaan om afwijken van de norm in relaties met andere mensen → bijv. extreem
agressief zijn tegen je partner. Deze afwijkingen van wat normaal is binnen sociale relaties,
hebben vaak weer invloed op het gedrag, de gedachten en belevingen binnen een individu.
Essentieel bij klinische psychologie is dat ‘abnormale’ gedragingen, gedachten en gevoelens
alleen kunnen worden verklaard tegen de achtergrond van normale processen. Het is dan
ook belangrijk om kennis te hebben van de ‘normale’ psychologische functies, zoals denken,
geheugen, waarnemen etc.
,
,1.2 Aspecten van ‘abnormaal’ gedrag
Seligman, Walker en Rosenhan onderscheiden 7 factoren die bepalen of gedrag als
abnormaal of pathologisch (=ontstaan uit ziekte) wordt beschouwd. Hoe meer van deze
factoren aanwezig zijn, hoe beter te constateren dat gedrag abnormaal is.
Wil men van abnormaliteit kunnen spreken, dan moet ten minste één van de aspecten zich
voordoen.
1. Persoonlijk lijden → Bij veel psychische stoornissen lijdt de persoon erg onder zijn
eigen problemen. Dit alleen is echter niet voldoende om van pathologie te kunnen
spreken, want iedereen maakt in zijn leven wel eens dingen mee, waar ze onder
lijden.
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag → De mate waarin gedrag het dagelijkse
functioneren en het welbevinden van het individu ondermijnt, bepaalt in sterke mate
de beoordeling van (ab)normaliteit. Het gaat vooral om relaties en beroepsmatig
functioneren.
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag → Als mensen in het gedrag van een andere
geen logica of zin kunnen ontdekken, zijn ze geneigd te spreken van abnormaal
gedrag (bijv. bij boulimia patiënten die eerst veel eten om alles weer uit te kotsen of
bij een psychose).
4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies → (op zichzelf niet voldoende voor abnormaal
gedrag) Mensen houden van controle over hun eigen leven en ze moeten zich in
bepaalde mate consistent gedragen. In onvoorspelbare situaties zullen mensen zich
bedreigd en kwetsbaar voelen. Vooral als het gaat om controle verlies van anderen.
Of iemand gedrag als abnormaal beoordeeld, hangt grotendeels af van de situatie
waarin het gedrag zich voordoet. Er worden twee situaties onderscheiden waarin
gedrag als controleverlies wordt gezien.
- Situaties waarin de regels die gewoonlijk het gedrag van een persoon sturen
plotseling niet meer werkzaam zijn. Bijv. iemand als die altijd super timide en
vriendelijk is en ineens een collega aanvliegt.
- Situaties waarin de toeschouwer de oorzaak of aanleiding van het gedrag dat
hij waarneemt, niet kent en op dat moment ook niet kan achterhalen.
5. Opvallend en onconventioneel gedrag → Mensen kiezen vaak hun eigen gedrag als
maatstaf. Gedrag dat sterk afwijkt van de wijze waarop zij zich gedragen, zullen zij
eerder abnormaal of op zijn minst ongebruikelijk vinden, helemaal als dat gedrag
opvallend is. Of dit pathologisch is, is afhankelijk van de context. (Groen haar is niet
perse pathologisch)
6. Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt → Als iemand
gedrag vertoont waarmee de ongeschreven regels in een bepaalde cultuur worden
overschreden, kan dat bij anderen een gevoel van ongemak teweegbrengen.
7. Het overtreden van morele normen → Mensen oordelen ook of gedrag gepast is of
niet. Dit doen ze aan de hand van hun eigen opvattingen over hoe mensen zich
zouden moeten gedragen. “Slechte” gedragingen worden dan abnormaal gevonden.
Psychische stoornissen worden gedefinieerd door clusters van disfunctionele gedragingen,
die samengaan met persoonlijk lijden, of met een verslechtering van het functioneren, bijv. in
werk of relaties.
, Het systeem classificeert NIET mensen, maar stoornissen die de mensen hebben. Ipv.
alcoholist, zegt men dan ‘iemand met een stoornis in alcoholgebruik’.
Er zijn ook drie uitsluitende omstandigheden geformuleerd:
1. Te verwachten en cultureel aanvaardbare reacties → rouwreacties vlak na het
overlijden van iemand zijn heel logisch en worden niet als psychische stoornis
beschouwd. Mocht dit langer dan een jaar aanhouden, kan dit wel het geval zijn.
2. Langdurig deviant gedrag → dat voortvloeit uit het behoren tot een politieke,
religieuze of seksuele minderheid. Als je bijv. milieuactivist bent, zal je niet voor deze
acties het label van een psychische stoornis krijgen.
3. Afwijkend gedrag moet niet voortkomen uit een persoonlijk conflict tussen het
individu en de maatschappij.
1.3 Normaal en abnormaal: waar ligt de grens?
Er zijn drie modellen die uitspraken mogelijk maken over het onderscheid tussen abnormaal
en normaal gedrag:
1. Statistisch model
2. Medisch/ ziekte model
3. Leer- of onderwijsmodel
Statistisch model:
Het uitgangspunt van dit model is dat menselijke eigenschappen (zoals intelligentie of de
geneigdheid om op angst te reageren) min of meer normaal verdeeld zijn.
Er wordt van abnormaliteit gesproken bij extreem hoge of lage scores (als de metingen
betrouwbaar en valide zijn).
Binnen dit model heeft abnormaal uitsluitend een statistische betekenis.
Er zijn echter wat problemen:
- Waar wordt precies de grens getrokken tussen normaal en abnormaal?
○ De meeste psychologische testen die worden gebruikt sluiten aan bij deze
benadering. In de bijbehorende handleiding wordt niet een strakke grens
getrokken tussen normaal en abnormaal, maar krijgen de verschillende
scores een betekenis in de termen van ‘zeer laag’ tot ‘zeer hoog’.
- Het model specificeert niet hoe ongewoon gedrag moet zijn om het abnormaal te
kunnen noemen.
○ Sommige vormen van psychopathologie zijn zeer uitzonderlijk (bijv.
genderidentiteitsstoornis). Het statistische model is hiervoor niet toereikend
omdat de desbetreffende eigenschap absoluut niet normaal verdeeld is.
Andere stoornissen zijn juist veel voorkomend (depressie of angst)