Pedagogische Ethiek
Tentamenoverzicht
Tara van der Sar
Inhoudsopgave
Criteria....................................................................................................................2
1. Relativisme.........................................................................................................4
2. Egoïsme..............................................................................................................5
3. Hedonisme..........................................................................................................8
4. Utilitarisme........................................................................................................10
5. Act-utilitarisme..................................................................................................12
6. Regel-utilitarisme..............................................................................................14
7. Deugdethiek......................................................................................................16
8. Zorgethiek.........................................................................................................19
9. Deontologie.......................................................................................................21
10. Sociaal-contract theorieën...............................................................................24
11. Egalitarisme.....................................................................................................26
12. Prioritarianisme...............................................................................................27
13. Sufficientarianisme..........................................................................................28
14. Moreel particularisme......................................................................................29
.............................................................................................................................30
15. Consequentalisme..........................................................................................30
16. Natural Law Theory..........................................................................................32
17. Feminism........................................................................................................34
Overzicht..............................................................................................................37
, 2
Criteria
1. Completeness (Volledigheid)
Een ethische theorie moet het volledige bereik van betekenisvolle morele uitspraken kunnen
omvatten en ondersteunen.
Dat betekent:
De theorie moet alle belangrijke morele begrippen en claims kunnen verklaren.
Als een theorie bepaalde soorten morele uitspraken niet kan uitleggen, dan laat zij iets
belangrijks weg.
Voorbeeld uit de literatuur:
Hedonistische theorieën (die zeggen dat iets moreel juist is wanneer het het meeste plezier of
geluk oplevert) krijgen soms kritiek omdat zij het begrip rechtvaardigheid (justice) niet goed
kunnen verklaren.
Als dat klopt, dan zijn zulke theorieën niet volledig genoeg.
Belangrijk punt uit de tekst:
Volledigheid zegt niets over of de theorie waar is.
Het betekent alleen dat de theorie het hele morele domein probeert te behandelen.
2. Explanatory power (Verklaringskracht)
Een ethische theorie moet een samenhangende en verklarende basis geven voor moraliteit.
Dat betekent dat de theorie:
helpt begrijpen waarom iets goed of juist is
nieuwe morele inzichten geeft
idealiter de kern van moraliteit blootlegt.
Voorbeeld uit de tekst:
Hedonistische theorieën zeggen dat een handeling moreel juist is wanneer zij geluk bevordert.
Als dat klopt, leren we dat moraliteit sterk samenhangt met geluk.
Vergelijking uit de tekst:
Stel dat er een computerprogramma bestaat dat perfect kan zeggen:
“dit is goed”
“dit is fout”
Maar het programma kan niet uitleggen waarom.
Dan voldoet het misschien aan volledigheid, maar het heeft geen verklaringskracht.
Belangrijk:
Ook verklaringskracht zegt niets over de waarheid van een theorie.
3. Practicability (Praktische toepasbaarheid)
Dit criterium gaat over hoe bruikbaar een theorie is in de praktijk.
Een theorie moet:
1. Duidelijke en precieze morele regels geven
Als regels te vaag zijn, helpen ze niet bij beslissingen.
Voorbeeld uit de tekst:
“Doe mensen geen pijn, tenzij ze het verdienen.”
Dit roept meteen vragen op:
hoeveel pijn?
wanneer verdient iemand dat?
Daarom is zo’n regel niet goed toepasbaar.
2. Werkbaar zijn voor gewone mensen
Een theorie moet rekening houden met menselijke beperkingen.
Voorbeeld uit de tekst:
“Koop alleen een loterijticket als je gaat winnen.”
, 3
Dat vereist kennis van de toekomst, dus is het praktisch onbruikbaar.
3. Geen onoplosbare conflicten creëren
De waarden van de theorie mogen niet leiden tot dilemma’s die niet opgelost kunnen worden.
Bijvoorbeeld wanneer een theorie ons geen manier geeft om te kiezen tussen:
het redden van levens
of het vertellen van de waarheid.
Belangrijk:
Ook praktische toepasbaarheid zegt niets over of een theorie waar is.
4. Moral confirmation (Morele bevestiging)
Een theorie is moreel bevestigd wanneer er goede redenen zijn om te denken dat haar
antwoorden op morele vragen correct zijn.
