1. De student kan een definiering geven van goed stemgeluid met
behulp van de vijf stemparameters; stemkwaliteit, toonhoogte,
luidheid, resonantie en prosodie.
Vijf stemparameters:
1. Stemkwaliteit
De kwaliteit van de stem kun je aan de hand van 4 kenmerken omschrijven:
1.de zuiverheid
2.regelmaat
3.vloeiendheid
4.stabiliteit.
De zuiverheid hangt samen met de sluiting van de stemplooien. Sluiten de
stemplooien niet goed, dan horen we een ruisje, de stem klinkt hees. Sommige
stemplooien kunnen niet sluiten door de bouw van het strottenhoofd. Bij andere
stemmen horen we heesheid alleen bij problemen: de stemspieren zijn
oververmoeid, het slijmvlies is verdikt door verkoudheden of
stemplooiknobbeltjes hinderen een goede sluiting.
De regelmaat betekent dat beide stemplooien symmetrisch bewegen. Gebeurt
dit niet, dan horen we een onregelmatig geluid dat we een schorre stem noemen.
Wie heel schor is, klinkt meestal ook hees omdat door de asymmetrie de
stemplooien maar zelden tegen elkaar komen en dus meestal lucht doorlaten.
Omdat beide stemplooien tegelijk aangestuurd worden, is het moeilijk opzettelijk
schorheid te produceren met gezonde stemplooien.
Een stem klinkt vloeiend als het openen en sluiten van de stemplooien vlot op
elkaar volgt. Dat is niet zo bij bijvoorbeeld een krakerige stem. Bij elke
trillingsbeweging gaan de stemplooien slechts heel even open en dicht. Stabiliteit
ten slotte betekent dat we dankzij een goede ademcontrole, spierwerking,
bezenuwing en vooral de coördinatie tussen deze verschillende aspecten in staat
zijn om voldoende lang een bepaalde luidheid, toonhoogte of kwaliteit te
produceren.
Een instabiele stem kan bibberig of beverig zijn. Je kunt dit ervaren als de
besturing van de spieren door zenuwachtigheid wat verstoord is. Instabiel
noemen we ook de stemmen met uitschieters in de hoogte of in de laagte. Ook
de luidheidscontrole kan een probleem zijn.