Hoe wordt dat beoordeeld?
We beginnen bij sterke morele intuïties die veel mensen delen, zoals dat het verkeerd is om:
onschuldige kinderen te martelen
koelbloedig te moorden
grootschalig te liegen.
Een theorie moet overeenkomen met zulke sterke intuïties.
Als een theorie bijvoorbeeld zou zeggen dat massamoord goed is, dan moet die theorie worden
verworpen.
Het proces van morele bevestiging
De tekst vergelijkt ethiek met wetenschap.
Net zoals in wetenschap:
1. we beginnen met een theorie
2. we testen die op concrete gevallen
3. als er problemen zijn → passen we de theorie aan
4. daarna testen we opnieuw.
Dit voortdurende proces van:
testen
aanpassen
opnieuw testen
leidt tot een steeds betere theorie.
De tekst verwijst hierbij naar John Rawls’ idee van “reflective equilibrium”:
een evenwicht tussen:
onze morele intuïties
en morele principes uit een theorie.
, 4
1. Relativisme
Kernidee
Relativisme zegt dat er geen universele morele standaard is.
Wat moreel juist is, hangt af van wat een samenleving (of individu, bij subjectivisme) gelooft en
accepteert.
Volledigheid — ❌
Relativisme kan wel uitleggen dat verschillende samenlevingen andere normen en gebruiken
hebben. Maar het heeft grote moeite met belangrijke onderdelen van moraliteit, zoals morele
kritiek, morele fouten en morele vooruitgang.
Volgens de literatuur zou relativisme betekenen dat wat een samenleving accepteert
automatisch moreel juist is. Daardoor kun je niet goed zeggen dat een samenleving fout zit, zelfs
niet bij extreme voorbeelden.
Voorbeeld:
In het Amerikaanse zuiden werd slavernij lange tijd breed geaccepteerd. Volgens relativisme zou
slavernij toen moreel juist zijn geweest binnen die samenleving, omdat de meerderheid het
goed vond.
Dit botst met het idee dat sommige dingen gewoon verkeerd zijn, ongeacht cultuur of tijd.
Conclusie:
Omdat relativisme niet goed kan verklaren dat samenlevingen moreel fout kunnen zijn of
vooruitgang kunnen boeken, wordt niet voldaan aan het criterium volledigheid.
Verklaringskracht — 🟧
Relativisme lijkt op het eerste gezicht goed te verklaren waarom mensen en culturen moreel
verschillen. Het wijst op de invloed van cultuur, tradities en overtuigingen.
Maar de literatuur laat zien dat deze verklaring vaak te oppervlakkig is. Verschillen in gedrag
betekenen namelijk niet altijd dat er verschillen zijn in onderliggende morele principes.
Voorbeeld:
De Callatians aten hun doden, terwijl de Grieken hun doden cremeerden. Dat lijkt een moreel
verschil, maar beide groepen hadden hetzelfde principe:
→ “respecteer de doden”
Het verschil zat in hun overtuigingen over wat respectvol is, niet in hun moraal zelf.
Daarnaast verklaart relativisme niet waarom iets echt goed of fout is; het beschrijft alleen wat
mensen geloven.
Conclusie:
Relativisme verklaart deels waarom mensen verschillen, maar schiet tekort in het verklaren van
moraliteit zelf. Daarom wordt gedeeltelijk voldaan aan het criterium verklaringskracht.
Praktische toepasbaarheid — ❌
Relativisme zegt dat je de normen van je eigen samenleving moet volgen. Dat lijkt praktisch,
maar in werkelijkheid levert dit grote problemen op.
Ten eerste maakt relativisme het moeilijk om kritiek te geven op je eigen samenleving, zelfs als
er duidelijke misstanden zijn. Ten tweede weet je vaak niet welke “groep” bepaalt wat juist is,
omdat mensen bij meerdere groepen horen.
Voorbeeld:
Een persoon kan tegelijk deel uitmaken van een religieuze groep, een politieke partij en een
culturele achtergrond. Deze groepen kunnen verschillende morele normen hebben. Relativisme
geeft geen duidelijk antwoord welke norm je dan moet volgen.
Daarnaast zouden morele hervormers (zoals mensen die tegen slavernij waren) volgens
relativisme altijd fout zitten zolang de meerderheid iets anders vindt.